- Arrest van 8 mei 2013

08/05/2013 - 64/2013

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

De prejudiciële vragen behoren niet tot de bevoegdheid van het Hof.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters A. Alen, J.-P. Snappe, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

Bij arresten nrs. 86.086 en 86.087 van 22 augustus 2012 in zake Sandra Plata en Elisa Carmen Plata tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 28 augustus 2012, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de volgende prejudiciële vragen gesteld :

« Schendt artikel 39/57 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, door het opleggen van een enkele termijn van 30 dagen, de artikelen 10, 11 en/of 191 van de Grondwet, in de mate dat de bestreden bepaling twee categorieën van vreemdelingen in essentieel verschillende situaties, zijnde enerzijds diegenen die in België verblijven en anderzijds diegenen die verblijven in een Europees land dat geen buurland van België is of die buiten Europa verblijven, identiek behandelt ?

Schendt artikel 39/57 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, samengelezen met artikel 89 van het besluit van de Regent tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en met artikel 38 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, door het opleggen van een enkele termijn van 30 dagen, de artikelen 10, 11 en/of 191 van de Grondwet, samengelezen met artikel 13 van de Grondwet en met het standstill-beginsel, door het creëren van een discriminatie tussen twee categorieën van vreemdelingen die hetzij in een Europees land dat geen buurland van België is, hetzij buiten Europa verblijven, zijnde enerzijds diegenen die hebben genoten van een beroepstermijn van zestig of negentig dagen voor de Raad van State en anderzijds diegenen die slechts van een termijn van 30 dagen genieten voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ?

Schendt artikel 39/57 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, samengelezen met artikel 89 van het besluit van de Regent tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en met artikel 38 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, door het opleggen van een enkele termijn van 30 dagen, de artikelen 10, 11 en/of 191 van de Grondwet, samengelezen met artikel 13 van de Grondwet en met het standstill-beginsel, door het creëren van een discriminatie tussen twee categorieën van rechtzoekenden die hetzij in een Europees land dat geen buurland van België is, hetzij buiten Europa verblijven, zijnde enerzijds diegenen die een administratieve beslissing voor de Raad van State hebben aangevochten en anderzijds diegenen die een administratieve beslissing voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hebben aangevochten ?

Schendt artikel 39/57 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, samengelezen met artikel 89 van het besluit van de Regent tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en met artikel 38 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, door het opleggen van een enkele termijn van 30 dagen, artikel 13 van de Grondwet door het creëren [van] een onevenredige hinderpaal voor de toegang tot de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, ten nadele van de vreemdelingen die hetzij in een Europees land dat geen buurland van België is, hetzij buiten Europa verblijven ? ».

Die zaken, ingeschreven onder de nummers 5470 en 5471 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.

(...)

III. In rechte

(...)

B.1.1. Artikel 39/57 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna : de Vreemdelingenwet) bepaalt :

« § 1. De in artikel 39/2 bedoelde beroepen worden ingediend bij verzoekschrift binnen dertig dagen na de kennisgeving van de beslissing waartegen ze zijn gericht.

Indien het een beroep betreft dat is ingediend door een vreemdeling die zich op het ogenblik van de kennisgeving van de beslissing bevindt in een welbepaalde plaats zoals bedoeld in artikel 74/8 of die ter beschikking is gesteld van de regering, wordt het verzoekschrift ingediend binnen vijftien dagen na de kennisgeving van de beslissing waartegen het is gericht.

§ 2. De in paragraaf 1 bepaalde beroepstermijnen beginnen te lopen :

1° wanneer de kennisgeving is gebeurd bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs, vanaf de eerste dag die volgt op deze waarop de brief aangeboden werd op de woonplaats van de geadresseerde of, in voorkomend geval, op zijn verblijfplaats of op zijn gekozen woonplaats;

2° wanneer de kennisgeving is gebeurd bij aangetekende brief of bij gewone brief, vanaf de derde werkdag die volgt op die waarop de brief aan de postdiensten overhandigd werd, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst;

3° wanneer de kennisgeving is gebeurd door afgifte tegen ontvangstbewijs, vanaf de eerste dag die volgt op de afgifte of de weigering tot ontvangst;

4° wanneer de kennisgeving is gebeurd per fax, vanaf de eerste dag die volgt op die van de verzending.

De vervaldag is in de termijn begrepen. Is die dag echter een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, dan wordt de vervaldag verplaatst op de eerstvolgende werkdag.

Voor de toepassing van deze bepaling wordt als werkdag beschouwd, elke dag niet zijnde een zaterdag, zon- of feestdag ».

B.1.2. De prejudiciële vragen hebben slechts betrekking op de termijn van dertig dagen vermeld in artikel 39/57, § 1, eerste lid, van de Vreemdelingenwet. Het Hof beperkt zijn onderzoek bijgevolg tot die bepaling.

B.2. Met de eerste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de in het geding zijnde bepaling de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet schendt, in de mate waarin de termijn van dertig dagen zonder onderscheid van toepassing is op, enerzijds, vreemdelingen die zich in België bevinden, en, anderzijds, vreemdelingen die zich in een niet-Europees land of in een Europees land dat niet aan België grenst, bevinden.

Met de tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de in het geding zijnde bepaling de artikelen 10, 11, 13 en 191 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het standstill-beginsel, schendt, doordat zij niet in een termijnverlenging voorziet voor vreemdelingen die zich in een niet-Europees land of in een Europees land dat niet aan België grenst, bevinden, terwijl die categorie van personen onder de gelding van artikel 89 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, dat op het vreemdelingencontentieux van toepassing was gemaakt door artikel 38 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, wel recht had op een termijnverlenging van negentig, respectievelijk dertig dagen.

Met de derde prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de in het geding zijnde bepaling de artikelen 10, 11, 13 en 191 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het standstill-beginsel, schendt, doordat zij niet in een termijnverlenging voorziet voor procedures voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, terwijl personen die voor de Raad van State een administratieve beslissing aanvechten, krachtens artikel 89 van het voormelde besluit van de Regent van 23 augustus 1948 wel recht hebben op een termijnverlenging van negentig of dertig dagen, indien zij zich in een niet-Europees land, respectievelijk in een Europees land dat niet aan België grenst, bevinden.

Met de vierde prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de in het geding zijnde bepaling artikel 13 van de Grondwet schendt, doordat zij voor personen die zich in een niet-Europees land of in een Europees land dat niet aan België grenst, bevinden, een onevenredige hinderpaal voor de toegang tot de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen inhoudt.

Die prejudiciële vragen dienen samen te worden onderzocht.

B.3.1. De in het geding zijnde bepaling werd in de Vreemdelingenwet ingevoegd door artikel 154 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. De memorie van toelichting van die wet vermeldt bij de artikelsgewijze bespreking van die bepaling :

« In voorkomend geval, kan in het uitvoeringsbesluit (op grond van het voornoemd artikel 39/68) ook voorzien worden in een termijnverlenging ten aanzien van de vreemdeling die zich in het buitenland bevindt en een beroep voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wenst in te dienen (vgl. b.v. met art. 89 en 90 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948), kan worden voorzien in het feit dat de termijnen lopen ten aanzien van minderjarigen, enz. » (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2479/001, p. 120).

Artikel 39/68 van de Vreemdelingenwet bepaalt :

« De rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wordt vastgesteld bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.

Dit koninklijk besluit bepaalt onder meer de verjaringstermijnen die niet minder dan de in deze wet bepaalde termijnen mogen bedragen; het voorziet in het verlenen van het voordeel van het pro deo aan de onvermogenden. Het kan bijzondere procedureregels vaststellen voor de behandeling van de verzoekschriften die doelloos zijn, alsook voor de behandeling van de verzoekschriften die enkel korte debatten met zich meebrengen ».

Bijgevolg komt het aan de Koning toe om al dan niet te voorzien in een termijnverlenging voor vreemdelingen die zich niet in België bevinden. Hij heeft evenwel in het koninklijk besluit van 21 december 2006 houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet in een termijnverlenging voorzien. In het verslag aan de Koning wordt dat onderscheid als volgt verantwoord :

« Artikel 4

Deze bepaling regelt de termijnregeling, m.n. de dies a quo (de dag van het ingaan van de termijn : eerste lid), de dies ad quem (de einddatum) en de weigering van ontvangst. De regeling is overgenomen van de artikelen 84, derde t.e.m. vijfde lid, en 88 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948. Voor de interpretatie ervan wordt verwezen naar de rechtspraak van de Raad van State (zie b.v. J. BAERT en G. DEBERSAQUES, o.c., 384-386). Zo wordt in de rechtspraak het begrip ' wettelijke feestdag ' beschouwd als die dagen dewelke zijn vastgelegd overeenkomstig de wet van 4 januari 1974 betreffende de feestdagen (R.v.St., Kramplitz, nr. 102.951, 28 januari 2002).

Een termijnverlenging/-verkorting zoals die thans bestaat in de artikelen 89 à 91 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 is niet voorzien daar de wet een duidelijke beroepstermijn heeft voorzien » (Belgisch Staatsblad van 28 december 2006, vierde editie, p. 75384).

B.3.2. Het in het geding zijnde verschil in behandeling dient derhalve aan dat koninklijk besluit te worden toegeschreven.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

De prejudiciële vragen behoren niet tot de bevoegdheid van het Hof.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 8 mei 2013.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

M. Bossuyt

Vrije woorden

  • Prejudiciële vragen betreffende artikel 39/57 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gesteld door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Prejudiciële vraag

  • Onbevoegdheid van het Hof

  • Getoetste norm

  • Koninklijk besluit. # Bestuursrecht

  • Vreemdelingenrecht

  • Raad voor Vreemdelingenbetwistingen

  • Rechtspleging

  • Beroep tegen beslissingen van de Commissaris-generaal

  • Beroepstermijn.