- Arrest van 7 maart 2013

07/03/2013 - 33/2013

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 30 van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest van 29 maart 2012 in zake de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ) tegen de nv « Etablissements Vincent VERMEIRE », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 18 april 2012, heeft het Hof van Beroep te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Is artikel 30 van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen strijdig met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het slechts de middelen tot tenuitvoerlegging beoogt, dat wil zeggen de procedures van gedwongen tenuitvoerlegging waarin is voorzien bij de artikelen 1494 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek, maar niet het wettelijk mechanisme van inhoudingen en stortingen dat bij artikel 30bis van de wet van 27 juni 1969 aan de medecontractant van de aannemer in de opschorting is opgelegd, zodat de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, gewone schuldeiser in de opschorting, aldus tijdens de voorlopige opschorting via gedwongen tenuitvoerlegging kan worden betaald voor zijn schuldvorderingen in de opschorting terwijl de andere schuldeisers in de opschorting, met inbegrip van de buitengewone schuldeisers in de opschorting, dat niet kunnen ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen

B.1.1. Artikel 30 van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen bepaalt :

« Tijdens de duur van de opschorting kan voor schuldvorderingen in de opschorting geen enkel middel van tenuitvoerlegging op de roerende of onroerende goederen van de schuldenaar worden voortgezet of aangewend.

Tijdens dezelfde periode kan de schuldenaar die koopman is, niet worden failliet verklaard en, indien de schuldenaar een vennootschap is, kan deze niet gerechtelijk worden ontbonden ».

B.1.2. De voormelde wet van 31 januari 2009 voorziet onder meer in een zogenoemde procedure « van gerechtelijke reorganisatie » die strekt tot het behouden, onder toezicht van de rechter, van de continuïteit van het geheel of een gedeelte van de onderneming in moeilijkheden of van haar activiteiten (artikel 16, eerste lid); die procedure maakt het mogelijk de schuldenaar een opschorting toe te kennen (waarvan de duur door de rechter wordt bepaald krachtens artikel 24, § 2) om hetzij tot een gerechtelijke reorganisatie te komen door een minnelijk akkoord tussen schuldeisers en schuldenaar - bedoeld in artikel 43 - of door een collectief akkoord van de schuldeisers - bedoeld in de artikelen 44 en volgende -, hetzij de overdracht toe te staan, aan derden, van het geheel of een gedeelte van de onderneming of haar activiteiten, bedoeld in de artikelen 59 en volgende (artikel 16, tweede lid).

Naast het door de in het geding zijnde bepaling vastgelegde verbod om de middelen tot tenuitvoerlegging voort te zetten, bepaalt de wet dat tijdens de opschorting, voor schuldeisers in de opschorting, geen enkel ander beslag dan een bewarend beslag kan worden gelegd (artikel 31). Zij doet evenwel geen afbreuk aan de rechten van de pandhoudende schuldeiser wanneer het gaat om specifiek in pand gegeven schuldvorderingen (artikel 32), staat een vrijwillige betaling door de schuldenaar van schuldvorderingen in de opschorting niet in de weg, noch een rechtstreekse vordering (artikel 33), noch een schuldvergelijking van verknochte schuldvorderingen (artikel 34), noch de mogelijkheid om de schuldenaar failliet te verklaren of een gerechtelijke ontbinding van de vennootschap die schuldenaar is teweeg te brengen (artikel 30), en zij maakt in principe geen einde aan de lopende overeenkomsten (artikel 35).

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de prejudiciële vraag

B.2.1. De Ministerraad doet gelden dat de prejudiciële vraag onontvankelijk is bij gebrek aan voorwerp aangezien zij, hoewel zij artikel 30 van de voormelde wet van 31 januari 2009 beoogt, in werkelijkheid betrekking heeft op artikel 30bis van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, dat voor de RSZ in een mechanisme van stortingen en inhoudingen voorziet dat het werkelijke onderwerp blijkt te zijn van de vraag die de verwijzende rechter stelt.

B.2.2. Het komt de partijen niet toe het onderwerp van de aan het Hof gerichte prejudiciële vragen ter discussie te stellen. Het is overigens juist dat de verwijzende rechter zich naar aanleiding van de uitvoering van artikel 30bis van de wet van 27 juni 1969 tot het Hof richt. Hij doet dat echter vanuit de vaststelling dat dat mechanisme verwant is met dat van een bij artikel 30 van de wet van 31 januari 2009 verboden middel tot tenuitvoerlegging.

Aangezien die bepaling dus wel degelijk het werkelijke onderwerp van de prejudiciële vraag is, is deze ontvankelijk.

Ten gronde

B.3.1. De in het geding zijnde bepaling wordt door de verwijzende rechter geïnterpreteerd in die zin dat zij de RSZ niet verbiedt, ondanks het erin bepaalde verbod om middelen van tenuitvoerlegging voort te zetten, zich te beroepen op artikel 30bis van de wet van 27 juni 1969 dat, onder de erin bepaalde voorwaarden, in paragraaf 3 ervan de opdrachtgevers hoofdelijk aansprakelijk maakt voor de betaling van de sociale schulden van de ondernemer op wie zij een beroep doen, en hun, in paragraaf 4 ervan, ertoe verplicht, wanneer zij de aan die ondernemer verschuldigde prijs betalen, 35 pct. van het door hen verschuldigde bedrag in te houden en te storten aan de RSZ. Artikel 30bis, § 11, werd overigens gewijzigd bij artikel 92 van de wet van 14 april 2011 houdende diverse bepalingen om te bepalen dat het mechanisme waarin artikel 30bis voorziet, van toepassing blijft bij het aanwenden van een procedure van gerechtelijke reorganisatie.

B.3.2. Met de verwijzende rechter kan worden aangenomen dat, ook al vormen de bepalingen van dat artikel 30bis geen middel tot tenuitvoerlegging in de technische betekenis van het woord, de tenuitvoerlegging ervan niettemin kan leiden tot de betaling, aan een derde, van een bedrag dat verschuldigd was aan diegene die de opschorting geniet, door een van zijn medecontractanten, waarbij die medecontractant bovendien door de wet gehouden is die betaling te verrichten.

B.4.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op het verschil in behandeling dat de in het geding zijnde bepaling, geïnterpreteerd zoals in B.3.1, zou instellen tussen de RSZ en de andere schuldeisers van een schuldenaar die de opschorting geniet die is toegekend in het kader van een procedure van gerechtelijke reorganisatie, doordat de Rijksdienst, via het voormelde artikel 30bis, over een waarborg zou beschikken die niet zou worden toegekend aan de andere schuldeisers, zelfs niet aan de buitengewone schuldeisers.

B.4.2. In tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad aanvoert, gaat het om vergelijkbare categorieën van personen omdat beide categorieën schuldeisers zijn van een schuldenaar in de opschorting.

B.4.3. De geïntimeerde partij voor de verwijzende rechter voert aan dat de in het geding zijnde bepaling een andere discriminatie zou doen ontstaan onder ondernemingen die een opschorting genieten, naargelang hun activiteit al dan niet binnen het toepassingsgebied van artikel 30bis van de wet van 27 juni 1969 valt.

Het staat evenwel niet aan de partijen de draagwijdte van de prejudiciële vragen die de verwijzende rechter aan het Hof richt, te wijzigen of uit te breiden, onverminderd de mogelijkheid, voor het Hof, om alle gevolgen van de aan zijn toetsing onderworpen bepalingen in aanmerking te nemen.

B.5. De bij de wet van 31 januari 2009 vastgelegde procedure van gerechtelijke reorganisatie strekt tot het behouden, onder toezicht van de rechter, van de continuïteit van het geheel of een gedeelte van de onderneming in moeilijkheden of van haar activiteiten.

De parlementaire voorbereiding vermeldt daarover :

« ' De continuïteit van de onderneming behouden ', verwijst naar de entiteit zelf met haar verschillende componenten. ' De activiteiten behouden ' verwijst naar de economische activiteit die gedeeltelijk losstaat van het medium ervan. De formulering is heel ruim bedoeld, teneinde te voorkomen dat de wil van de wetgever door interpretaties wordt vertekend : het is duidelijk de bedoeling ervoor te zorgen dat problemen van structurele of toevallige aard in toereikende economische omstandigheden kunnen worden opgelost » (Parl. St., Kamer, B.Z. 2007, DOC 52-0160/001, p. 15).

B.6. De wetgever heeft met die procedure de draagwijdte willen verruimen van de regelgeving op het gerechtelijk akkoord, die zij vervangt (ibid., DOC 52-0160/002, pp. 39 en 82). Hij heeft getracht het doel van behoud van de continuïteit van de onderneming te verzoenen met dat van vrijwaring van de rechten van de schuldeisers :

« [De materie met betrekking tot de gevolgen van de gerechtelijke reorganisatie] is een van de moeilijkste die er bestaat omdat een insolventiewetgeving rekening moet houden met zeer uiteenlopende belangen : de belangen van de schuldeisers die wensen betaald te worden op zo kort mogelijke tijd en de nood om de reorganisatie een kans te geven (met inbegrip van een reorganisatie door overdracht van de onderneming). De regel is dat de continuïteit en van de onderneming en van de contracten behouden blijft, maar het is vanzelfsprekend dat in een periode van acute betaalmoeilijkheden de handhaving van de rechten bedreigd wordt » (ibid., DOC 52-0160/005, p. 10).

B.7. De in het geding zijnde bepaling heeft op haar beurt tot doel te vermijden dat het aanwenden van middelen tot tenuitvoerlegging « de mogelijkheden voor het vinden van een evenwichtige oplossing voor de problemen van de onderneming [zou] tenietdoen » (ibid., DOC 52-0160/002, p. 61), en de beperkingen die bij de artikelen 30 tot 35 aan de rechten van derden worden aangebracht, geven eveneens uiting aan de bekommernis van de wetgever om de continuïteit van de onderneming te bevorderen.

B.8. De hoofdelijke aansprakelijkheid en de verplichtingen tot inhoudingen en stortingen waarin artikel 30bis van de wet van 27 juni 1969 voorziet en die in het geding zijn in de aan de verwijzende rechter voorgelegde zaak, vallen onder het stelsel van de registratie van de aannemers, dat ertoe strekt, door middel van grondig onderzoek, de correcte toepassing, door hen, van de fiscale en sociale wetgeving te waarborgen (Parl. St., Senaat, 1977-1978, nr. 415-1, p. 38).

Volgens de parlementaire voorbereiding gaat dat stelsel uit van de bekommernis om de strijd aan te binden tegen de koppelbazen en de bedrieglijke praktijken die bestaan, enerzijds, in de niet-betaling van sociale bijdragen, bedrijfsvoorheffing en btw en, anderzijds, in het bezetten van een belangrijk aantal arbeidsplaatsen door personen die sociale uitkeringen genieten en die prestaties verrichten die in strijd zijn met de betrokken uitkeringsreglementering, of door buitenlanders die niet gemachtigd zijn te werken, wat tot gevolg heeft dat het aanbod vermindert voor de werknemers die een regelmatige betrekking zoeken (ibid., p. 36).

B.9. Teneinde te waarborgen dat die doelstellingen kunnen worden bereikt, is het niet onredelijk de regeling inzake de registratie van de aannemers te koppelen aan bepalingen die voor hun medecontractanten verplichtingen in het leven roepen, zodat die medecontractanten weten dat, indien zij een overeenkomst willen sluiten met een aannemer die niet zou zijn geregistreerd, zij het risico lopen gedeeltelijk gehouden te zijn tot betaling van de belastingschulden en van de sociale bijdragen welke die aannemer verschuldigd zou zijn. Zo wil men bereiken dat niemand belang erbij heeft een beroep te doen op de diensten van niet-geregistreerde aannemers (Parl. St., Senaat, 1977-1978, nr. 415-1, p. 38).

B.10. Die doelstelling wordt niet beïnvloed door de opschorting die wordt toegekend in het kader van de procedure van gerechtelijke reorganisatie : immers, de werkzaamheid die, overeenkomstig het doel van de wetgever, wordt voortgezet, vereist dat de kwaliteit van de voorwaarden waarin die wordt uitgeoefend, gewaarborgd blijft.

B.11. Weliswaar blijkt uit de in artikel 2 van de wet van 31 januari 2009 vervatte definities van « buitengewone schuldvorderingen in de opschorting » en « gewone schuldvorderingen in de opschorting », alsmede uit de parlementaire voorbereiding (Parl. St., Kamer, 2008-2009, DOC 52-0160/005, p. 133; Parl. St., Senaat, 2008-2009, nr. 4-995/3, p. 21), dat de RSZ dient te worden beschouwd als een gewone schuldeiser in de opschorting.

De in het geding zijnde bepaling beoogt evenwel, over het algemeen, te voorkomen dat de RSZ en de andere schuldeisers, via een beslaglegging tijdens de duur van de opschorting, rechtstreeks afbreuk kunnen doen aan het vermogen van de onderneming die de opschorting geniet, en de continuïteit ervan aldus bedreigen. Het gaat dus om een geval dat vreemd is aan het geval waarin, zoals te dezen, de schuldenaar in opschorting zelf schuldeiser is van een opdrachtgever, waarbij de bedragen die door de laatstgenoemde verschuldigd zijn slechts ter beschikking van de eerstgenoemde worden gesteld na aftrek van de bedragen die met toepassing van het voormelde artikel 30bis, § 4, van de voormelde wet van 27 juni 1969 aan de RSZ zijn gestort.

B.12. De in het geding zijnde maatregel doet niet op onevenredige wijze afbreuk aan de rechten van de andere schuldeisers omdat, rekening houdend met het doel dat erin bestaat de belangen van de sociale zekerheid te vrijwaren, alsook de praktijken van de koppelbazen te bestrijden, de procedure van invordering van overheidsinkomsten, teneinde de overheid in staat te stellen haar verbintenissen ten aanzien van de collectiviteit na te komen, in zekere mate van het gemeen recht vermocht af te wijken. Tijdens de bespreking van een wet tot wijziging van de in het geding zijnde bepalingen heeft de wetgever trouwens opgemerkt :

« Deze laatsten [de koppelbazen] blijken evenwel hun fraudeprocédés aan die reglementering te hebben aangepast : zij leven de formele voorschriften van de bestaande reglementering na, doch blijven in gebreke en dienen zich als onvermogend aan wanneer de eerste initiatieven voor de invordering van hun fiscale en sociale schulden worden genomen.

De fraude is aanzienlijk, daarom achtte de Regering nieuwe maatregelen ter bestrijding van die praktijken noodzakelijk » (Parl. St., Senaat, 1988-1989, nr. 736-5, p. 4).

Het doel van bestrijding van de sociale fraude werd later bevestigd (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-3058/001, p. 21).

B.13. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 30 van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 7 maart 2013.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

R. Henneuse

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag over artikel 30 van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen, gesteld door het Hof van Beroep te Luik. Economisch recht

  • Continuïteit van de ondernemingen

  • Procedure van gerechtelijke reorganisatie

  • Opschorting

  • Uitzondering op de regel van het verbod om de middelen van tenuitvoerlegging voort te zetten

  • 1. RSZ

  • Hoofdelijke aansprakelijkheid en verplichtingen tot inhouding en storting waarin artikel 30bis van de wet van 27 juni 1969 voorziet

  • 2. Andere schuldeisers in de opschorting.