- Arrest van 13 november 2013

13/11/2013 - 152/2013

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof verwerpt het beroep.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en J. Spreutels, en de rechters A. Alen, J.-P. Snappe, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey en T. Giet, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 13 december 2012 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 14 december 2012, heeft de cvba « Provinciale Brabantse Energiemaatschappij », met zetel te 3210 Linden (Lubbeek), Diestsesteenweg 126, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 112, 113 en 115 van de programmawet van 22 juni 2012 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 28 juni 2012).

(...)

II. In rechte

(...)

Ten aanzien van de bestreden bepalingen en de situering ervan

B.1. De verzoekende partij vordert de vernietiging van de artikelen 112, 113 en 115 van de programmawet van 22 juni 2012.

B.2. Het Hof kan slechts uitdrukkelijk bestreden wetskrachtige bepalingen vernietigen waartegen middelen worden aangevoerd en, in voorkomend geval, bepalingen die niet worden bestreden maar die onlosmakelijk zijn verbonden met de bepalingen die moeten worden vernietigd.

Te dezen worden enkel middelen aangevoerd tegen, enerzijds, artikel 112 van de programmawet van 22 juni 2012, in zoverre het artikel 55, eerste lid, van de wet van 24 oktober 2011 « tot vrijwaring van een duurzame financiering van de pensioenen van de vastbenoemde personeelsleden van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van de lokale politiezones, tot wijziging van de wet van 6 mei 2002 tot oprichting van het fonds voor de pensioenen van de geïntegreerde politie en houdende bijzondere bepalingen inzake sociale zekerheid en houdende diverse wijzigingsbepalingen » (hierna : wet van 24 oktober 2011) vervangt en, anderzijds, het eerste lid van artikel 115 van de programmawet van 22 juni 2012, in zoverre het bepaalt dat artikel 112 van dezelfde programmawet uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2012.

Bijgevolg beperkt het Hof zijn onderzoek tot die bepalingen, die luiden :

« Art. 112. Artikel 55 van de wet van 24 oktober 2011 tot vrijwaring van een duurzame financiering van de pensioenen van de vastbenoemde personeelsleden van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van de lokale politiezones, tot wijziging van de wet van 6 mei 2002 tot oprichting van het fonds voor de pensioenen van de geïntegreerde politie en houdende bijzondere bepalingen inzake Sociale Zekerheid en houdende diverse wijzigingsbepalingen wordt vervangen als volgt :

' Art. 55. De bepalingen van de artikelen 161bis, 161ter en 161quater van de nieuwe gemeentewet, zoals deze luidden vóór de opheffing ervan door artikel 54 van deze wet, blijven van toepassing op personeelsoverdrachten die vóór de inwerkingtreding van deze wet hebben plaatsgevonden.

[...] ».

« Art. 115. [Artikel] 112 [heeft] uitwerking met ingang van 1 januari 2012 ».

B.3.1. De wet van 24 oktober 2011 brengt een hervorming tot stand van de financiering van de pensioenen voor het vastbenoemde personeel van de betrokken besturen, hervorming die, volgens de memorie van toelichting, sedert meerdere jaren noodzakelijk was. Zij voert enkel een hervorming van de financiering door, en heeft geen betrekking op de inhoud van de pensioenstelsels. De voorwaarden om het recht op pensioen te openen en de berekening van de pensioenen van het betrokken personeel worden dus niet gewijzigd bij de bestreden wet (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-1770/001, p. 7).

In tegenstelling tot de werkgevers in de privésector of tot de federale overheidsdiensten en de ministeries van de gemeenschappen en de gewesten, dragen de provinciale en lokale besturen integraal de pensioenlasten van hun benoemde personeelsleden en hun rechthebbenden, dus zonder tegemoetkoming van de federale Staat (ibid., p. 5).

Vóór de inwerkingtreding van de wet van 24 oktober 2011 vielen de provinciale en lokale besturen onder verschillende systemen, om de wettelijke pensioenen van hun vastbenoemde personeelsleden en hun rechthebbenden te financieren. De overgrote meerderheid van de provinciale en lokale besturen was aangesloten bij één van de twee gesolidariseerde pensioenstelsels binnen de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten (hierna : RSZPPO). Die twee stelsels waren bekend onder de benamingen « pool 1 » en « pool 2 ». Pool 1 bestond hoofdzakelijk uit de lokale besturen die vóór 1 januari 1987 waren aangesloten bij de voormalige Omslagkas van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Pool 2 werd in 1993 opgericht en bestond hoofdzakelijk uit grote werkgevers (grote steden en hun OCMW's). Hij was ook samengesteld uit een aantal provincies, van wie de toetreding werd toegestaan vanaf 2005. Die twee stelsels waren elk op zich gesolidariseerd. Zij werden apart beheerd. Het bijdragepercentage voor elk van beide pools werd jaarlijks vastgesteld door het beheerscomité van de RSZPPO op basis van de veronderstelde ontvangsten en uitgaven per pool (ibid., p. 4).

Enkele lokale besturen beschikten overigens over een eigen pensioenstelsel en namen hun pensioenlast individueel op zich. Sommigen van hen vertrouwden het beheer van hun pensioenen bij overeenkomst toe aan een voorzorgsinstelling. Die besturen werden samengebracht in « pool 3 ». Andere lokale besturen stonden zelf in voor het beheer van de pensioenen van hun benoemd personeel, zonder een beroep te doen op de dienstverlening van een voorzorgsinstelling (« pool 4 »). De pools 3 en 4 waren eigenlijk geen pools zoals de pools 1 en 2, omdat de betrokken lokale besturen individueel en apart hun eigen pensioenlasten droegen (ibid., p. 5).

Ten slotte waren alle lokale politiezones en de federale politie, sinds 1 april 2001, verplicht aangesloten bij het « Fonds voor de pensioenen van de geïntegreerde politie », dat ook een gesolidariseerd pensioenstelsel was, bekend onder de benaming « pool 5 » (ibid.).

Bij de wet van 24 oktober 2011 worden de pools 1 tot 5 samengevoegd in één enkel Fonds, het « gesolidariseerd pensioenfonds van de RSZPPO », waarin de uitgaven en de ontvangsten solidair worden verdeeld tussen alle deelnemers. Op termijn zal één identiek « basispensioenbijdragepercentage » van toepassing zijn voor alle provinciale en lokale besturen en voor de lokale politiezones die lid zijn van dat Fonds. Een gelijke behandeling met betrekking tot dat percentage zal geheel zijn verwezenlijkt vanaf 2016. Als correctief mechanisme wordt een bijkomende responsabiliseringsbijdrage ten laste gelegd van sommige provinciale en lokale besturen, namelijk die waarvan het eigen bijdragepercentage hoger is dan het basisbijdragepercentage doordat hun personeel weinig actieve statutaire personeelsleden telt. De memorie van toelichting bevat de volgende formule : « totale pensioenbijdrage = basisbijdragepercentage x loonmassa van de vastbenoemde personeelsleden + responsabiliseringscoëfficiënt x (pensioenlast - [basisbijdragepercentage x loonmassa van de vastbenoemde personeelsleden]) » (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-1770/001, p. 19).

Wat de vroegere pool 5 betreft, zijn alleen de lokale politiezones ambtshalve aangesloten bij het nieuwe Fonds; de pensioenen van de leden van de federale politie en hun rechthebbenden worden apart gefinancierd.

B.3.2. Bij zijn arrest nr. 71/2013 van 22 mei 2013 heeft het Hof de beroepen tot vernietiging die tegen de wet van 24 oktober 2011 waren ingesteld, verworpen.

B.3.3. Artikel 24 van de wet van 24 oktober 2011 - opgenomen in hoofdstuk 7 (« Toepasselijke bepalingen in geval van herstructurering ») van titel 2 (« Financiering van de pensioenen van de vastbenoemde personeelsleden van de provinciale en plaatselijke besturen en van de lokale politiezones ») - voorziet in een vervanging, voor de toekomst, van artikel 161bis van de Nieuwe Gemeentewet (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-1770/001, p. 40) en bevat een soortgelijke regeling als die van artikel 161bis.

B.3.4. Bij zijn arrest nr. 162/2005 van 9 november 2005 heeft het Hof voor recht gezegd dat artikel 161bis, §§ 1 en 2, van de Nieuwe Gemeentewet, zoals ingevoegd bij artikel 75 van de wet van 30 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen, dus vóór de wijziging ervan bij artikel 58 van de wet van 22 december 2008 houdende diverse bepalingen (I), de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schond.

B.3.5. Bij artikel 54, 1°, van de wet van 24 oktober 2011 worden de artikelen 161 tot 169 van de Nieuwe Gemeentewet opgeheven.

Artikel 55, eerste lid, van de wet van 24 oktober 2011 voorziet in een overgangsbepaling, die als volgt is gesteld :

« De bepalingen van artikelen 161bis, 161ter en 161quater van de nieuwe gemeentewet, zoals deze luidden vóór de opheffing ervan door artikel 55, blijven van toepassing op personeelsoverdrachten die vóór de inwerkingtreding van deze wet hebben plaatsgevonden ».

De voormelde artikelen 54, 1°, en 55 zijn op 1 januari 2012 in werking getreden (artikel 56 van de wet van 24 oktober 2011).

B.3.6. Het bestreden artikel 112 van de programmawet van 22 juni 2012 vervangt het eerste lid van artikel 55 van de wet van 24 oktober 2011 door de volgende bepaling :

« De bepalingen van de artikelen 161bis, 161ter en 161quater van de nieuwe gemeentewet, zoals deze luidden vóór de opheffing ervan door artikel 54 van deze wet, blijven van toepassing op personeelsoverdrachten die vóór de inwerkingtreding van deze wet hebben plaatsgevonden ».

Overeenkomstig het bestreden eerste lid van artikel 115 van de programmawet van 22 juni 2012 heeft artikel 112 uitwerking met ingang van 1 januari 2012, zijnde de datum van de inwerkingtreding van de wet van 24 oktober 2011.

Ten aanzien van het belang

B.4.1. De verzoekende partij wijst erop dat zij, in haar hoedanigheid van overheidsdienst die niet was aangesloten bij het gemeenschappelijke pensioenstelsel van de RSZPPO en in het verleden personeelsleden heeft overgenomen van een entiteit die wel bij dat pensioenstelsel was aangesloten, tot 1 januari 2012 aan artikel 161bis van de Nieuwe Gemeentewet was onderworpen.

Zodra het met ingang van 1 januari 2012 is opgeheven, is artikel 161bis van de Nieuwe Gemeentewet opnieuw en retroactief op haar van toepassing ingevolge het bestreden artikel 112 van de programmawet van 22 juni 2012, met aanzienlijke gevolgen voor de financiële verplichtingen van de verzoekende partij, zodat zij rechtstreeks en ongunstig in haar situatie zou kunnen worden geraakt.

B.4.2. Volgens de Ministerraad zou de voormelde zienswijze van de verzoekende partij op een foutief juridisch uitgangspunt berusten, vermits de wet van 24 oktober 2011 reeds vanaf haar bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van 3 november 2011, in artikel 55, in een overgangsbepaling zou hebben voorzien wat betreft de toepassing van de artikelen 161bis, 161ter en 161quater van de Nieuwe Gemeentewet op personeelsoverdrachten die vóór de inwerkingtreding van die wet hebben plaatsgevonden. Het bestreden artikel 112 zou inhoudelijk niets aan het eerste lid van artikel 55 van de wet van 24 oktober 2011 hebben gewijzigd; het zou uitsluitend ertoe strekken een materiële vergissing van de wetgever recht te zetten door de verwijzing naar « artikel 55 » te vervangen door de verwijzing naar « artikel 54 ». Daaruit zou volgen dat de situatie van de verzoekende partij niet rechtstreeks en ongunstig door de bestreden bepaling zou kunnen worden geraakt.

B.4.3. Die exceptie van onontvankelijkheid hangt af van de draagwijdte van de bestreden bepalingen. Wanneer een exceptie van niet-ontvankelijkheid die is afgeleid uit de ontstentenis van belang, betrekking heeft op de draagwijdte die aan de bestreden bepalingen dient te worden gegeven, valt het onderzoek van de ontvankelijkheid samen met het onderzoek van de grond van de zaak.

Ten gronde

B.5. De verzoekende partij voert drie middelen aan.

Het eerste middel is afgeleid uit de schending, door de bestreden bepalingen, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.

Ingevolge de wijziging, door de bestreden bepalingen, van artikel 55 van de wet van 24 oktober 2011, zouden vergelijkbare categorieën van plaatselijke overheden zonder redelijke verantwoording verschillend worden behandeld. Plaatselijke overheden die niet bij de RSZPPO zijn aangesloten en personeel overnemen van een overheidsdienst die wel bij de RSZPPO is aangesloten, zouden op verschillende wijze worden behandeld naargelang die personeelsovername vóór of na 1 januari 2012 heeft plaatsgevonden. Indien de personeelsoverdracht vóór 1 januari 2012 heeft plaatsgevonden, zouden de niet bij de RSZPPO aangesloten plaatselijke overheden bijdrageplichtig blijven op grond van artikel 161bis van de Nieuwe Gemeentewet. Volgens de verzoekende partij zou die bijdrageplicht daarentegen worden afgeschaft voor de niet bij de RSZPPO aangesloten plaatselijke overheden waar soortgelijke personeelsoverdrachten na 1 januari 2012 hebben plaatsgevonden.

B.6. Uit de vergelijking van de in B.3.5 en B.3.6 geciteerde oude respectievelijk nieuwe redactie van artikel 55, eerste lid, van de wet van 24 oktober 2011, blijkt dat het bestreden artikel 112 van de programmawet van 22 juni 2012, behoudens louter vormelijke aanpassingen, slechts op één punt de vorige redactie van het eerste lid van artikel 55 van de wet van 24 oktober 2011 heeft gewijzigd, namelijk de vervanging van de verwijzing naar « artikel 55 » door de verwijzing naar « artikel 54 ».

Daarmee beoogde de wetgever een manifeste materiële vergissing in de oorspronkelijke redactie van het eerste lid van artikel 55 van de wet van 24 oktober 2011 - de enige overgangsbepaling in die wet - recht te zetten, waarin per vergissing naar de opheffing van de artikelen 161bis, 161ter en 161quater van de Nieuwe Gemeentewet « door artikel 55 » werd verwezen. De wetgever beoogde vanzelfsprekend in het eerste lid van artikel 55 van de wet van 24 oktober 2011 te verwijzen naar artikel 54 van dezelfde wet, wat de enige algemene opheffingsbepaling in die wet is. Om die reden werd door het bestreden artikel 112 de verwijzing naar « artikel 55 » vervangen door een verwijzing naar « artikel 54 ». Die vervanging wijzigt niets aan de inhoud van het eerste lid van artikel 55 van de wet van 24 oktober 2011.

Aangezien het eerste lid van artikel 55 van de wet van 24 oktober 2011 ook vóór de inwerkingtreding van het bestreden artikel 112 van de programmawet van 22 juni 2012 bepaalde dat de artikelen 161bis, 161ter en 161quater van de Nieuwe Gemeentewet van toepassing blijven op personeelsoverdrachten die vóór de inwerkingtreding van de wet van 24 oktober 2011 hebben plaatsgevonden, berust de zienswijze van de verzoekende partij dat ingevolge het bestreden artikel 112 artikel 161bis van de Nieuwe Gemeentewet opnieuw en retroactief van toepassing zou zijn op personeelsoverdrachten die vóór 1 januari 2012 hebben plaatsgevonden, op een verkeerd uitgangspunt.

B.7. Het eerste middel is niet gegrond.

B.8. Vermits het tweede en het derde middel op dezelfde verkeerde lezing van de bestreden maatregel berusten, zijn zij evenmin gegrond.

Om die redenen,

het Hof

verwerpt het beroep.

Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 13 november 2013.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

M. Bossuyt

Vrije woorden

  • Beroep tot vernietiging van de artikelen 112, 113 en 115 van de programmawet van 22 juni 2012, ingesteld door de cvba « Provinciale Brabantse Energiemaatschappij ». Sociaal recht

  • Sociale zekerheid

  • Pensioenstelsel van de plaatselijke overheden

  • Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten

  • Niet-aangesloten overheidsdienst waarnaar vast benoemd personeel van een bij de R.S.Z.P.P.O. aangesloten overheidsdienst wordt overgeheveld

  • Bijdrage in de pensioenlast.