- Arrest van 13 juni 2013

13/06/2013 - 83/2013

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof verwerpt de beroepen.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Moerman, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging

Bij verzoekschriften die aan het Hof zijn toegezonden bij op 29 juni 2012 ter post aangetekende brieven en ter griffie zijn ingekomen op 2 juli 2012, zijn beroepen tot vernietiging ingesteld van artikel 39 van de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 30 december 2011, vierde editie) en van artikel 143 van de programmawet (I) van 29 maart 2012 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 6 april 2012, derde editie) respectievelijk door E.V. en door de bvba « Salens Motors », met zetel te 8200 Brugge, Koningin Astridlaan 97.

Die zaken, ingeschreven onder de nummers 5441 en 5445 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.

(...)

II. In rechte

(...)

Ten aanzien van de bestreden bepalingen

B.1.1. De samengevoegde beroepen zijn gericht tegen artikel 39 van de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen en tegen artikel 143 van de programmawet (I) van 29 maart 2012. Artikel 39 van de voormelde wet van 28 december 2011 vervangt artikel 36 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : WIB 1992). Artikel 143 van de programmawet (I) van 29 maart 2012 vervangt het tweede lid van paragraaf 2 van die bepaling en voegt daarin een nieuw derde lid in.

Uit de uiteenzetting van de middelen in beide zaken blijkt dat de verzoekende partijen de vernietiging vorderen van artikel 36, § 2, van het WIB 1992, zoals ingevoegd door de eerste en gewijzigd door de tweede van de voormelde wetten.

B.1.2. Artikel 36 van het WIB 1992, zoals het voortvloeit uit de voormelde wijzigingen, bepaalt :

« § 1. Anders dan in geld verkregen voordelen van alle aard gelden voor de werkelijke waarde bij de verkrijger.

In de gevallen die Hij bepaalt kan de Koning regels stellen om die voordelen op een vast bedrag te ramen.

§ 2. Het voordeel van alle aard voor het persoonlijk gebruik van een kosteloos ter beschikking gesteld voertuig als bedoeld in artikel 65 wordt berekend door een CO2-percentage toe te passen op zes zevenden van de cataloguswaarde van het kosteloos ter beschikking gestelde voertuig.

Onder cataloguswaarde wordt verstaan de catalogusprijs van het voertuig in nieuwe staat bij verkoop aan een particulier, inclusief opties en werkelijk betaalde belasting over de toegevoegde waarde, zonder rekening te houden met enige korting, vermindering, rabat of restorno.

De cataloguswaarde wordt vermenigvuldigd met een percentage dat is bepaald in de onderstaande tabel, teneinde rekening te houden met de periode die is verstreken vanaf de datum van eerste inschrijving van het voertuig :

Periode verstreken sinds de eerste inschrijving van het voertuig (een begonnen maand telt voor een volledige maand) Bij de berekening van het voordeel in aanmerking te nemen percentage van de cataloguswaarde

Van 0 tot 12 maanden 100 %

Van 13 tot 24 maanden 94 %

Van 25 tot 36 maanden 88 %

Van 37 tot 48 maanden 82 %

Van 49 tot 60 maanden 76 %

Vanaf 61 maanden 70 %

Het CO2-basispercentage bedraagt 5,5 pct. voor een referentie-CO2-uitstoot van 115 g/km voor voertuigen met een benzine-, LPG- of aardgasmotor, en voor een referentie-CO2-uitstoot van 95 g/km voor voertuigen met dieselmotor.

De Koning bepaalt jaarlijks de referentie-CO2-uitstoot in functie van de gemiddelde CO2-uitstoot van het jaar voorafgaand aan het belastbaar tijdperk ten opzichte van de gemiddelde CO2-uitstoot van het referentiejaar 2011 volgens de modaliteiten die Hij vastlegt. De gemiddelde CO2-uitstoot wordt berekend op basis van de CO2-uitstoot van de voertuigen bedoeld in artikel 65 die als nieuw zijn ingeschreven.

Wanneer de uitstoot van het betrokken voertuig hoger ligt dan de voormelde referentie-uitstoot wordt het basispercentage met 0,1 pct. per CO2-gram vermeerderd, tot maximum 18 pct.

Wanneer de uitstoot van het betrokken voertuig lager ligt dan de voormelde referentie-uitstoot wordt het basispercentage met 0,1 pct. per CO2-gram verminderd, tot minimum 4 pct.

De voertuigen waarvoor geen gegevens met betrekking tot de CO2-uitstootgehaltes beschikbaar zijn bij de dienst voor inschrijving van de voertuigen, worden, indien ze worden aangedreven door een benzine-, LPG- of aardgasmotor, gelijkgesteld met de voertuigen met een CO2-uitstootgehalte van 205 g/km, en, indien ze worden aangedreven door een dieselmotor, met de voertuigen met een CO2-uitstootgehalte van 195 g/km.

Het voordeel mag nooit minder bedragen dan 820 euro per jaar.

Wanneer het voordeel niet kosteloos wordt toegestaan, is het in aanmerking te nemen voordeel datgene wat overeenkomstig de vorige leden is vastgesteld, verminderd met de bijdrage van de verkrijger van dat voordeel ».

B.1.3. De bestreden bepaling, met inbegrip van de wijziging bij artikel 143 van de programmawet (I) van 29 maart 2012, treedt in werking vanaf het aanslagjaar 2013 en heeft betrekking op de vanaf het jaar 2012 ontvangen inkomsten.

Ten aanzien van de volgorde van het onderzoek van de middelen

B.2. Het Hof onderzoekt de middelen in onderstaande volgorde :

- het middel afgeleid uit de schending van de regels inzake de verdeling van de bevoegdheden tussen de Staat, de gemeenschappen en de gewesten (eerste middel in de zaak nr. 5445);

- de middelen afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11, eventueel in samenhang gelezen met artikel 172, van de Grondwet (eerste en tweede middel, en derde middel, eerste onderdeel, in de zaak nr. 5441; derde middel in de zaak nr. 5445);

- het middel afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 28 en 29 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) (derde middel, tweede onderdeel, in de zaak nr. 5441);

- het middel afgeleid uit de schending van artikel 23 van de Grondwet (vierde middel in de zaak nr. 5441);

- het middel afgeleid uit de schending van artikel 170 van de Grondwet (tweede middel in de zaak nr. 5445).

Ten aanzien van de bevoegdheidverdelende regels

B.3.1. Het eerste middel in de zaak nr. 5445 is afgeleid uit de schending van de artikelen 39 en 134 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, § 1, II, eerste lid, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, met het evenredigheidsbeginsel, met het beginsel van de federale loyauteit vervat in artikel 143, § 1, van de Grondwet en met de verplichting tot overleg.

De verzoekende partij is van mening dat de federale wetgever, door in de berekening van het voordeel van alle aard bestaande in het ter beschikking stellen van een voertuig door de werkgever, rekening te houden met de CO2-uitstoot van het betrokken voertuig, het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden dat inherent is aan de uitoefening van de bevoegdheden van de verschillende wetgevers en dat hij op zijn minst overleg had moeten plegen met de gewestwetgevers, die bevoegd zijn inzake de bescherming van het leefmilieu en in het bijzonder inzake de bescherming van de lucht tegen verontreiniging.

B.3.2. De bestreden bepaling streeft in hoofdzaak een budgettair en fiscaal doel na. Zij vervolledigt andere bepalingen met betrekking tot de berekening van de verworpen uitgaven in de vennootschapsbelasting. Door het voordeel van alle aard bestaande in de terbeschikkingstelling, door een werkgever, van een voertuig dat de werknemer voor zijn privéverplaatsingen mag gebruiken, anders te berekenen, wilde de federale wetgever in de eerste plaats fiscale inkomsten verzekeren die worden voortgebracht door dat deel van de personenbelasting (Parl. St., Kamer, 2011-2012, DOC 53-1952/004, p. 25).

B.3.3. Bij de aanneming van een fiscale maatregel vermag de wetgever eveneens ernaar te streven bepaalde gedragingen aan te moedigen of, integendeel, te ontmoedigen. Het gegeven dat hij daarmee zou bijdragen tot het bereiken van een doel dat valt onder de bevoegdheid van een andere wetgever, zou niet ertoe kunnen leiden dat de betrokken fiscale maatregel in strijd zou zijn met de regels inzake de verdeling van de bevoegdheden tussen de federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten. Anders zou het zijn indien de federale wetgever, met het aannemen van de betrokken fiscale bepaling, de uitoefening, door de andere wetgevers, van de bevoegdheden die hun toekomen, onmogelijk of overdreven moeilijk zou maken.

B.3.4. Te dezen zou de bestreden maatregel tot gevolg kunnen hebben de werknemers die een bedrijfsvoertuig genieten en de werkgevers die dergelijke voertuigen ter beschikking stellen, ertoe aan te zetten te kiezen voor een voertuig waarvan de CO2-uitstoot lager is dan gemiddeld. Indien de fiscale bepaling dat gevolg met zich zou meebrengen, zou hieruit niet voortvloeien dat de gewesten zouden worden verhinderd hun bevoegdheid inzake de bescherming van de lucht tegen verontreiniging uit te oefenen, vermits een dergelijk gevolg precies zou gaan in de richting van een vermindering van die verontreiniging.

B.3.5. De verzoekende partij voert eveneens aan dat de federale wetgever, door de catalogusprijs van het voertuig, opties inbegrepen, als basis te nemen voor de belasting van het voordeel van alle aard, de gewesten zou beletten hun bevoegdheden inzake de bescherming van de lucht uit te oefenen, aangezien de prijs van de opties die ertoe strekken de door het voertuig veroorzaakte verontreiniging te verminderen, in die catalogusprijs is inbegrepen en derhalve de waarde van het belaste voordeel verhoogt, waardoor de aankoop van met dergelijke opties uitgeruste voertuigen minder aantrekkelijk zou zijn.

B.3.6. Elke fiscale maatregel kan een invloed hebben op het gedrag van de belastingplichtigen. Hieruit vloeit niet voort dat de federale wetgever, bij de uitoefening van zijn fiscale bevoegdheid, zou moeten afzien van elke bepaling die eventueel een invloed zou kunnen hebben op het gedrag van de belastingplichtigen in een andere zin dan die welke de gewesten, bij de uitoefening van hun bevoegdheid inzake leefmilieu, mogelijk zouden willen aanmoedigen. Dat zou alleen het geval zijn indien de fiscale wetgever bij die gelegenheid de uitoefening, door de gewesten, van hun bevoegdheid onmogelijk of overdreven moeilijk zou maken.

B.3.7. Te dezen is de invloed van de prijs van de opties, die zijn inbegrepen in de catalogusprijs van het voertuig, op het bedrag van de verschuldigde belasting, gelet op de andere elementen die dat bedrag beïnvloeden, niet dermate groot dat die de uitvoering, door de gewesten, van een beleid inzake het bestrijden van luchtverontreiniging door motorvoertuigen onmogelijk of overdreven moeilijk zou maken. De bestreden bepaling is bijgevolg niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel bij de uitoefening van de bevoegdheden.

B.3.8. Ten slotte houdt de ontstentenis van overleg tijdens de uitoefening van bevoegdheden in een aangelegenheid waarin de bijzondere wetgever niet heeft voorzien in enige verplichting daartoe, in de regel geen schending in van de bevoegdheidverdelende regels. Te dezen zou niet kunnen worden geoordeeld dat de betrokken bevoegdheden dermate met elkaar zijn verbonden dat zij pas zouden kunnen worden uitgeoefend na de invoering van een vorm van medewerking of samenwerking tussen de bevoegde wetgevers.

B.3.9. Het eerste middel in de zaak nr. 5445 is niet gegrond.

Ten aanzien van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie

Wat het criterium van de cataloguswaarde van het voertuig betreft

B.4.1. Met het derde middel in de zaak nr. 5445 verwijt de verzoekende partij de wetgever een niet te verantwoorden verschil in behandeling te hebben ingevoerd tussen de belastingplichtigen die worden belast op het voordeel van alle aard bestaande in de terbeschikkingstelling van een bedrijfsvoertuig door de werkgever en de belastingplichtigen die worden belast op een ander voordeel van alle aard. Zij is van mening dat, terwijl de waarde van alle andere voordelen van alle aard bepaald voor de berekening van de belasting op zodanige wijze wordt berekend dat de werkelijke waarde ervan voor de verkrijger wordt vastgesteld, de waarde die wordt berekend voor de terbeschikkingstelling van een bedrijfsvoertuig sinds de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen niet langer overeenstemt met de werkelijke waarde van het voordeel voor de verkrijger.

B.4.2. Vóór de vervanging ervan door de bestreden bepalingen belastte artikel 36 van het WIB 1992 de Koning ermee de regels vast te stellen voor de forfaitaire waardering van het voordeel van alle aard dat voortvloeit uit de terbeschikkingstelling van een bedrijfsvoertuig rekening houdend met « het aantal voor persoonlijk gebruik afgelegde kilometers, het type van brandstofvoorziening van de motor en het CO2-uitstootgehalte van het voertuig ».

De nieuwe wijze van berekening van hetzelfde voordeel, zoals vastgesteld bij het bestreden artikel 36 van het WIB 1992, houdt rekening met de catalogusprijs van het voertuig en met de CO2-uitstoot volgens het type van brandstofvoorziening van de motor. Het aantal met het bedrijfsvoertuig voor privégebruik afgelegde kilometers wordt daarentegen niet meer in aanmerking genomen voor de berekening van de waarde van het voordeel voor de verkrijger.

B.4.3. Het komt de wetgever toe de grondslag van de belasting vast te stellen. Hij beschikt ter zake over een ruime beoordelingsmarge. Fiscale maatregelen maken immers een wezenlijk onderdeel uit van het sociaaleconomische beleid. Zij zorgen niet alleen voor een substantieel deel van de inkomsten die de verwezenlijking van dat beleid mogelijk moeten maken, maar zij laten de wetgever ook toe om sturend en corrigerend op te treden en op die manier het sociale en economische beleid vorm te geven.

De maatschappelijke keuzen die bij het inzamelen en het inzetten van middelen moeten worden gemaakt, behoren derhalve tot de beoordelingsvrijheid van de wetgever. Het Hof vermag een dergelijke beleidskeuze, alsook de motieven die daaraan ten grondslag liggen, slechts af te keuren indien zij op een manifeste vergissing zouden berusten of indien zij kennelijk onredelijk zouden zijn.

B.4.4. De vaststelling van de waarde van een anders dan in geld verkregen voordeel van alle aard heeft noodgedwongen een minstens gedeeltelijk forfaitair karakter. Het staat aan de wetgever de variabelen te kiezen die het mogelijk maken dat forfait te berekenen volgens het budgettaire doel en, in voorkomend geval, volgens andere doelen die hij wenst na te streven.

Uit een tabel die de minister van Financiën op 21 december 2011 aan de Kamercommissie heeft bezorgd, blijkt dat, in de meeste gevallen, de nieuwe berekening van het voordeel van alle aard gunstig is voor de belastingplichtigen. Alleen de werknemers die een bedrijfsvoertuig genieten dat als luxueus of prestigieus kan worden beschouwd, ondergaan een verhoging van de belasting met betrekking tot dat voordeel van alle aard dat zij verschuldigd zijn (Parl. St., Kamer, 2011-2012, DOC 53-1952/010, p. 47).

B.4.5. Hoewel het juist is dat het aantal met het bedrijfsvoertuig voor privégebruik afgelegde kilometers een deel vertegenwoordigt van het voordeel dat de verkrijger geniet, is de waarde van het voertuig eveneens een bestanddeel van het voordeel van alle aard dat aan de werknemer wordt toegekend. Dat is in het bijzonder het geval wanneer het gaat om een luxueuze of prestigieuze wagen. Met dat bestanddeel kan bijgevolg rekening worden gehouden voor het vaststellen van de waarde van het voordeel van alle aard dat een werknemer geniet.

B.4.6. De wetgever kan overigens niet worden verweten dat hij, bij het in aanmerking nemen van de catalogusprijs van het voertuig, onder de opties waarmee het voertuig is uitgerust geen onderscheid heeft gemaakt naargelang zij al dan niet een gunstige invloed hebben op de veroorzaakte verontreiniging. In een dermate technische materie moet de wetgever immers de diversiteit van de situaties noodgedwongen op vereenvoudigde wijze en bij benadering opvangen. Gelet op het budgettaire en fiscale doel van de maatregel, alsook met de relatief beperkte invloed van de prijs van de opties op het bedrag van de verschuldigde belasting, heeft de maatregel bestaande in het opnemen van de kostprijs van alle opties waarmee het voertuig is uitgerust, ongeacht de aard ervan of hun effect op de veroorzaakte luchtverontreiniging, in de catalogusprijs, geen onevenredige gevolgen.

B.4.7. Met het aannemen van een nieuwe wijze van berekening van het voordeel van alle aard waarbij voorrang wordt gegeven aan de factor van de catalogusprijs van het voertuig en die bijgevolg ertoe leidt de fiscale last met betrekking tot de luxueuze of prestigieuze voertuigen te verhogen, heeft de wetgever geen kennelijk onredelijke maatregel genomen.

B.4.8. Het derde middel in de zaak nr. 5445 is niet gegrond.

B.5.1. Het derde middel in de zaak nr. 5441, eerste onderdeel, verwijt de wetgever te kiezen voor de catalogusprijs van het voertuig als basis voor de berekening van de waarde van het voordeel van alle aard, zonder rekening te houden met de kortingen, verminderingen, rabatten of restorno's die de verkoper van het voertuig heeft toegekend.

B.5.2. Door geen rekening te houden met de verminderingen die de verkoper bij de aankoop van het voertuig op de catalogusprijs toekent, heeft de wetgever de gelijke behandeling onder de verkrijgers van een bedrijfsvoertuig willen waarborgen, door te voorkomen dat, voor een identiek voertuig, het voordeel op verschillende wijze wordt berekend naargelang de werkgever of de leasingmaatschappij al dan niet heeft kunnen onderhandelen over een meer of minder voordelige aankoopprijs, met name volgens de omvang van de betrokken onderneming en de omvang van het wagenpark dat ter beschikking van haar personeel wordt gesteld. Hij heeft bijgevolg gesteld dat « de cataloguswaarde [...] een logisch, objectief criterium [was] » (Parl. St., Kamer, 2011-2012, DOC 53-1952/010, p. 29).

Gelet op die doelstelling vermocht de wetgever redelijkerwijs ervan uit te gaan dat de catalogusprijs van een voertuig de waarde ervan vertegenwoordigt, ongeacht de prijs die daadwerkelijk voor de aankoop ervan is betaald, en derhalve een relevante berekeningsfactor is om het voordeel van alle aard dat voor de verkrijger uit dat voertuig voortvloeit te waarderen.

B.5.3. Het derde middel in de zaak nr. 5441, eerste onderdeel, is niet gegrond.

Wat de identieke behandeling van alle verkrijgers van een bedrijfsvoertuig betreft

B.6.1. Het eerste en het tweede middel in de zaak nr. 5441 verwijten de wetgever te hebben voorzien in dezelfde berekening van het voordeel van alle aard bestaande in de terbeschikkingstelling van een bedrijfsvoertuig voor alle belastingplichtigen die dat voordeel genieten, zonder een onderscheid te maken onder de verkrijgers van dat voordeel naargelang zij, enerzijds, het voertuig en de opties ervan helemaal vrij kunnen kiezen dan wel de door de werkgever opgelegde richtlijnen moeten volgen (eerste middel) en naargelang hun, anderzijds, al dan niet voorwaarden of beperkingen inzake het privégebruik van het voertuig worden opgelegd (tweede middel).

B.6.2. Het gegeven dat het model van het voertuig dat ter beschikking wordt gesteld van de werknemer en/of een deel van de opties waarmee het is uitgerust, door de werkgever zijn opgelegd, bijvoorbeeld omwille van een zekere uniformiteit van het wagenpark van de onderneming, of nog, om redenen van billijkheid onder de werknemers, heeft geen enkel gevolg voor de waarde van het voordeel van alle aard voor de verkrijger. De wetgever zou bijgevolg niet kunnen worden verweten geen rekening te hebben gehouden met dergelijke factoren bij de berekening van de waarde van het voordeel van alle aard met het oog op de belasting ervan.

Bovendien zou de inaanmerkingneming van de richtlijnen van elke werkgever die aan de leden van zijn personeel bedrijfsvoertuigen aanbiedt, zorgen voor onoverkomelijke praktische problemen bij de berekening van de waarde van het voertuig en leiden tot niet te verantwoorden verschillen in behandeling onder de verkrijgers van identieke voertuigen die verschillend worden belast volgens hun eigen wensen en de door de werkgevers vastgestelde criteria.

B.6.3. Evenzo kan de wetgever niet worden verweten bij de berekening van het voordeel van alle aard dat voortvloeit uit de terbeschikkingstelling van een voertuig voor privéverplaatsingen, geen rekening te hebben gehouden met de door iedere werkgever opgelegde voorwaarden inzake het gebruik van dat voertuig. Zoals de verzoeker zelf uiteenzet, zijn de diversiteit van die voorwaarden en de bijzonderheden van elke reglementering die de werkgevers aannemen die bedrijfsvoertuigen aan de leden van hun personeel aanbieden, van die aard dat het onmogelijk lijkt daarmee rekening te houden in het kader van een algemene reglementering met het oog op de vaststelling van de forfaitaire berekening van de waarde van het voordeel voor de belasting ervan.

Het feit dat de wetgever heeft bepaald dat, wanneer het voordeel niet kosteloos wordt toegekend, het in aanmerking te nemen voordeel wordt verminderd met de bijdrage van de verkrijger van dat voordeel, biedt overigens de garantie dat de maatregel geen onevenredige gevolgen heeft.

Ten slotte komen de overwegingen die de verzoekende partij in haar memorie van antwoord formuleert in verband met het begrip van de bijdrage van de verkrijger in het voordeel, neer op een nieuw middel en dienen zij om die reden niet te worden onderzocht.

B.6.4. Het eerste en het tweede middel in de zaak nr. 5441 zijn niet gegrond.

Ten aanzien van het vrije verkeer van goederen

B.7.1. Het tweede onderdeel van het derde middel in de zaak nr. 5441 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 28 en 29 van het VWEU. De verzoekende partij verwijt de bestreden bepaling alleen rekening te houden met de in België bekendgemaakte catalogusprijs voor de vaststelling van de waarde van het voordeel van alle aard dat voortvloeit uit de terbeschikkingstelling van een bedrijfsvoertuig. Zij leidt hieruit af dat die bepaling onder belastingplichtigen een discriminatie invoert die strijdig is met het recht van de Europese Unie.

B.7.2. Artikel 28 van het VWEU bepaalt :

« 1. De Unie omvat een douane-unie welke zich uitstrekt over het gehele goederenverkeer en welke zowel het verbod medebrengt van in- en uitvoerrechten en van alle heffingen van gelijke werking in het verkeer tussen de lidstaten onderling als de invoering van een gemeenschappelijk douanetarief voor hun betrekkingen met derde landen.

2. De bepalingen van artikel 30 en van hoofdstuk 3 van deze titel zijn van toepassing op de producten welke van oorsprong zijn uit de lidstaten alsook op de producten uit derde landen welke zich in de lidstaten in het vrije verkeer bevinden ».

Artikel 29 van het VWEU bepaalt :

« Als zich bevindend in het vrije verkeer in een lidstaat worden beschouwd : de producten uit derde landen waarvoor in genoemde staat de invoerformaliteiten zijn verricht en de verschuldigde douanerechten en heffingen van gelijke werking zijn voldaan en waarvoor geen gehele of gedeeltelijke teruggave van die rechten en heffingen is verleend ».

B.7.3. De bestreden bepalingen hebben niet tot doel, noch tot gevolg de werkgevers of de leden van hun personeel die een bedrijfsvoertuig verkrijgen, te beletten om dat voertuig te verwerven in een ander land van de Europese Unie dan België. Zij voeren geen douanerecht, noch een heffing van gelijke werking in op de invoer van de voertuigen. Voor het overige zet de verzoekende partij niet uiteen hoe de omstandigheid dat de waarde van het voordeel van alle aard dat voortvloeit uit de terbeschikkingstelling van een bedrijfsvoertuig, wordt berekend op basis van de catalogusprijs zoals die is vastgesteld voor de Belgische markt, tot gevolg zou hebben de aankoop van het voertuig in een ander land te ontmoedigen.

B.7.4. Ten slotte wordt de waarde van het voordeel van alle aard die forfaitair wordt berekend voor de belastingplichtige die over een bedrijfsvoertuig beschikt, niet beïnvloed door het feit dat de catalogusprijs van dat voertuig varieert van het ene land tot het andere binnen de Europese Unie, noch door het gegeven dat, in voorkomend geval, dat voertuig zou zijn aangekocht in een ander land dan België, zodat de wetgever redelijkerwijs kon kiezen voor de voor de Belgische markt vastgestelde catalogusprijs met het oog op de berekening van dat voordeel.

B.7.5. Het tweede onderdeel van het derde middel in de zaak nr. 5441 is niet gegrond.

Ten aanzien van het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu

B.8.1. Het vierde middel in de zaak nr. 5441 is afgeleid uit de schending van artikel 23 van de Grondwet, dat bepaalt :

« Ieder heeft het recht een menswaardig leven te leiden.

Daartoe waarborgen de wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen.

Die rechten omvatten inzonderheid :

[...]

4° het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu;

[...] ».

B.8.2. In het eerste onderdeel van dat middel voert de verzoekende partij aan dat de bestreden bepalingen de voertuigen met een dieselmotor bevoordelen, omdat het referentie-CO2-uitstootpercentage minder hoog ligt voor die voertuigen dan voor die met een benzinemotor. Zij is van mening dat dat aan de dieselvoertuigen toegekende voordeel in strijd is met het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu, aangezien de Wereldgezondheidsorganisatie heeft bevestigd dat de door dieselmotoren uitgestoten fijne stofdeeltjes kankerverwekkend zijn.

B.8.3. Artikel 36 van het WIB 1992 stelt de referentie-CO2-uitstoot vast op 115 g/km voor de voertuigen met een benzine-, LPG- of aardgasmotor en op 95 g/km voor de voertuigen met een dieselmotor. Het basispercentage voor de berekening van de waarde van het voordeel van alle aard bestaande in de terbeschikkingstelling van een bedrijfsvoertuig wordt verhoogd of verlaagd met 0,1 pct. per gram uitgestoten CO2 die het betrokken voertuig meer of minder uitstoot ten opzichte van het referentie-uitstootpercentage.

B.8.4. De referentie-CO2-uitstoot wordt jaarlijks vastgesteld door de Koning volgens de gemiddelde CO2-uitstoot van het jaar dat voorafgaat aan het belastbare tijdperk. De gemiddelde CO2-uitstoot wordt berekend op basis van de CO2-uitstoot van de nieuw ingeschreven voertuigen.

B.8.5. Het verschil in referentie-CO2-uitstootpercentages volgens het motortype van het betrokken voertuig houdt verband met de verschillende kenmerken van de motoren ten aanzien van het brandstofverbruik per kilometer en, bijgevolg, het door de betrokken motor uitgestoten gewicht aan CO2 per kilometer. In zoverre de berekening van de waarde van het voordeel dat voortvloeit uit de terbeschikkingstelling van een bedrijfsvoertuig gedeeltelijk afhangt van de prestaties van het betrokken voertuig met betrekking tot de CO2-uitstoot, is het relevant die prestaties te meten ten opzichte van een referentiepercentage dat op verschillende wijze wordt vastgesteld naargelang het gaat om een dieselmotor dan wel om een benzinemotor. Aangezien het referentiepercentage is gekoppeld aan de gemiddelde uitstoot van de voertuigen met dezelfde motoraandrijving, worden de prestaties van elk betrokken voertuig aldus geëvalueerd ten opzichte van de prestaties van voertuigen die daarmee vergelijkbaar zijn.

Voor het overige toont de verzoekende partij niet aan in welke zin de door de wetgever voor de referentie-CO2-uitstoot gekozen percentages onredelijk of onrealistisch zouden zijn.

B.8.6. In het tweede onderdeel van dat middel voert de verzoekende partij aan dat het feit dat de wetgever geen rekening ermee heeft gehouden dat de hybride-, elektrische of LPG-voertuigen, die minder vervuilend zijn, bij de aankoop duurder zijn dan de voertuigen met een benzine- of dieselmotor, tot gevolg heeft dat de aankoop van die voertuigen wordt ontmoedigd en bijgevolg de bescherming van het recht op een gezond leefmilieu wordt verminderd.

B.8.7. Het is juist dat de berekening van de waarde van het voordeel van alle aard bestaande in de terbeschikkingstelling van het bedrijfsvoertuig afhangt van de catalogusprijs van het betrokken voertuig, zonder daarbij rekening ermee te houden dat de prijs van sommige minder vervuilende voertuigen hoger kan liggen. De catalogusprijs wordt evenwel vermenigvuldigd met een percentage dat afhankelijk is van de prestaties van het voertuig op het vlak van de CO2-uitstoot. Op die manier wordt bij de berekening van de belasting een voordeel toegekend aan de minder vervuilende voertuigen.

B.8.8. Uit het gegeven dat de wetgever, bij de aanneming van maatregelen met een hoofdzakelijk fiscaal voorwerp en doel, niet heeft voorzien in een extra stimulans voor de aankoop van minder vervuilende voertuigen, zou niet kunnen worden afgeleid dat de in het geding zijnde bepalingen in strijd zijn met het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu zoals gewaarborgd bij artikel 23 van de Grondwet.

B.8.9. Geen enkel van de onderdelen van het vierde middel in de zaak nr. 5441 is gegrond.

Ten aanzien van het wettigheidsbeginsel in fiscale zaken

B.9.1. Het tweede middel in de zaak nr. 5445 is afgeleid uit de schending van artikel 170 van de Grondwet. De verzoekende partij is van mening dat de bestreden bepalingen, door de Koning ertoe te machtigen jaarlijks de referentie-CO2-uitstoot volgens de door Hem bepaalde voorwaarden vast te stellen, in strijd zijn met het wettigheidsbeginsel in fiscale zaken.

B.9.2. Artikel 170, § 1, van de Grondwet bepaalt :

« Geen belasting ten behoeve van de Staat kan worden ingevoerd dan door een wet ».

Die bepaling drukt het beginsel van de wettigheid van de belasting uit, dat vereist dat de wezenlijke bestanddelen van de belasting in beginsel bij de wet worden bepaald, opdat geen enkele belasting kan worden geheven zonder de instemming van de belastingplichtigen, uitgedrukt door hun vertegenwoordigers. Tot de wezenlijke bestanddelen van de belasting behoren de aanwijzing van de belastingplichtigen, de belastbare materie, de belastbare grondslag, de aanslagvoet en de eventuele belastingvrijstellingen en -verminderingen.

De voormelde grondwetsbepaling gaat evenwel niet zover dat ze de wetgever ertoe verplicht elk aspect van een belasting of van een vrijstelling zelf te regelen. Een aan een andere overheid verleende bevoegdheid is niet in strijd met het wettigheidsbeginsel voor zover de machtiging voldoende nauwkeurig is omschreven en betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen vooraf door de wetgever zijn vastgesteld.

B.9.3. Te dezen heeft de delegatie aan de Koning betrekking op de vaststelling van de referentie-CO2-uitstoot die is opgenomen in de berekening van de belastbare grondslag gevormd door het voordeel van alle aard. Hoewel de bestreden bepaling vermeldt dat de Koning de referentie-CO2-uitstoot vaststelt volgens « de modaliteiten die Hij vastlegt », heeft de wetgever de betrokken delegatie strikt afgebakend, aangezien hij heeft gepreciseerd dat de referentie-CO2-uitstoot moet worden vastgesteld door de Koning volgens de gemiddelde CO2-uitstoot van het jaar dat voorafgaat aan het belastbare tijdperk ten opzichte van de gemiddelde CO2-uitstoot van het referentiejaar 2011 en aangezien hij heeft gepreciseerd dat de gemiddelde CO2-uitstoot wordt berekend op basis van de CO2-uitstoot van de voertuigen bedoeld in artikel 65 van het WIB 1992 die nieuw ingeschreven zijn, hetgeen een objectief gegeven is. Bovendien stelt de bestreden bepaling eveneens het basis-CO2-percentage vast, alsook het minimum en het maximum.

B.9.4. De delegatie aan de Koning heeft overigens betrekking op een zeer technisch element dat elk jaar moet worden aangepast volgens de evolutie van de milieuprestaties van de op de markt beschikbare voertuigen.

B.9.5. Hieruit vloeit voort dat de wetgever, door aan de Koning de vaststelling van de referentie-CO2-uitstoot te delegeren, geen afbreuk heeft gedaan aan het wettigheidsbeginsel in fiscale zaken zoals gewaarborgd bij artikel 170 van de Grondwet.

B.9.6. Het tweede middel in de zaak nr. 5445 is niet gegrond.

Om die redenen

het Hof

verwerpt de beroepen.

Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 13 juni 2013.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

R. Henneuse

Vrije woorden

  • Beroepen tot vernietiging van artikel 39 van de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen en van artikel 143 van de programmawet (I) van 29 maart 2012, ingesteld door E.V. en door de bvba « Salens Motors ». Fiscaal recht

  • Inkomstenbelastingen

  • Personenbelasting

  • Beroepsinkomsten

  • Voordelen van alle aard

  • Bedrijfsvoertuig

  • 1. Criterium van de cataloguswaarde van het voertuig

  • 2. Identieke behandeling van alle verkrijgers. # Grondwettelijk recht

  • 1. Bevoegdheden van de gewesten

  • Leefmilieu

  • Voorkoming en bestrijding van milieuverontreiniging

  • Bescherming van de lucht

  • 2. Federale bevoegdheden

  • Fiscale bevoegdheid. # Europees recht

  • Vrij verkeer van goederen. # Rechten en vrijheden

  • 1. Economische, sociale en culturele rechten

  • Recht op de bescherming van een gezond leefmilieu

  • 2. Fiscaal wettigheidsbeginsel

  • Delegatie aan de uitvoerende macht.