- Arrest van 28 maart 2013

28/03/2013 - 51/2013

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

- Artikel 100 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

- De ontstentenis van een wetsbepaling die een recht op een ziekte- en invaliditeitsuitkering opent voor werknemers die verschillende deeltijdse functies uitoefenen en die om medische redenen een van die functies moeten stopzetten, in zoverre zij daardoor worden geconfronteerd met een vermindering van hun vermogen tot verdienen met twee derden of meer en in zoverre zij niet uitkeringsgerechtigd zijn op grond van een andere sociale regeling, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

Bij arrest van 24 juli 2012 in zake de Landsbond van de Neutrale Ziekenfondsen tegen Faissel Bounouch, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 31 juli 2012, heeft het Arbeidshof te Luik de volgende prejudiciële vragen gesteld :

1. « Doet artikel 100, § 2, van de wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, geïnterpreteerd, overeenkomstig artikel 100, § 1, van dezelfde wet, in die zin dat het niet de voortzetting van een activiteit toelaat maar enkel de hervatting van een activiteit na toelating van de adviserende geneesheer, een onverantwoorde discriminatie ontstaan tussen de werknemer die voltijds of in één enkele betrekking is tewerkgesteld en die wegens zijn gezondheidstoestand zijn beroepsactiviteiten moet schorsen en de werknemer die gelijktijdig twee betrekkingen heeft en die om medische redenen slechts de uitvoering van één van die twee betrekkingen moet schorsen, daar hij nog steeds geschikt is om de andere uit te oefenen ? »;

2. « Doet, in het geval waarin het Hof zou oordelen dat de leemte niet gelegen is in artikel 100, § 2, maar in artikel 100, § 1, in zoverre het de volledige onderbreking van elke activiteit oplegt opdat de sociaal verzekerde als arbeidsongeschikt kan worden erkend, die laatste bepaling een onverantwoorde discriminatie ontstaan tussen de werknemer die voltijds of in één enkele betrekking is tewerkgesteld en die wegens zijn gezondheidstoestand zijn beroepsactiviteiten moet schorsen en de werknemer die tegelijkertijd twee betrekkingen heeft en die om medische redenen slechts de uitvoering van één van die twee betrekkingen moet schorsen, daar hij nog steeds geschikt is om de andere uit te oefenen ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Artikel 100 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 (hierna : ZIV-Wet), zoals van toepassing op het geschil voor de verwijzende rechter, bepaalt :

« § 1. Wordt als arbeidsongeschikt erkend als bedoeld in deze gecoördineerde wet, de werknemer die alle werkzaamheid heeft onderbroken als rechtstreeks gevolg van het intreden of het verergeren van letsels of functionele stoornissen waarvan erkend wordt dat ze zijn vermogen tot verdienen verminderen tot een derde of minder dan een derde van wat een persoon, van dezelfde stand en met dezelfde opleiding, kan verdienen door zijn werkzaamheid in de beroepencategorie waartoe de beroepsarbeid behoort, door betrokkene verricht toen hij arbeidsongeschikt is geworden, of in de verschillende beroepen die hij heeft of zou kunnen uitoefenen hebben uit hoofde van zijn beroepsopleiding.

Vrijwilligerswerk in de zin van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers wordt niet beschouwd als werkzaamheid, voor zover de adviserende geneesheer vaststelt dat deze activiteiten verenigbaar zijn met de algemene gezondheidstoestand van de betrokkene.

Indien die werknemer bovendien een beroepsopleiding heeft verworven tijdens een tijdvak van herscholing, wordt met die nieuwe opleiding rekening gehouden ter waardering van de vermindering van zijn vermogen tot verdienen. De Koning bepaalt de voorwaarden waaronder en de termijn binnen welke de arbeidsongeschiktheid opnieuw geëvalueerd wordt na een programma van beroepsherscholing.

Nochtans wordt die vermindering van het vermogen tot verdienen, over de eerste zes maanden primaire arbeidsongeschiktheid, gewaardeerd ten aanzien van het gewone beroep van de betrokkene, in zover de oorzakelijke aandoening voor een gunstig verloop of voor genezing vatbaar is binnen een tamelijk korte tijdspanne.

Is een werknemer opgenomen in een door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft, erkende verplegingsinrichting of in een militair ziekenhuis, dan wordt aangenomen dat hij de vereiste graad van arbeidsongeschiktheid bereikt.

De Koning kan, op voorstel van het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen, de voorwaarden verruimen waaronder wordt aangenomen dat een werknemer de vereiste graad van arbeidsongeschiktheid bereikt.

De Koning kan, op voorstel van het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen en in afwijking van de voorafgaande bepalingen, bijzondere voorwaarden en specifieke evaluatiecriteria vaststellen voor de categorieën van werknemers die Hij bepaalt.

§ 2. Wordt als arbeidsongeschikt erkend de werknemer die, onder de voorwaarden bepaald in de in artikel 80, 5°, bedoelde verordening, een vooraf toegelaten arbeid hervat op voorwaarde dat hij, van een geneeskundig oogpunt uit, een vermindering van zijn vermogen van ten minste 50 pct. behoudt.

[...] ».

B.2. De in het geding zijnde bepaling vindt haar oorsprong in de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering.

Uit de parlementaire voorbereiding van die wet vloeit voort dat de wetgever de arbeidsongeschiktheid heeft willen vergoeden omdat zij het vermogen tot verdienen van de werknemer vermindert. Bovendien werd in verband met de mogelijkheid tot hervatting van een beroepsactiviteit beklemtoond :

« Wanneer de werknemer een beroepsinkomen tijdens de uitkeringsperiode mag genieten, is het billijk het loon dat hij vóór zijn arbeidsongeschiktheid verdiende niet meer in de volle verhouding als bepaald in de artikelen 46, 50 en 53 te vervangen, aangezien dat loon alsdan gedeeltelijk vervangen wordt door het beschouwde beroepsinkomen » (Parl. St., Kamer, 1962-1963, nr. 527/1, p. 23).

De wetgever heeft zich eveneens erom bekommerd de gezondheid van de werknemer te beschermen en te vermijden dat hij het risico neemt zijn gezondheidstoestand te verergeren, hetgeen verantwoordt dat de werkhervatting wordt gekoppeld aan de voorwaarde met betrekking tot het verkrijgen van de voorafgaande toelating van de adviserende geneesheer.

B.3.1. De in de in het geding zijnde bepaling bedoelde uitkering is bestemd om het verlies aan economische geschiktheid van de arbeidsongeschikte werknemer te compenseren.

Daartoe worden in artikel 100, § 1, van de ZIV-Wet drie voorwaarden vastgesteld om een dergelijke uitkering te genieten. De werknemer dient elke werkzaamheid te hebben onderbroken; die onderbreking moet het rechtstreekse gevolg zijn van het intreden of het verergeren van letsels of functionele stoornissen; die laatste moeten zijn vermogen tot verdienen met minstens twee derden verminderen.

De vermindering van zijn vermogen tot verdienen mag niet worden gelijkgesteld met het concrete loonverlies dat de betrokkene lijdt als gevolg van het stopzetten van zijn werkzaamheid. Die vermindering dient immers te worden bepaald door de situatie van de betrokkene te toetsen aan een referteberoep, waarbij met name rekening wordt gehouden met zijn « stand » en « opleiding », alsook met zijn beroep of de verschillende beroepen die hij gelet op zijn beroepsopleiding zou kunnen uitoefenen.

B.3.2. Artikel 100, § 2, van de ZIV-Wet vormt een mildering van het uit paragraaf 1 van dat artikel afgeleide verbod om een beroepsactiviteit te cumuleren met een uitkering voor arbeidsongeschiktheid. De werknemer kan immers een beroepsactiviteit hervatten na ze volledig te hebben beëindigd, en daarbij het voordeel van de tegemoetkoming van de ziekte- en invaliditeitsverzekering behouden voor zover de adviserende geneesheer zijn voorafgaande toelating daarvoor heeft gegeven en de werknemer vanuit geneeskundig oogpunt voor minstens 50 pct. arbeidsongeschikt blijft.

B.4. Aan het Hof worden vragen gesteld over de gelijkheid van behandeling, die uit de in het geding zijnde bepaling voortvloeit, tussen de werknemer die maar één beroepsactiviteit uitoefent en de werknemer die er verschillende uitoefent, in zoverre artikel 100, § 1, van de ZIV-Wet in beide gevallen een volledige onderbreking van elke beroepsactiviteit vereist om de uitkering te genieten die daarin wordt bedoeld, en in zoverre artikel 100, § 2, van dezelfde wet bijgevolg in beide gevallen de mogelijkheid om de uitkering voor arbeidsongeschiktheid te cumuleren met een beroepsactiviteit beperkt tot het loutere geval waarin de beroepsactiviteit wordt hervat, maar er niet in voorziet voor het geval waarin een beroepsactiviteit wordt voortgezet.

B.5. De prejudiciële vragen nopen dus uitdrukkelijk tot het vergelijken van, enerzijds, de werknemer die, aangezien hij de drie in artikel 100, § 1, van de ZIV-Wet vastgestelde voorwaarden heeft vervuld, in staat is om de beroepsactiviteit die hij heeft hervat, te cumuleren met een uitkering voor arbeidsongeschiktheid en, anderzijds, de werknemer die, hoewel hij aanspraak heeft kunnen maken op een vermindering van zijn vermogen tot verdienen van ten minste twee derden die is veroorzaakt door het intreden of het verergeren van letsels of functionele stoornissen, enkel de beroepsactiviteit heeft beëindigd die onverenigbaar is met zijn gezondheidstoestand en die bijgevolg de andere beroepsactiviteit, die hij blijft uitoefenen, niet kan cumuleren met het recht om krachtens de in het geding zijnde bepaling te worden vergoed.

Wegens de samenhang ervan dienen de prejudiciële vragen samen te worden onderzocht.

Het staat niet aan het Hof, maar aan de bevoegde rechter, om in concreto te beoordelen of de werknemer die slechts één van zijn beroepsactiviteiten stopzet, maar er een andere blijft uitoefenen, voldoet aan de in artikel 100, § 1, van de ZIV-Wet bepaalde voorwaarde dat zijn vermogen tot verdienen met twee derden of meer is afgenomen.

B.6. Het is niet onredelijk dat de wetgever de graad van ongeschiktheid die noodzakelijk is om de tegemoetkoming van de ziekte- en invaliditeitsverzekering te doen ingaan en te behouden, op twee derden vastlegt. Het loutere feit dat de werknemer, wiens graad van ongeschiktheid later vermindert, onder bepaalde voorwaarden een uitkering kan blijven genieten en daarbij tevens een beroepsactiviteit kan uitoefenen, houdt niet in dat de wetgever ervan had moeten afzien te vereisen dat moest zijn voldaan aan de graad van arbeidsongeschiktheid die aanvankelijk was vereist om een dergelijke tegemoetkoming van de ziekte- en invaliditeitsverzekering te genieten.

B.7. De maatregel is des te minder onevenredig daar de werknemer die nooit door een graad van ongeschiktheid van twee derden of meer is getroffen, maar die om medische redenen ervan heeft moeten afzien een deel van zijn activiteiten in loondienst uit te oefenen, onder bepaalde voorwaarden de tegemoetkoming van de werkloosheidsverzekering kan genieten vanaf de schorsing of de onderbreking van zijn arbeidsovereenkomst (Cass., 12 juni 2006, Arr. Cass., 2006, nr. 325), zodat hij, ondanks de ontstentenis van vergoeding door de ziekte- en invaliditeitsverzekering, aangespoord blijft om geleidelijk volledig terug te keren naar de arbeidsmarkt, rekening houdend met zijn gezondheidstoestand.

B.8.1. Toen de voormelde wet van 9 augustus 1963 in werking trad, was nagenoeg alle arbeid die in loondienst werd verricht, voltijdse arbeid. Als gevolg van een aantal sociaal-economische ontwikkelingen, in het bijzonder de steeds toenemende flexibiliteit van de arbeidsmarkt, is de deeltijdse tewerkstelling de laatste decennia in aanzienlijke mate toegenomen. De mogelijkheid om deeltijds te werken, schept niet alleen mogelijkheden in de combinatie van werk en gezin, maar maakt het ook mogelijk om twee of meer verschillende functies uit te oefenen.

B.8.2. Indien een werknemer twee of meer deeltijdse functies uitoefent, is het evenwel mogelijk dat hij als gevolg van een ongeval, een beroepsziekte, een letsel of een functionele stoornis niet langer in staat is een van die functies uit te oefenen, terwijl de mogelijkheid om de andere functie of functies uit te oefenen, niet in het gedrang komt. Doorgaans zal in die omstandigheden niet voldaan zijn aan een van de voorwaarden van artikel 100, § 1, van de ZIV-Wet, namelijk de vermindering van zijn vermogen tot verdienen met twee derden of meer.

Indien in dergelijke omstandigheden zijn vermogen tot verdienen toch met twee derden of meer zou zijn afgenomen, zal de oorzaak van de werkonderbreking vaak liggen bij een arbeidsongeval of een beroepsziekte, zodat de betrokkene mogelijk recht heeft op een uitkering op grond van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 of op grond van de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, gecoördineerd op 3 juni 1970.

B.8.3. Gelet op de complexiteit van de regels betreffende de samenloop tussen de onderscheiden prestaties in het stelsel van de sociale zekerheid der werknemers, valt evenwel niet uit te sluiten dat bepaalde werknemers die verschillende deeltijdse functies uitoefenen en die één van die deeltijdse functies om medische redenen niet langer kunnen uitoefenen, geen recht hebben op een werkloosheidsuitkering, noch op een uitkering op grond van de regeling voor arbeidsongevallen en beroepsziekten, terwijl zij toch worden geconfronteerd met een vermindering van hun vermogen tot verdienen met twee derden of meer.

In die mate houdt artikel 100 van de ZIV-Wet thans onvoldoende rekening met de sociaal-economische ontwikkelingen inzake deeltijds werken, aangezien die bepaling vereist dat de betrokkene, om voor een uitkering in aanmerking te komen, eerst alle werkzaamheden heeft stopgezet.

B.8.4. Met artikel 16 van de programmawet (I) van 4 juli 2011, dat in werking treedt op 9 april 2013, wordt artikel 100, § 2, eerste lid, van de ZIV-Wet vervangen als volgt :

« Wordt als arbeidsongeschikt erkend, de werknemer die een toegelaten arbeid hervat op voorwaarde dat hij, van een geneeskundig oogpunt uit, een vermindering van zijn vermogen van ten minste 50 pct. behoudt.

De Koning bepaalt binnen welke termijn en onder welke voorwaarden de toelating tot werkhervatting als bedoeld in het eerste lid wordt verleend ».

Uit de parlementaire voorbereiding van die bepaling blijkt dat de wetgever « de vrijwillige werkhervatting door de gerechtigden die arbeidsongeschikt zijn erkend en die, van een geneeskundig oogpunt uit, een bepaalde vermindering van hun vermogen behouden » wenst te bevorderen (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-1481/001, p. 4). Zoals de vice-eerste minister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Maatschappelijke Integratie, heeft gepreciseerd, gaat het om een van de maatregelen van het programma « Back to work » (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-1481/006, pp. 15 en 16).

Hoewel die bepaling van dien aard is dat zij de re-integratie in de arbeidsmarkt kan bevorderen, verhelpt zij niet de problemen waarmee werknemers die verschillende deeltijdse functies uitoefenen, te maken kunnen krijgen, in de mate waarin zij wel hun vermogen tot verdienen zien afnemen met twee derden of meer, maar niet in aanmerking komen voor een uitkering op grond van de ZIV-Wet aangezien zij niet alle werkzaamheden hebben onderbroken. Nochtans gelden, in zoverre hun medische toestand het toelaat, ook voor hen de voordelen die voortvloeien uit het feit dat hun band met de arbeidsmarkt niet wordt doorgeknipt.

B.9. Rekening houdend met de eerder vermelde sociaal-economische ontwikkeling is een dergelijk verschil in behandeling tussen de werknemer die na de volledige onderbreking van elke werkzaamheid een beroepsactiviteit heeft hervat en de werknemer die een deeltijdse activiteit heeft behouden, niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Dat verschil in behandeling vindt echter niet zijn oorsprong in de in het geding zijnde bepaling, maar in het ontbreken van een bepaling die een recht op een ZIV-uitkering opent voor werknemers die verschillende deeltijdse functies uitoefenen en die om medische redenen een van die functies moeten stopzetten, in zoverre zij daardoor worden geconfronteerd met een vermindering van hun vermogen tot verdienen met twee derden of meer en in zoverre zij niet uitkeringsgerechtigd zijn op grond van een andere sociale regeling, zoals de werkloosheidsregeling en de regeling voor arbeidsongevallen en beroepsziekten.

Het komt aan de wetgever toe om de aard en de omvang van dat recht te bepalen ten aanzien van die categorie van deeltijdse werknemers.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

- Artikel 100 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

- De ontstentenis van een wetsbepaling die een recht op een ziekte- en invaliditeitsuitkering opent voor werknemers die verschillende deeltijdse functies uitoefenen en die om medische redenen een van die functies moeten stopzetten, in zoverre zij daardoor worden geconfronteerd met een vermindering van hun vermogen tot verdienen met twee derden of meer en in zoverre zij niet uitkeringsgerechtigd zijn op grond van een andere sociale regeling, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 28 maart 2013.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

R. Henneuse

Vrije woorden

  • Prejudiciële vragen over artikel 100 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, gesteld door het Arbeidshof te Luik. Sociaal recht

  • Sociale zekerheid

  • Ziekte- en invaliditeitsverzekering

  • Arbeidsongeschiktheid

  • Uitkering

  • a. Voorwaarden

  • Volledige onderbreking van elke beroepsactiviteit

  • 1. Werknemer die maar één beroepsactiviteit uitoefent

  • 2. Werknemer die verschillende beroepsactiviteiten uitoefent

  • b. Cumulatie met een beroepsactiviteit.