- Arrest van 18 april 2013

18/04/2013 - 55/2013

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof verwerpt het beroep.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters A. Alen, J.-P. Snappe, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey en F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 16 juli 2012 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 17 juli 2012, heeft de nv « Tony Rus Activities », met maatschappelijke zetel te 3660 Opglabbeek, Weg naar Meeuwen 46, beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 2 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 16 december 2011 tot wijziging van de artikelen 80 en 92 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 18 januari 2012, tweede editie).

(...)

II. In rechte

(...)

Wat de bestreden bepaling betreft

B.1.1. Krachtens artikel 76, § 1, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen (hierna : WIGB) wordt een jaarlijkse forfaitaire belasting geheven op « automatische toestellen dienende tot ontspanning, opgesteld op de openbare weg, in de voor het publiek toegankelijke plaatsen of in private kringen, ongeacht of de toegang tot deze kringen al dan niet onderworpen is aan bepaalde formaliteiten ». Krachtens artikel 78 van het WIGB is die belasting verschuldigd door de eigenaar van het toestel.

Krachtens artikel 3, eerste lid, 2°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten is de belasting op de automatische ontspanningstoestellen een gewestelijke belasting. Krachtens artikel 4, § 1, van dezelfde bijzondere wet zijn de gewesten bevoegd om de aanslagvoet, de heffingsgrondslag en de vrijstellingen van die belasting te wijzigen.

B.1.2. Met het oog op die belasting worden de automatische ontspanningstoestellen door artikel 79 van het WIGB ingedeeld in vijf categorieën. Die bepaling, zoals zij van toepassing is op automatische ontspanningstoestellen die zijn opgesteld op het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, luidt als volgt :

« § 1. De toestellen worden volgens hun type ingedeeld in vijf categorieën, respectievelijk aangeduid door de tekens A, B, C, D en E.

§ 2. De hierna omschreven automatische ontspanningstoestellen worden respectievelijk gerangschikt in de categorieën A, B, C, D en E, zoals bedoeld in § 1 :

1° in de categorie A :

a. de elektrische biljarten met veranderlijke inzet, gewoonlijk ' Bingo ' genaamd, waarvan het spel erin bestaat verscheidene ballen of kogels in de op het horizontaal vlak van het toestel gemaakte gaten te plaatsen met het doel, naargelang van het type van toestel, op het paneel van het verticaal vlak verscheidene cijfers of tekens op een horizontale, verticale of diagonale lijn of in een bepaalde zone te belichten;

b. de elektrische biljarten met veranderlijke inzet, gewoonlijk ' Oneball ' genaamd, waarvan het spel erin bestaat op het horizontaal vlak van het toestel een bal of kogel te plaatsen in een der gaten dat hetzelfde cijfer draagt als het cijfer dat op het paneel van het verticaal vlak verlicht is;

c. de automatische ontspanningstoestellen, inbegrepen de ze bedoeld sub 3° tot 5° hierna, die aan de speler of gebruiker toelaten, zelfs toevallig, tenminste het bedrag van de gedane inzet in specie of in de vorm van penningen terug te winnen en/of prijzen te winnen, in natura of in de vorm van premiebons, met een handelswaarde van ten minste 6,20 EUR;

2° in de categorie B :

de automatische ontspanningstoestellen bedoeld sub 1°, letter c, wanneer zij onderworpen zijn aan de verminderde belasting, zoals bedoeld in artikel 81;

3° in de categorie C :

a. de automatische kranen met grijp- of duwarm;

b. de elektrische biljarten met vaste inzet, gewoonlijk ' Pin-Ball ', ' Flipper ' of ' Flip-Tronic ' genaamd, waarvan het spel erin bestaat ballen of kogels te lanceren die, door hun aanraking met sommige hinderpalen, welke zich op het horizontaal vlak van het toestel bevinden, op het paneel van het verticaal vlak het resultaat van het spel zichtbaar maken in de vorm van punten, tekens of afbeeldingen;

c. de automatische kegelspelen, die normaal verplaatsbaar zijn en gewoonlijk het gebruik van ballen of kogels vereisen;

d. de automatische pokerspelen, gewoonlijk ' Jolly Joker ' genaamd;

e. de automatische ontspanningstoestellen die simultaan films of beelden projecteren en klank verspreiden;

f. de automatische behendigheidsspelen waarbij op het scherm personages met een menselijk of dierlijk uitzicht verschijnen die elkaar kunnen kwetsen, doden of vernietigen in een niet-sportief gevecht;

4° in de categorie D :

a. de automatische platenspelers, gewoonlijk ' Juke-Box ' genaamd, welke uitsluitend muziek verspreiden, zelfs indien ze op afstand in werking worden gesteld;

b. de automatische kegelspelen, die normaal verplaatsbaar zijn en gewoonlijk het gebruik van schijven vereisen;

c. de automatische schietapparaten;

d. de elektrische golf-, hockey-, tennis- en voetbalspelen, het elektrisch balspel van het model ' Spinner ', alsmede de elektrische toestellen van het model ' Base-ball ', ' Basketball ', ' Drop-ball ', ' Skee-ball ', ' Skeefun ', ' All-Star Bowler ', ' Ten Strike ';

e. ieder elektrisch biljart deel uitmakend van het normaal op foren en kermissen ingericht competitiespel, gewoonlijk ' Bumper ' genaamd;

5° in de categorie E :

alle automatische ontspanningstoestellen die ter uitvoering van § 3 bij de Minister van Financiën werden aangegeven en die niet in een van de categorieën A tot D zijn gerangschikt.

Wanneer technische, economische of sociale omstandigheden het vereisen, kan de categorie waarin een type toestel gerangschikt moet worden, worden vastgesteld of gewijzigd door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, na raadpleging van de betrokken beroepsverenigingen. Voor de rangschikking van een toestel wordt rekening gehouden met zijn rendabiliteit, de aard van het aangeboden spel en de menigvuldigheid van de inzet, met dien verstande, dat de toestellen die uitsluitend als automatische platenspelers dienen, niet hoger mogen worden gerangschikt dan de categorie D.

De Brusselse Hoofdstedelijke Regering zal een ontwerp van ordonnantie tot bevestiging van de besluiten genomen ter uitvoering van het tweede lid aanhangig maken bij het Brussels Hoofdstedelijk Parlement, onmiddellijk indien het verenigd is, in het tegenovergestelde geval vanaf de opening van zijn volgende zitting.

§ 3. Alvorens hij in België overgaat tot de opstelling, de verkoop of de verhuring van een bij artikel 76 bedoeld toestel, is de invoerder, de fabrikant of al wie rechtstreeks of onrechtstreeks als dusdanig optreedt, gehouden bij de Minister van Financiën aangifte te doen van elk model van toestel. Indien geen dergelijke aangifte wordt gedaan, wordt het toestel ambtshalve gerangschikt in categorie A.

De directeur-generaal der directe belastingen bepaalt het model van de aangifte bedoeld in het vorige lid. Deze aangifte dient te worden gestaafd met een foto van het toestel of een gelijkaardig document ».

B.1.3. Artikel 80, § 1, van het WIGB bepaalt het bedrag van de belasting. Voorafgaand aan de inwerkingtreding van de bestreden bepaling waren die bedragen als volgt vastgesteld :

Categorie Brussels Hoofdstedelijk Gewest Waals Gewest Vlaams Gewest

A 3.570 euro 1.700 euro 3.570 euro

B 1.290 euro 1.100 euro 1.290 euro

C 350 euro 350 euro 350 euro

D 250 euro 250 euro 250 euro

E 150 euro 150 euro 150 euro

B.2.1. De bestreden bepaling - artikel 2 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 16 december 2011 tot wijziging van de artikelen 80 en 92 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen - verhoogt, voor automatische ontspanningstoestellen die zijn opgesteld op het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, het bedrag van de belasting op automatische ontspanningstoestellen van categorie A tot 4.460 euro.

B.2.2. Tevens vult de bestreden bepaling artikel 80, § 1, van het WIGB, zoals dat van toepassing is op automatische ontspanningstoestellen die zijn opgesteld op het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, aan met een tweede lid, dat als volgt luidt :

« De in euro uitgedrukte bedragen, bepaald in deze paragraaf, worden jaarlijks aangepast aan het indexcijfer der consumptieprijzen van het rijk, met ingang van 1 januari 2013; deze aanpassing gebeurt door middel van de coëfficiënt die wordt bekomen door het indexcijfer van de maand juni van het jaar voorafgaand aan het belastingjaar te delen door het indexcijfer van de maand juni 2011. Na toepassing van deze coëfficiënt, wordt het bedrag afgerond naar het hogere veelvoud van 10 cent. Elk jaar publiceert de Brusselse Hoofdstedelijke Regering een bericht in het Belgisch Staatsblad met de aanslagvoeten die van toepassing zijn in het lopende belastingjaar ».

Aangezien tegen die laatste wijziging geen grieven worden aangevoerd, beperkt het Hof zijn onderzoek tot artikel 2, 1°, van de ordonnantie van 16 december 2011, dat als volgt luidt :

« In artikel 80, § 1, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, laatst vervangen door artikel 9 van de ordonnantie van 6 maart 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1° de woorden ' 3.570 EUR ' worden vervangen door de woorden ' 4.460 EUR ' ».

Ten gronde

B.3. Het onderzoek naar de overeenstemming van een bestreden bepaling met de bevoegdheidverdelende regels moet in beginsel het onderzoek naar de bestaanbaarheid ervan met de bepalingen van titel II en de artikelen 170, 172 en 191 van de Grondwet voorafgaan.

Wat het tweede middel betreft

B.4. Artikel 141 van de Grondwet bepaalt :

« De wet stelt de procedure in om de conflicten tussen de wet, het decreet en de in artikel 134 bedoelde regelen, alsook tussen de decreten onderling, en tussen de in artikel 134 bedoelde regelen onderling te voorkomen ».

Die bepaling bevat geen regel die ertoe strekt de respectieve bevoegdheden van de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten te bepalen.

Het Hof is dus niet bevoegd om aan die bepaling te toetsen.

Het tweede middel is onontvankelijk.

Wat het eerste middel betreft

B.5.1. Het eerste en het derde onderdeel van het eerste middel hebben betrekking op het onderscheid tussen de eigenaars van toestellen van categorie A, naargelang zij zijn opgesteld in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, dan wel in het Vlaamse of het Waalse Gewest.

B.5.2. Een verschillende behandeling in aangelegenheden waar de gewesten over eigen bevoegdheden beschikken, is het mogelijke gevolg van een onderscheiden beleid, hetgeen is toegestaan door de autonomie die hun door of krachtens de Grondwet is toegekend.

Een zodanig verschil kan op zich niet worden geacht strijdig te zijn met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Die autonomie zou geen betekenis hebben, indien een verschil in behandeling tussen adressaten van regels die in eenzelfde aangelegenheid in de drie gewesten toepasselijk zijn, als zodanig met dat beginsel strijdig zou worden geacht.

B.5.3. Het eerste en het derde onderdeel van het eerste middel zijn niet gegrond.

B.6.1. Het tweede onderdeel van het eerste middel heeft betrekking op het onderscheid tussen de eigenaars van toestellen van categorie A en de eigenaars van toestellen van de categorieën B tot en met E, alle opgesteld in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. De bestreden bepaling verhoogt enkel het bedrag van de belasting voor de toestellen van categorie A, maar niet dat voor de toestellen van de andere categorieën.

B.6.2. De verzoekende partij voert aan dat de bestreden bepaling slechts wordt verantwoord door de wil om de toepasselijke bedragen te indexeren. Zij betoogt dat, gelet op die verantwoording, ook de tarieven van de categorieën B tot en met E hadden moeten stijgen.

De bestreden bepaling werd in de memorie van toelichting als volgt verantwoord :

« Krachtens de Bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en Gewesten is de belasting op automatische ontspanningstoestellen een gewestelijke belasting waarvan de gewesten de aanslagvoet, de heffingsgrondslag en de vrijstellingen kunnen wijzigen.

Deze belasting bestaat uit een forfaitair bedrag per toestel dat in principe berekend wordt op jaarbasis. Er bestaan vijf categorieën van toestellen met verschillende bedragen. Voor de rangschikking van een toestel wordt rekening gehouden met zijn rendabiliteit, de aard van het aangeboden spel en de menigvuldigheid van de inzet. Toestellen uit de categorie A, die eerder op mogelijk geldgewin dan op zuivere ontspanning zijn gericht, worden belast aan het hoogste belastingtarief.

De laatste tariefwijziging dateert van 2002, toen het belastingbedrag van de categorie A werd verdubbeld (van 1.785 EUR naar 3.570 EUR per toestel per jaar). Dit bedrag is niet geïndexeerd terwijl de prijzen van consumptiegoederen en diensten in het algemeen met 2 tot 3 procent per jaar zijn gestegen.

Rekening houdend met deze inflatie, verhoogt deze ordonnantie de belasting op automatische ontspanningstoestellen van categorie A » (Parl. St., Brussels Hoofdstedelijk Parlement, 2011-2012, A-243/1, p. 1).

B.6.3. Het bedrag van de belasting voor de toestellen van de categorieën B tot en met E werd niet aangepast aan de prijzen van de consumptiegoederen, terwijl de jaarlijkse indexering die wordt ingevoerd door artikel 2, 2°, van de ordonnantie van 16 december 2011, wel voor alle categorieën geldt.

Uit de gegevens die zijn voorgelegd door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering en die door de verzoekende partij niet worden betwist, blijkt dat in de sector van de automatische ontspanningstoestellen de kleine lunaparken steeds meer plaats maken voor grote speelzalen met voornamelijk toestellen van categorie A, zodat vooral de rendabiliteit van die toestellen sterk is toegenomen. De ordonnantiegever heeft het belastings- en begrotingsbeleid in die zin kunnen oriënteren dat een dergelijke groeiende sector onderhevig is aan redelijke fiscale lasten.

Bovendien wijst de Brusselse Hoofdstedelijke Regering erop - hetgeen de verzoekende partij niet betwist - dat een grote meerderheid van de automatische ontspanningstoestellen op het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest tot categorie A behoren en dat de verhoging met 25 pct. van het bedrag van de belasting voor de toestellen van categorie A bijgevolg heeft geleid tot een stijging met 22 pct. van de belastinginkomsten uit automatische ontspanningstoestellen.

Het is niet zonder redelijke verantwoording de verhoging van het bedrag van de belasting te beperken tot de toestellen van categorie A.

B.6.4. Het tweede onderdeel van het eerste middel is niet gegrond.

Om die redenen,

het Hof

verwerpt het beroep.

Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 18 april 2013.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

M. Bossuyt

Vrije woorden

  • Beroep tot vernietiging van artikel 2 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 16 december 2011 tot wijziging van de artikelen 80 en 92 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, ingesteld door de nv « Tony Rus Activities ». Fiscaal recht

  • Met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen

  • Brussels Hoofdstedelijk Gewest

  • Belasting op automatische ontspanningstoestellen

  • 1. Autonomie van de gewesten

  • 2. Verhoging van het bedrag van de belasting

  • Beperking tot toestellen van categorie A.