- Arrest van 13 juni 2013

13/06/2013 - 87/2013

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof verwerpt het beroep.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters A. Alen, J.-P. Snappe, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey en F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 22 juni 2012 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 25 juni 2012, is beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 2 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 16 maart 2012 houdende de overname van de dienst van de Verkeersbelastingen (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 5 april 2012) door de nv « Bouw- en Coördinatiebureau D & V », met zetel te 8670 Koksijde, Berglaan 15, Dirk Cornelissis, wonende te 8310 Brugge, Daverlostraat 52, Kris Gantois, wonende te 8630 Veurne, Acacialaan 20, de bvba « Kantoor Perquy », met zetel te 8020 Oostkamp, Brugsestraat 113, Nadia Vandierendonck, wonende te 8310 Brugge, Ferry De Grosstraat 4, de bvba « Adviesburo Becquart », met zetel te 8670 Koksijde, Zeelaan 63, Els Laurez, wonende te 8700 Tielt, Wingensesteenweg 89, de bvba « Vermeesch Erwin », met zetel te 8670 Koksijde, Berglaan 15, Alexander Bakker, wonende te 1780 Wemmel, Leeuwerikenlaan 67, Patrick Verbeek, wonende te 3150 Haacht, Woeringstraat 75, en Jan Laforce, wonende te 8700 Tielt, Kalverstraat 5.

(...)

II. In rechte

(...)

De bestreden bepaling

B.1.1. Artikel 2 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 16 maart 2012 « houdende de overname van de dienst van de Verkeersbelastingen » bepaalt :

« Het Vlaamse Gewest verzekert vanaf 1 januari 2011 de dienst van de verkeersbelasting op de autovoertuigen, de belasting op de inverkeerstelling en het eurovignet, vermeld in artikel 3, eerste lid, 10° tot 12°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten ».

B.1.2. In de memorie van toelichting van het ontwerp van decreet dat tot de bestreden bepaling heeft geleid, wordt die bepaling als volgt verantwoord :

« Artikel 5, § 3, tweede volzin, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, stelt dat : ' Vanaf het tweede begrotingsjaar volgend op de datum van notificatie van de gewestregering aan de federale regering van de beslissing tot het zelf verzekeren van de dienst van de betrokken belastingen, zorgt het betrokken gewest voor de dienst van deze belastingen. '.

Ondanks het feit dat de bijzondere wetgever de gewestregering rechtstreeks machtigt tot de notificatie waardoor de bevoegdheid voor de dienst der belasting overgaat naar het gewest, rees nadien de vraag of de gewestregering daartoe niet door de decreetgever moest gemachtigd zijn.

[...]

De Raad van State lijkt die mening toegedaan. Om de inning van de verkeersbelastingen juridisch veilig te stellen, evenals de daaruit voortvloeiende inkomsten voor de middelenbegroting, is het daarom aangewezen de overname van de dienst van de Verkeersbelastingen door het Vlaamse Gewest, decretaal te bekrachtigen » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2011-2012, nr. 1430/1, p. 3).

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

Wat de rechtspersonen betreft

B.2.1. De Vlaamse Regering betwist de ontvankelijkheid van het beroep dat is ingesteld door de nv « Bouw- en Coördinatiebureau D & V », de bvba « Kantoor Perquy », de bvba « Adviesburo Becquart » en de bvba « Vermeesch Erwin », omdat die rechtspersonen zouden hebben nagelaten het bewijs van de beslissing om het beroep in te stellen, voor te leggen.

B.2.2. Krachtens artikel 7, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof dienen rechtspersonen die een beroep tot vernietiging instellen op eerste verzoek het bewijs voor te leggen van de beslissing om dat beroep in te stellen. Die beslissing dient op straffe van niet-ontvankelijkheid te zijn genomen binnen de termijn waarbinnen het beroep kan worden ingesteld, al kan het bewijs ervan tot aan het sluiten van de debatten worden gegeven.

B.2.3. Uit de stukken die als bijlage bij het verzoekschrift zijn ingediend, blijkt niet dat aan de vereisten van artikel 7, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 is voldaan. Bovendien hebben de nv « Bouw- en Coördinatiebureau D & V », de bvba « Kantoor Perquy », de bvba « Adviesburo Becquart » en de bvba « Vermeesch Erwin » nagelaten het op 14 maart 2013 door de griffier gevraagde bewijs te leveren.

B.2.4. Het beroep dat is ingesteld door de nv « Bouw- en Coördinatiebureau D & V », de bvba « Kantoor Perquy », de bvba « Adviesburo Becquart » en de bvba « Vermeesch Erwin », is niet ontvankelijk.

Wat het belang betreft

B.3.1. De Vlaamse Regering betwist het belang van de verzoekende partijen omdat de rechtsgedingen waarin zij zijn betrokken enkel de verkeersbelasting op autovoertuigen - en niet het eurovignet - betreffen, en dat het niet bestaanbaar zou zijn met artikel 5, § 3, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten dat de overname van de dienst van de verkeersbelasting op autovoertuigen en de belasting op de inverkeerstelling ongrondwettig zou worden verklaard, waardoor die dienst opnieuw door de federale overheid zou worden verzekerd, terwijl de dienst van het eurovignet verder door het Vlaamse Gewest zou worden verzekerd.

B.3.2. De verzoekende partijen hebben bezwaar aangetekend tegen de op hun naam gevestigde verkeersbelasting. Zij betwisten dat in de door hen jegens de Belgische Staat aangespannen gerechtelijke procedures het Vlaamse Gewest bij conclusie het geding heeft hervat omdat de overname van de dienst van de verkeersbelasting op de autovoertuigen door het Vlaamse Gewest aan hen niet tegenwerpelijk zou zijn.

B.3.3. De verzoekende partijen betwisten het tegenwerpelijk karakter van de overname, door het Vlaamse Gewest, van de dienst van de verkeersbelasting op de autovoertuigen vanaf 1 januari 2011. Zij doen blijken van het rechtens vereiste belang om de vernietiging te vorderen van de bepaling krachtens welke het Vlaamse Gewest de genoemde dienst heeft overgenomen. Dat de vernietiging van de bestreden bepaling er ook toe zou leiden dat de overname van de dienst van het eurovignet ongedaan zou worden gemaakt, doet hieraan geen afbreuk.

B.3.4. De exceptie wordt verworpen.

Ten gronde

B.4. De verzoekende partijen voeren aan dat het bestreden artikel 2 van het decreet van 16 maart 2012 niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met, enerzijds, het beginsel van de scheiding der machten dat vervat zou liggen in de artikelen 33, 36, 37, 40 en 41, eerste lid, van de Grondwet (eerste middel), en, anderzijds, met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met het algemeen rechtsbeginsel van behoorlijke rechtsbedeling (tweede middel). In beide middelen beklagen de verzoekende partijen zich erover dat de bestreden bepaling met terugwerkende kracht ingrijpt in hangende rechtsgedingen. Bijgevolg dienen beide middelen samen te worden behandeld.

B.5.1. Luidens artikel 3, eerste lid, 10°, 11° en 12°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten zijn de verkeersbelasting op de autovoertuigen, de belasting op de inverkeerstelling en het eurovignet gewestelijke belastingen.

B.5.2. Artikel 5, § 3, eerste lid, van diezelfde bijzondere wet bepaalt dienaangaande :

« Tenzij het gewest er anders over beslist, zorgt de Staat met inachtneming van de door hem vastgestelde procedureregels kosteloos voor de dienst van de in artikel 3, eerste lid, 1° tot 8° en 10° tot 12° bedoelde belastingen voor rekening van en in overleg met het betrokken gewest. Vanaf het tweede begrotingsjaar volgend op de datum van notificatie van de gewestregering aan de federale regering van de beslissing tot het zelf verzekeren van de dienst van de betrokken belastingen, zorgt het betrokken gewest voor de dienst van deze belastingen. De overheveling van de dienst van de belastingen naar een gewest kan slechts per groep van belastingen geschieden :

- de in artikel 3, eerste lid, 1° tot 3°, bedoelde belastingen;

- de in artikel 3, eerste lid, 5°, bedoelde belasting;

- de in artikel 3, eerste lid, 4° en 6° tot 8°, bedoelde belastingen;

- de in artikel 3, eerste lid, 10° tot 12° bedoelde belastingen ».

B.5.3. De Vlaamse Regering besliste op 10 juli 2008 om de dienst van de verkeersbelasting op de autovoertuigen, de belasting op de inverkeerstelling en het eurovignet zelf te verzekeren vanaf 1 januari 2010. Bij beslissing van 16 oktober 2009 stelde de Vlaamse Regering die overheveling uit tot 1 januari 2011.

B.5.4. Hoofdstuk V (« Overname van de dienst Verkeersbelastingen ») van het decreet van 9 juli 2010 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2010 bevat wijzigingen, enerzijds, van bepalingen van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen die, onder meer, de verkeersbelasting op de autovoertuigen en de belasting op de inverkeerstelling regelen en, anderzijds, van de wet van 27 december 1994 « tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet overeenkomstig richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993 ».

Uit de parlementaire voorbereiding van die bepalingen blijkt dat de decreetgever beoogde de inning en invordering van de door het Vlaamse Gewest overgenomen verkeersbelastingen zoveel als mogelijk op dezelfde leest te schoeien als de overige gewestbelastingen (Parl. St., Vlaams Parlement, 2009-2010, nr. 508/1, p. 8).

B.5.5. Ter uitvoering van die bepalingen heeft de Vlaamse Regering op 10 december 2010 een besluit genomen « tot oprichting van een Vlaamse controle-instantie voor de naleving van de wetten op de verkeersbelastingen en houdende wijziging van diverse bepalingen » (Belgisch Staatsblad, 3 februari 2011). In haar advies van 10 november 2010 over het ontwerp van dat besluit heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State opgemerkt dat « kan worden aangenomen dat de [beslissing van 10 juli 2008] stilzwijgend is bevestigd bij hoofdstuk V van het decreet van 9 juli 2010 » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2011-2012, nr. 1430/1, p. 13).

B.6. Uit de in B.1.2 aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt dat de bestreden bepaling beoogde met terugwerkende kracht de overname van de dienst van de verkeersbelastingen door het Vlaamse Gewest te bekrachtigen.

Ten gevolge van die overheveling heeft het Vlaamse Gewest, zoals het Hof in B.3.2 heeft opgemerkt, het geding bij conclusie hervat als rechtsopvolger van de Belgische Staat in verschillende door de verzoekende partijen ingestelde gerechtelijke procedures die nog hangende zijn.

B.7. De terugwerkende kracht van een wetskrachtige norm is enkel verantwoord indien ze onontbeerlijk is voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang. Indien bovendien blijkt dat de terugwerkende kracht tot doel of tot gevolg heeft dat de afloop van een of andere gerechtelijke procedure in een bepaalde zin wordt beïnvloed of dat de rechtscolleges worden verhinderd zich uit te spreken over een welbepaalde rechtsvraag, vereist de aard van het in het geding zijnde beginsel dat buitengewone omstandigheden of dwingende motieven van algemeen belang het optreden verantwoorden van de wetgever, dat, ten nadele van een categorie van burgers, afbreuk doet aan de aan allen geboden jurisdictionele waarborgen.

B.8.1. De bestreden bepaling beoogt een einde te maken aan de rechtsonzekerheid die was gerezen nadat de Raad van State in zijn advies bij een voorontwerp van decreet van het Waalse Gewest « houdende goedkeuring van de beslissing waarbij de dienst van de belasting op de spelen en weddenschappen, van de belasting op de automatische ontspanningstoestellen en van de openingsbelasting op de slijterijen van gegiste dranken naar het Waalse Gewest overgeheveld wordt » had opgemerkt dat de overheveling van de dienst van een gewestbelasting een voorafgaande beslissing van de decreetgever vereiste (Parl. St., Waals Parlement, 2007-2008, nr. 833/1, p. 7). De Vlaamse decreetgever beoogde de inning van de verkeersbelastingen en de daaruit voortvloeiende inkomsten voor de middelenbegroting « juridisch veilig te stellen » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2011-2012, nr. 1430/1, p. 3).

B.8.2. Zoals het Hof in B.5.3 heeft vermeld, had de Vlaamse Regering twee beslissingen genomen om de dienst van de verkeersbelasting op de autovoertuigen zelf te verzekeren. Hoewel het juist is dat die beslissingen niet in het Belgisch Staatsblad zijn bekendgemaakt, zijn het decreet van 9 juli 2010 en het besluit van 10 december 2010 wel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt, zodat de verzoekende partijen kennis ervan konden nemen.

Bovendien, zoals het Hof in B.5.5 heeft opgemerkt, heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State in haar advies over dat besluit niet nagelaten te beklemtonen dat het decreet van 9 juli 2010 de stilzwijgende bevestiging van de beslissing van de Vlaamse Regering kon uitmaken.

B.8.3. Rekening houdend met het feit dat de verkeersbelasting op de autovoertuigen, de belasting op de inverkeerstelling en het eurovignet gewestelijke belastingen zijn en rekening houdend met het feit dat de Raad van State, zoals in de parlementaire voorbereiding van het bestreden decreet wordt opgemerkt, reeds herhaalde malen erop heeft gewezen dat de overheveling van de dienst van een gewestelijke belasting een voorafgaande beslissing van de decreetgever vereist, konden de verzoekende partijen redelijkerwijze verwachten dat een decreet, zoals dat waarvan zij de vernietiging vorderen, zou worden aangenomen en dat daaraan, om redenen van rechtszekerheid, een retroactieve draagwijdte zou worden verleend.

B.8.4. Uit wat voorafgaat volgt dat de bestreden bepaling beantwoordt aan de in B.7 beschreven vereisten.

B.9. De middelen zijn niet gegrond.

Om die redenen,

het Hof

verwerpt het beroep.

Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 13 juni 2013.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

M. Bossuyt

Vrije woorden

  • Beroep tot vernietiging van artikel 2 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 16 maart 2012 houdende de overname van de dienst van de Verkeersbelastingen, ingesteld door de nv « Bouw- en Coördinatiebureau D & V » en anderen. Grondwettelijk recht

  • Financiering van de gemeenschappen en de gewesten

  • Fiscaliteit

  • Gewestelijke belastingen

  • Verkeersbelasting. # Fiscaal recht

  • Met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen

  • Vlaams Gewest

  • Verkeersbelasting

  • Inning en invordering

  • Overname van de dienst van de verkeersbelastingen

  • Wettelijke bekrachtiging

  • 1. Terugwerkende kracht

  • Tussenkomst in hangende gedingen

  • 2. Rechtszekerheid.