- Arrest van 17 oktober 2013

17/10/2013 - 140/2013

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Rekening houdend met hetgeen is vermeld in B.10.3, schendt artikel 100, eerste lid, 1°, van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 17 juli 1991, niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van mens, in zoverre het voorziet in een vijfjarige verjaringstermijn voor schuldvorderingen tot schadevergoeding op grond van de buitencontractuele aansprakelijkheid van de federale Staat wegens een misdrijf veroorzaakt door een van zijn organen of aangestelden, te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan de vordering is ontstaan.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en J. Spreutels, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût en T. Giet, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest van 22 november 2012 in zake de vennootschap naar Nederlands recht « Eurometaal N.V. » tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 4 december 2012, heeft het Hof van Beroep te Gent de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 1, eerste lid, van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van de schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de Provinciën, dat artikel 100, eerste lid 1° van de Wet op de Rijkscomptabiliteit gecoördineerd bij Koninklijk Besluit van 17 juli 1991 is geworden, en de overgangsregeling van de wet van 22 mei 2003, de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet mede in het licht van artikel 6 EVRM en artikel 1, eerste Protocol bij het EVRM doordat het voor vorderingen tot schadevergoeding op grond van de buitencontractuele aansprakelijkheid van de overheid wegens de onrechtmatige daad van een orgaan of aangestelde van de overheid slechts voorziet in een verjaringstermijn van vijf jaar die een aanvang neemt op 1 januari van het begrotingsjaar waarin de schuldvordering is ontstaan, terwijl de verjaringstermijn voor buitencontractuele vorderingen van de Staat, ten tijde van de onrechtmatige daad, dertig jaar bedroeg (met dien verstande dat, na de inwerkingtreding van de verjaringswet van 10 juni 1998, in gevallen waar de Staat kennis had van de schade en de identiteit van de aansprakelijke, de Staat nog over een termijn van vijf jaar beschikte vanaf de inwerkingtreding van deze wet om haar vordering in te stellen) ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1.1. Artikel 100, eerste lid, 1°, van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 17 juli 1991, bepaalt :

« Verjaard en voorgoed ten voordele van de Staat vervallen zijn, onverminderd de vervallenverklaringen ten gevolge van andere wettelijke, reglementaire of ter zake overeengekomen bepalingen :

1° de schuldvorderingen, waarvan de op wettelijke of reglementaire wijze bepaalde overlegging niet geschied is binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij zijn ontstaan; ».

B.1.2. Krachtens artikel 127 van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat, worden « de bij koninklijk besluit van 17 juli 1991 samengeordende wetten op de rijkscomptabiliteit [...] opgeheven voor de in artikel 2 bedoelde diensten ». De wet van 22 mei 2003 is in werking getreden op 1 januari 2012, behalve voor de in artikel 2, 2° tot 4°, bedoelde diensten, waarvoor zij in werking treedt op 1 januari 2014 (artikel 133, eerste lid). In afwijking van het eerste lid van artikel 133 is titel V, waarvan hoofdstuk I (« De verjaring van schuldvorderingen ») deel uitmaakt, ook in werking getreden op 1 januari 2012 voor de diensten bedoeld in dat lid (artikel 133, derde lid).

Ingevolge artikel 131, tweede lid, van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat, blijft artikel 100, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit van toepassing op « de schuldvorderingen op de federale Staat die ontstaan zijn vóór de inwerkingtreding van deze wet ».

B.2. Vóór de inwerkingtreding van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring bedroeg de gemeenrechtelijke verjaringstermijn dertig jaar. Het nieuwe artikel 2262bis, § 1, van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd door de voormelde wet, bepaalt dat de persoonlijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van tien jaar, met uitzondering van de rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid, die verjaren door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon, waarbij die vorderingen in ieder geval verjaren door verloop van twintig jaar vanaf de dag volgend op die waarop het feit waardoor de schade is veroorzaakt, zich heeft voorgedaan. Wanneer de rechtsvordering vóór de inwerkingtreding van de wet van 10 juni 1998 is ontstaan, bepaalt artikel 10 van die wet bij wijze van overgangsmaatregel dat de nieuwe verjaringstermijnen waarin zij voorziet, pas lopen vanaf haar inwerkingtreding.

B.3. Het Hof wordt ondervraagd over de bestaanbaarheid van artikel 100, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit, dat krachtens artikel 131, tweede lid, van de voormelde wet van 22 mei 2003 van toepassing blijft op het voor de verwijzende rechter gebrachte geschil, met de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, doordat die bepaling voorziet in een vijfjarige verjaringstermijn voor schuldvorderingen ten laste van de Staat, op grond van de buitencontractuele aansprakelijkheid van de overheid wegens een onrechtmatige daad van een orgaan of aangestelde van de overheid, te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij zijn ontstaan, terwijl de schuldvorderingen van de Staat tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid, ten tijde van de onrechtmatige daad, verjaarden door verloop van dertig jaar, net als de gemeenrechtelijke schuldvorderingen tot schadeloosstelling, « (met dien verstande dat, na de inwerkingtreding van de verjaringswet van 10 juni 1998, in gevallen waar de Staat kennis had van de schade en de identiteit van de aansprakelijke, de Staat nog over een termijn van vijf jaar beschikte vanaf de inwerkingtreding van deze wet om haar vordering in te stellen) ».

B.4. Hoewel, krachtens de overgangsbepaling vervat in artikel 10 van de wet van 10 juni 1998, de nieuwe verjaringstermijnen beginnen te lopen vanaf de inwerkingtreding van de voormelde wet van 10 juni 1998, voorziet diezelfde bepaling evenwel erin dat « de totale duur van de verjaringstermijn [...] niet meer dan dertig jaar [mag] bedragen ».

B.5.1. De feiten die aan de oorsprong liggen van het geschil dat voor de verwijzende rechter hangende is, betreffen het onterecht sluiten van een overeenkomst door de Belgische Staat in de loop van het jaar 1985. De oorspronkelijke eiseres heeft, nadat de actieve omkoping van een ambtenaar in 1998 bij vonnis is vastgesteld, in 1999 een vordering tot schadeloosstelling ten laste van de Belgische Staat ingesteld voor de vergoeding van een wegens het sluiten van die overeenkomst met een concurrent geleden nadeel.

De verwijzende rechter heeft beslist dat « alle elementen die nodig waren om een aansprakelijkheidsvordering tegen de Belgische Staat te kunnen instellen, door [de oorspronkelijke eiseres] gekend waren en dus ' konden worden vastgesteld ' binnen de verjaringstermijn van artikel 100, eerste lid 1° van de Gecoördineerde Wetten op de Rijks comptabiliteit, termijn die een aanvang nam op 01.01.1985 (één januari van het begrotingsjaar waarin de vordering ontstond) en eindigde op 31.12.1989 ».

B.5.2. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot het geval waarin de onrechtmatige daad van het orgaan of de aangestelde meer dan vijf jaar na de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan de schuldvordering is ontstaan, bij een definitieve rechterlijke uitspraak is vastgesteld.

B.6.1. De in het geding zijnde bepaling regelt de verjaring van de schuldvorderingen ten laste van de Staat door, enerzijds, te voorzien in een vijfjarige verjaringstermijn en, anderzijds, door die termijn te doen lopen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar waarin de schuldvordering is ontstaan.

B.6.2. Een verjaringsregel vormt geen onteigening in de zin van artikel 16 van de Grondwet, zodat die bepaling te dezen niet van toepassing is.

B.7.1. Door de schuldvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid aan een verschillende verjaring te onderwerpen naargelang zij tegen de Staat dan wel tegen particulieren zijn gericht, heeft de wetgever zich op een objectief criterium gebaseerd : de Staat dient het algemeen belang; de particulieren handelen rekening houdend met hun persoonlijk belang.

B.7.2. Het verschil in behandeling, naargelang de houder van die schuldvorderingen een particulier of de Staat is, is in dat opzicht slechts het gevolg van de keuze van de wetgever om niet af te wijken van de gemeenrechtelijke regels wat de verjaring betreft van de schuldvorderingen waarvan de Staat houder zou zijn ten laste van particulieren; de artikelen 10 en 11 van de Grondwet impliceren immers niet dat de wetgever ten aanzien van de schuldvorderingen van de overheid moet afwijken van de gemeenrechtelijke verjaringsregels.

Er dient dus te worden onderzocht of, door slechts ten aanzien van de schulden van de Staat af te wijken van de gemeenrechtelijke verjaringsregels, de wetgever geen onverantwoord verschil in behandeling heeft ingesteld ten opzichte van de gemeenrechtelijke schuldvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid, waaronder de schuldvorderingen van de Staat.

B.8.1. Zoals het Hof bij zijn arresten nrs. 32/96, 75/97, 5/99, 85/2001, 42/2002, 64/2002, 37/2003, 1/2004, 86/2004, 127/2004, 165/2004, 170/2004, 153/2006, 90/2007, 122/2007, 124/2007, 17/2008, 97/2008, 97/2009 en 147/2012 heeft geoordeeld, heeft de wetgever, door de vorderingen gericht tegen de Staat aan de vijfjarige verjaring te onderwerpen, een maatregel genomen die in verband staat met het nagestreefde doel dat erin bestaat de rekeningen van de Staat binnen een redelijke termijn af te sluiten. Er werd immers geoordeeld dat een dergelijke maatregel noodzakelijk was omdat de Staat op een bepaald ogenblik zijn rekeningen moet kunnen afsluiten : het is een verjaring van openbare orde, die noodzakelijk is in het licht van een goede comptabiliteit (Pasin., 1846, p. 287).

Tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 6 februari 1970 werd herbevestigd dat « de Staat, die jaarlijks meer dan 150 miljard uitgeeft en met het bestuursapparaat werkt dat log, ingewikkeld, en dan nog overstelpt is met documenten en archiefstukken, [...] wel een debiteur van gans bijzondere aard » is en dat « het wegens orderedenen geboden [is] zo spoedig mogelijk een einde te maken aan eisen die hun oorsprong vinden in achterstallige zaken » (Parl. St., Kamer, 1964-1965, nr. 971/1, p. 2; Parl. St., Senaat, 1966-1967, nr. 126, p. 4).

B.8.2. Het verschil in behandeling, wat de duur van de verjaring betreft, tussen de schuldvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid die tegen de Staat zijn gericht, en de gemeenrechtelijke schuldvorderingen tot vergoeding op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid, waaronder die waarvan de Staat houder zou zijn ten opzichte van particulieren, is dus bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

B.9.1. De omstandigheid dat de verjaringstermijn van de schuldvorderingen tegen de Staat reeds een aanvang neemt op de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij zijn ontstaan - en bijgevolg daadwerkelijk bijna steeds voordat de vordering is ontstaan - vloeit voort uit het specifieke criterium dat wordt gehanteerd om de verjaringstermijn te berekenen. De keuze van dat criterium wordt verantwoord door de eigenheid van de Staat als schuldenaar van die vorderingen. Doordat die berekeningswijze een concrete verjaringstermijn oplevert van ten minste vier jaar na het ontstaan van de schuldvordering, dat wil zeggen vanaf het ogenblik dat alle constitutieve elementen aanwezig zijn, namelijk een fout, een schade en het oorzakelijke verband tussen beide, heeft de maatregel, rekening houdend met de doelstelling ervan, in beginsel geen onevenredige gevolgen.

B.9.2. Bij zijn arrest nr. 32/96 van 15 mei 1996 heeft het Hof echter geoordeeld dat de in artikel 100, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit bepaalde verjaringstermijn onevenredige gevolgen heeft voor personen die in de onmogelijkheid verkeren om binnen de wettelijke termijn in rechte te treden omdat de schade die zij hebben geleden pas na het verstrijken van die termijn tot uiting is gekomen.

Om dezelfde redenen heeft het Hof bij zijn arresten nrs. 153/2006 en 90/2007 vastgesteld dat de in het geding zijnde bepaling eveneens discriminerend is in zoverre zij voorziet in een vijfjarige verjaringstermijn voor vorderingen tot schadevergoeding op grond van de buitencontractuele aansprakelijkheid van de overheid, wanneer de schade of de identiteit van de aansprakelijke pas na die termijn kunnen worden vastgesteld.

B.10.1. De thans voorliggende prejudiciële vraag doet ervan blijken dat de verwijzende rechter de in het geding zijnde bepaling interpreteert in die zin dat de erin geregelde verjaringstermijn begint te lopen op de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan de schuldvordering tot schadevergoeding wegens de omkoping van een ambtenaar, bij vonnis vastgesteld na het verstrijken van die termijn, is ontstaan.

B.10.2. Het komt de verwijzende rechter toe te bepalen of de schade is ontstaan al dan niet vóór het verstrijken van de in de in het geding zijnde bepaling bedoelde verjaringstermijn en of de schade en de identiteit van de aansprakelijke al dan niet onmiddellijk konden worden vastgesteld door de persoon die de aansprakelijkheidsvordering heeft ingesteld.

Het komt hem eveneens toe te bepalen of, rekening houdend met de gegevens van het dossier, de schade en de identiteit van de aansprakelijke redelijkerwijs door de persoon die de aansprakelijkheidsvordering heeft ingesteld konden worden vastgesteld vooraleer het misdrijf bij een definitieve rechterlijke beslissing kon worden vastgesteld.

B.10.3. Het is immers pas vanaf het ogenblik dat de schade en de identiteit van de aansprakelijke konden worden vastgesteld door de persoon die de aansprakelijkheidsvordering heeft ingesteld, dat de vijfjarige verjaringstermijn zoals hij is vastgelegd in de in het geding zijnde bepaling, kan beginnen te lopen. Elke andere interpretatie zou onevenredige gevolgen voor de houder van schuldvorderingen ten laste van de Staat met zich meebrengen.

B.10.4. De verplichting die de persoon die de aansprakelijkheidsvordering heeft ingesteld in dat geval zou hebben om de verjaring te stuiten door middel van, met name, een burgerlijke rechtsvordering tot bewaring, kan, rekening houdend met de in B.8.1 in herinnering gebrachte doelstelling, niet als onevenredig worden beschouwd.

B.11. Rekening houdend met wat is vermeld in B.10.3, dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord.

B.12.1. Het in aanmerking nemen van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, alsook van de verwijzing naar het arrest Zouboulidis t. Griekenland van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 25 juni 2009 leidt niet tot een ander besluit.

B.12.2. In de veronderstelling dat de houders van schuldvorderingen ten laste van de Staat kunnen worden geraakt in hun recht op het ongestoord genot van hun eigendom, in de zin van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, zou dat in overeenstemming zijn met de tweede alinea van dat artikel. Doordat de wetgever zich, om de hiervoor uiteengezette redenen, op die bepaling baseert, vermocht hij te oordelen dat een verkorte verjaringstermijn in overeenstemming was met het algemeen belang en noodzakelijk was om het afsluiten van de rekeningen van de Staat te verzekeren.

Ten aanzien van het aanvangspunt van die termijn volgt uit het voorgaande dat hij pas een aanvang kan nemen vanaf de eerste januari van het jaar in de loop waarvan de schade en de identiteit van de aansprakelijke konden worden vastgesteld. De in het geding zijnde maatregel kan dus geen onevenredige gevolgen met zich meebrengen ten aanzien van het recht op het ongestoord genot van de eigendom van de houders van schuldvorderingen ten laste van de Staat.

B.12.3. In het voormelde arrest Zouboulidis heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, teneinde te besluiten tot de schending van artikel 1 van het voormelde Protocol, met name opgemerkt dat de termijnen waarin de in het geding zijnde Staat zijn schuldvorderingen kon doen gelden respectievelijk meer dan tweemaal en tienmaal langer waren dan die waarin is voorzien om een schuldvordering tegen die Staat te doen gelden, dat de in het geding zijnde Staat te dezen had gehandeld zoals elke andere private werkgever en dat hij geen concrete en bijkomende elementen had bezorgd in verband met de weerslag die een beslissing die gunstig is voor de aanspraken van personen die zich in dezelfde situatie bevinden als de verzoeker, zou hebben op het financiële evenwicht van de Staat, terwijl nochtans het verschil tussen de verjaringstermijnen betreffende de Staat en de verzoeker te dezen aanzienlijk was.

De lering van dat arrest kan dus niet worden toegepast op de feiten die aan de thans voorliggende zaak ten oorsprong liggen. In een later arrest komt het Europees Hof voor de Rechten van de Mens overigens, met betrekking tot een andere feitelijke maar dezelfde wettelijke context, tot de slotsom dat artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens niet is geschonden, in samenhang gelezen met artikel 14 van het voormelde Verdrag (EHRM, 3 oktober 2013, Giavi t. Griekenland).

B.13. De inaanmerkingneming van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens leidt evenmin tot een andere conclusie. De verjaringsregel vervat in de in het geding zijnde bepaling kan immers niet worden geacht afbreuk te doen aan het recht op een eerlijk proces of het recht van toegang tot de rechter te beperken; een dergelijke regel belemmert geenszins de mogelijkheid voor de houders van schuldvorderingen ten laste van de Staat om een vordering tot schadevergoeding in te stellen. Het feit dat het recht dat zij in hun vordering opeisen, kan zijn verjaard door het verstrijken van een bepaalde termijn, wordt verantwoord door de zorg om rechtszekerheid die met elke verjaringsregel wordt nagestreefd; het komt trouwens aan het rechtscollege waartoe men zich wendt toe zich uit te spreken over de eventuele verjaring van het opgeëiste recht.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Rekening houdend met hetgeen is vermeld in B.10.3, schendt artikel 100, eerste lid, 1°, van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 17 juli 1991, niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van mens, in zoverre het voorziet in een vijfjarige verjaringstermijn voor schuldvorderingen tot schadevergoeding op grond van de buitencontractuele aansprakelijkheid van de federale Staat wegens een misdrijf veroorzaakt door een van zijn organen of aangestelden, te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan de vordering is ontstaan.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 17 oktober 2013.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

M. Bossuyt

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag betreffende artikel 100, eerste lid, 1°, van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 17 juli 1991, en artikel 131, tweede lid, van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat, gesteld door het Hof van Beroep te Gent. Openbare financiën

  • Rijkscomptabiliteit

  • Schuldvorderingen ten laste van de federale Staat

  • Vordering tot schadevergoeding op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid

  • Verjaringstermijn

  • Aanvangspunt. # Rechten en vrijheden

  • 1. Eigendomsrecht

  • 2. Recht op een eerlijk proces

  • Recht op toegang tot de rechter.