- Arrest van 28 maart 2013

28/03/2013 - 50/2013

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

het Hof zegt voor recht :

Artikel 62, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering schendt de artikelen 10, 11, 12, tweede lid, en 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Moerman, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 22 mei 2012 in zake het openbaar ministerie tegen L.M., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 15 juni 2012, heeft de Correctionele Rechtbank te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 62, eerste [lees : tweede] lid, van het Wetboek van strafvordering, in die zin geïnterpreteerd dat het onmiddellijk van toepassing is op het hangende rechtsgeding en in die zin dat er geen sanctie kan worden opgelegd in geval van niet-naleving van de inhoud ervan, de artikelen 10, 11, 12, tweede lid, en 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 62, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd bij artikel 3 van de wet van 13 augustus 2011 « tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, om aan elkeen die wordt verhoord en aan elkeen wiens vrijheid wordt benomen rechten te verlenen, waaronder het recht om een advocaat te raadplegen en door hem te worden bijgestaan ».

Artikel 62 van het Wetboek van strafvordering (hierna : Sv.) bepaalt :

« Wanneer de onderzoeksrechter zich ter plaatse begeeft, wordt hij altijd vergezeld door de procureur des Konings en door de griffier van de rechtbank.

Wanneer het plaatsbezoek georganiseerd wordt met het oog op de reconstructie van de feiten, laat de onderzoeksrechter zich eveneens vergezellen door de verdachte, de burgerlijke partij en hun advocaten. Onverminderd de rechten van verdediging, is de advocaat verplicht tot geheimhouding van de informatie waarvan hij kennis krijgt door het bijwonen van het plaatsbezoek met het oog op de reconstructie van de feiten. Hij die de geheimhoudingsplicht schendt, wordt gestraft met de bij artikel 458 van het Strafwetboek bepaalde straffen ».

B.2.1. De verwijzende rechter verzoekt het Hof de bestaanbaarheid van die bepaling te onderzoeken, met de artikelen 10, 11, 12, tweede lid, en 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, in zoverre er geen sanctie zou kunnen worden opgelegd in geval van niet-naleving van het recht op bijstand van een advocaat tijdens een plaatsbezoek met het oog op een reconstructie van de feiten, terwijl een niet-naleving van het recht op bijstand van een advocaat vóór of tijdens de verhoren, waarin artikel 47bis, §§ 2, 3 en 5, Sv. voorziet, wordt bestraft bij paragraaf 6 van die bepaling.

B.2.2. Artikel 47bis, § 6, Sv. zoals het was ingevoegd bij artikel 2, 2°, van de wet van 13 augustus 2011, bepaalde :

« Tegen een persoon kan geen veroordeling worden uitgesproken die enkel gegrond is op verklaringen die hij heeft afgelegd in strijd met de §§ 2, 3 en 5 met uitsluiting van § 4, wat betreft het voorafgaandelijk vertrouwelijk overleg of de bijstand door een advocaat tijdens het verhoor ».

Bij het arrest nr. 7/2013 van 14 februari 2013 heeft het Hof in die bepaling het woord « enkel » vernietigd.

B.2.3. De aldus vastgestelde sanctie beoogt dus :

- de schending van het recht van de niet-aangehouden verdachte op een vertrouwelijk overleg met een advocaat vóór het eerste verhoor (artikel 47bis, § 2);

- de schending van het recht van de verdachte wiens vrijheid is benomen op een vertrouwelijk overleg met een advocaat vóór het eerste verhoor en van zijn recht om te worden bijgestaan door een advocaat tijdens de verhoren totdat eventueel een bevel tot aanhouding wordt verleend door de onderzoeksrechter (artikel 47bis, § 3);

- de schending van het recht van de verdachte wiens vrijheid is benomen en die het voorwerp uitmaakt van een beslissing tot verlenging van de vrijheidsbeneming met toepassing van artikel 15bis van de wet betreffende de voorlopige hechtenis, op een voorafgaand vertrouwelijk overleg met een advocaat en van zijn recht om te worden bijgestaan door een advocaat tijdens de verhoren gedurende de nieuwe periode van vierentwintig uur van vrijheidsbeneming (artikel 47bis, § 3);

- de schending van het recht van de persoon die aanvankelijk niet als verdachte werd beschouwd en die die hoedanigheid verkrijgt in de loop van het verhoor, op een voorafgaand vertrouwelijk overleg met een advocaat en, wanneer hij van zijn vrijheid is beroofd, op de bijstand van een advocaat tijdens het verhoor (artikel 47bis, § 5).

De niet-naleving van het recht op bijstand van een advocaat tijdens de reconstructie van de feiten, dat wordt gewaarborgd bij de in het geding zijnde bepaling, wordt daarentegen niet uitdrukkelijk door enige specifieke bepaling bestraft.

B.3. Bij zijn voormelde arrest nr. 7/2013 heeft het Hof verschillende middelen onderzocht waarin werd aangeklaagd dat niet was voorzien in enige sanctie voor schending van het recht van een verdachte om te worden bijgestaan door zijn advocaat tijdens een plaatsbezoek met het oog op een reconstructie van de feiten. De verzoekers waren van mening dat die lacune onder meer de in de prejudiciële vraag vermelde bepalingen schond.

Het Hof heeft die middelen verworpen om de volgende redenen :

« De afwezigheid van een sanctie, in de bestreden wet, voor de schending van het recht van de verdachte om te worden bijgestaan door zijn advocaat tijdens een reconstructie van de feiten doet geen afbreuk aan het feit dat het aan de feitenrechter toekomt de regelmatigheid van de bewijzen waarop de strafvordering is gegrond, te onderzoeken en het recht van de beklaagde op een eerlijk proces te waarborgen. Het komt hem in dat kader toe, wanneer hij vaststelt dat de inaanmerkingneming van de bewijselementen verzameld tijdens een reconstructie van de feiten die is gevoerd met schending van het recht van de verdachte om te worden bijgestaan door zijn advocaat, afbreuk doet aan het recht van de beklaagde op een eerlijk proces, die niet in aanmerking te nemen om een eventuele veroordeling te gronden ».

B.4. Zonder dat het nodig is de excepties van onontvankelijkheid te onderzoeken die zijn opgeworpen door de Ministerraad en door de procureur des Konings bij de Rechtbank van eerste aanleg te Luik, dient de prejudiciële vraag om dezelfde redenen ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 62, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering schendt de artikelen 10, 11, 12, tweede lid, en 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, niet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 28 maart 2013.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

R. Henneuse

Vrije woorden

  • prejudiciële vraag betreffende artikel 62, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, zoals ingevoegd bij artikel 3 van de wet van 13 augustus 2011, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Luik. Strafrecht

  • Strafrechtspleging

  • Inleidende fase

  • Rechten van de personen die worden verhoord door de politiediensten, de procureur des Konings en de onderzoeksrechter

  • Sancties in geval van niet-naleving van de gewaarborgde rechten

  • 1. Niet-naleving van het recht op bijstand van een advocaat vóór of tijdens de verhoren

  • 2. Niet-naleving van het recht op bijstand van een advocaat tijdens een plaatsbezoek met het oog op een reconstructie van de feiten.