- Arrest van 18 april 2013

18/04/2013 - 52/2013

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

- De eerste twee prejudiciële vragen behoeven geen antwoord.

- Artikel 20, tweede lid, van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

Bij arrest van 8 maart 2012 in zake het openbaar ministerie en Annick Alardot en anderen tegen de nv « Entreprises Ferrari », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 12 april 2012, heeft het Hof van Beroep te Luik de volgende prejudiciële vragen gesteld :

« A. Schendt artikel 20 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering, in die zin geïnterpreteerd dat de strafvordering vervalt door ontbinding zonder vereffening van een rechtspersoon die vóór de ontbinding voor de correctionele rechtbank wordt gedagvaard, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet ?

B. Is, in geval van ontbinding zonder vereffening, artikel 20 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering bestaanbaar met het wettigheidsbeginsel in strafzaken, zoals het is gewaarborgd bij de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet, bij artikel 7.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en bij artikel 15, lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten ?

C. Schendt, in geval van ontbinding zonder vereffening, artikel 20 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, aangezien de strafvordering uitgeoefend tegen een overleden natuurlijke persoon steeds vervalt, terwijl ten aanzien van een persoon die geen vermogen meer heeft, de betwiste bepaling de vervolging handhaaft in de gevallen die zij bepaalt ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Artikel 20 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering, vervangen bij artikel 13 van de wet van 4 mei 1999 « tot invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen », bepaalt :

« De strafvordering vervalt door de dood van de verdachte of door afsluiting van vereffening, door gerechtelijke ontbinding of door ontbinding zonder vereffening wanneer het om een rechtspersoon gaat.

De strafvordering kan daarna nog worden uitgeoefend, indien de invereffeningstelling, de gerechtelijke ontbinding of de ontbinding zonder vereffening tot doel hebben te ontsnappen aan de vervolging, of indien de rechtspersoon overeenkomstig artikel 61bis door de onderzoeksrechter in verdenking gesteld is voor het verlies van de rechtspersoonlijkheid.

De burgerlijke rechtsvordering kan uitgeoefend worden tegen de verdachte en tegen zijn rechtsopvolgers ».

Ten aanzien van de eerste twee prejudiciële vragen

Wat de ontvankelijkheid van de eerste vraag betreft

B.2.1. In de eerste vraag wordt het Hof verzocht uitspraak te doen over de bestaanbaarheid van artikel 20 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

B.2.2. De bewoordingen van de eerste prejudiciële vraag geven niet aan of het Hof wordt verzocht uitspraak te doen over de grondwettigheid van een verschil in behandeling dan wel over de grondwettigheid van een gelijke behandeling.

Zij geven evenmin aan welke twee categorieën van personen worden beoogd.

Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt niettemin dat aan het Hof een vraag wordt gesteld over de grondwettigheid van een verschil in behandeling dat de in het geding zijnde bepaling zou maken tussen twee categorieën van naamloze vennootschappen die zonder vereffening zijn ontbonden in het kader van de in artikel 676, 1°, van het Wetboek van vennootschappen beschreven verrichting : enerzijds, diegene die vóór hun ontbinding in verdenking zijn gesteld door een onderzoeksrechter met toepassing van artikel 61bis, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering en, anderzijds, diegene die vóór hun ontbinding rechtstreeks voor de correctionele rechtbank zijn gedagvaard door het openbaar ministerie, met toepassing van artikel 182, eerste lid, van hetzelfde Wetboek.

B.2.3. De eerste prejudiciële vraag is ontvankelijk.

Wat de relevantie van de vragen betreft

B.3.1. De Ministerraad betwist de relevantie van de vragen, waarbij hij doet opmerken dat de erin beoogde situaties niet overeenstemmen met de feiten die zijn voorgelegd aan het rechtscollege dat de vragen stelt.

B.3.2. In de regel komt het het rechtscollege dat het Hof een vraag stelt, toe na te gaan of het antwoord op een prejudiciële vraag nuttig is om het aan het rechtscollege voorgelegde geschil te beslechten.

Alleen wanneer dat klaarblijkelijk niet het geval is, vermag het Hof te beslissen dat de vraag geen antwoord behoeft.

B.3.3. Zoals in B.2.2 is vermeld, wordt het Hof in de eerste prejudiciële vraag verzocht de situatie van een naamloze vennootschap die, vóór het verlies van haar rechtspersoonlijkheid, door een onderzoeksrechter in verdenking is gesteld - situatie beoogd in artikel 20, tweede lid, van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering - te vergelijken met de situatie van een naamloze vennootschap die, vóór het verlies van haar rechtspersoonlijkheid, rechtstreeks door het openbaar ministerie voor de correctionele rechtbank is gedagvaard.

Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt echter duidelijk dat de feiten die zijn voorgelegd aan het verwijzende rechtscollege geen enkele van die twee situaties betreffen. De nv « Entreprises Ferrari » is niet door een onderzoeksrechter in verdenking gesteld, maar is op 2 juli 2009 rechtstreeks voor de Correctionele Rechtbank te Luik gedagvaard. Maar die dagvaarding dateert van na de ontbinding van die vennootschap - waartoe op 29 juni 2009 door haar algemene vergadering is beslist - en dus van na het verlies van haar rechtspersoonlijkheid.

B.3.4. Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat de tweede prejudiciële vraag aan het Hof wordt gesteld in het geval van een ontbinding zonder vereffening waartoe door de organen van een naamloze vennootschap is beslist na het op gang brengen van de tegen haar ingestelde strafvordering.

Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt echter ook duidelijk dat de feiten die zijn voorgelegd aan het verwijzende rechtscollege niet een dergelijke situatie betreffen. De strafvordering tegen de nv « Entreprises Ferrari » is pas op 2 juli 2009, dat wil zeggen na 29 juni 2009, de dag waarop de beslissing van de algemene vergadering van die vennootschap is genomen om over te gaan tot de fusie die onmiddellijk leidde tot haar ontbinding, op gang gebracht bij rechtstreekse dagvaarding voor de Correctionele Rechtbank te Luik.

B.3.5. Het antwoord op de eerste twee prejudiciële vragen, die een andere situatie betreffen dan die van de partijen bij het geschil dat voor het verwijzende rechtscollege hangende is, kan niet nuttig zijn voor de oplossing van dat geschil.

B.3.6. De eerste en de tweede prejudiciële vraag behoeven geen antwoord.

Ten aanzien van de derde prejudiciële vraag

B.4. Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat in de derde vraag het Hof wordt verzocht uitspraak te doen over de bestaanbaarheid van artikel 20, eerste en tweede lid, van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre die wetsbepaling een verschil in behandeling zou instellen tussen, enerzijds, een overleden natuurlijke persoon en, anderzijds, een naamloze vennootschap die zonder vereffening is ontbonden in het kader van de in artikel 676, 1°, van het Wetboek van vennootschappen beschreven verrichting.

B.5.1. De strafvordering vervalt steeds door de dood van de « verdachte », zodat een overleden natuurlijke persoon nooit meer kan worden vervolgd (artikel 20, eerste lid, van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering).

Daarentegen vervalt de strafvordering niet altijd door de ontbinding zonder vereffening van een naamloze vennootschap in het kader van de in artikel 676, 1°, van het Wetboek van vennootschappen beschreven verrichting. Een dergelijke vennootschap kan nog worden vervolgd indien de ontbinding zonder vereffening tot doel had te ontsnappen aan de vervolging, of indien de vennootschap overeenkomstig artikel 61bis door de onderzoeksrechter in verdenking is gesteld vóór het verlies van haar rechtspersoonlijkheid (artikel 20, tweede lid, van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering).

B.5.2. Bij de invoering van de strafrechtelijke aansprakelijkheid van rechtspersonen wou de federale wetgever dat « in de mate van het mogelijke rechtspersonen worden geassimileerd met natuurlijke personen » (Parl. St., Senaat, 1998-1999, nr. 1-1217/1, p. 1).

Het beginsel van het verval van de strafvordering in geval van ontbinding zonder vereffening van een rechtspersoon is het gevolg van een wil om aan die ontbinding een behandeling voor te behouden die analoog is met die van het overlijden van een natuurlijke persoon (Parl. St., Senaat, 1998-1999, nr. 1-1217/1, p. 11). De wil om « misbruiken te voorkomen » heeft de wetgever niettemin ertoe aangezet te voorzien in de voortzetting van de strafvordering in de twee in artikel 20, tweede lid, van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering onderscheiden « specifieke gevallen » (ibid., p. 12; Parl. St., Kamer, 1998-1999, nr. 2093/5, p. 38).

B.5.3. De ontbinding van een naamloze vennootschap in het kader van de in artikel 676, 1°, van het Wetboek van vennootschappen beschreven verrichting is het gevolg van een beslissing genomen door ten minste één natuurlijke persoon, die niet samen met de vennootschap verdwijnt.

Ten aanzien van de mogelijkheid om de strafvordering voort te zetten, bevindt de rechtspersoon die het voorwerp van een dergelijke ontbinding uitmaakt, zich in een situatie die wezenlijk verschillend is van die van een overleden natuurlijke persoon.

Rekening houdend met de in artikel 20, tweede lid, van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering nagestreefde doelstelling, is het in B.5.1 beschreven verschil in behandeling dus redelijk verantwoord.

B.6. De toetsing van de in het geding zijnde bepaling aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, leidt niet tot een andere conclusie.

B.7. De derde prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

- De eerste twee prejudiciële vragen behoeven geen antwoord.

- Artikel 20, tweede lid, van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 18 april 2013.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

R. Henneuse

Vrije woorden

  • Prejudiciële vragen betreffende artikel 20 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering, gesteld door het Hof van Beroep te Luik. Strafrecht

  • Strafrechtspleging

  • Strafvordering

  • Verval

  • Ontbinding zonder vereffening van een rechtspersoon

  • Uitzonderingen.