- Arrest van 21 november 2013

21/11/2013 - 161/2013

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

In zoverre het de verplichting oplegt dat de voorziening in cassatie van een belastingplichtige tegen een arrest dat inzake inkomstenbelastingen is gewezen, wordt ingesteld bij een verzoekschrift dat door een advocaat is ondertekend en neergelegd, schendt artikel 378 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals het is vervangen bij artikel 380 van de programmawet van 27 december 2004, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût en T. Giet, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest van 20 december 2012 in zake de nv « Les Studios américains » tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 11 januari 2013, heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 378 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, dat de verplichting oplegt dat de voorziening in cassatie van een belastingplichtige tegen een arrest dat is gewezen inzake inkomstenbelastingen wordt ingesteld bij een verzoekschrift dat is ondertekend door een advocaat, maar het recht van de bevoegde ambtenaar van de Administratie der directe belastingen om zelf een dergelijk verzoekschrift te ondertekenen intact laat, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1.1. Artikel 378 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen (WIB 1992), zoals het is gewijzigd bij artikel 380 van de programmawet van 27 december 2004, bepaalt :

« Het verzoekschrift houdende voorziening in cassatie en het antwoord op de voorziening mag door een advocaat worden ondertekend en neergelegd ».

B.1.2. De voormelde bepaling heeft artikel 378 van het WIB 1992, zoals het was ingevoerd bij de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen, dat alleen bepaalde dat het « verzoekschrift » door een advocaat kon worden ondertekend, aangevuld.

B.2. Het Hof van Cassatie vraagt aan het Hof of de in het geding zijnde bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt in zoverre zij, volgens het verwijzende rechtscollege, « de verplichting oplegt » dat de voorziening in cassatie van een belastingplichtige tegen een arrest dat is gewezen inzake inkomstenbelastingen wordt ingesteld bij een verzoekschrift dat is ondertekend door een advocaat, terwijl het tegelijkertijd het recht van de bevoegde ambtenaar van de belastingadministratie om zelf een dergelijk verzoekschrift te ondertekenen intact laat.

B.3. In zijn verwijzingsarrest heeft het Hof van Cassatie geoordeeld :

« [Artikel 378 van het Wetboek van inkomstenbelastingen, dat] afwijkt van artikel 1080 van het Gerechtelijk Wetboek in zoverre laatstgenoemd artikel bepaalt dat het verzoekschrift in cassatie zowel op het afschrift als op het origineel door een advocaat bij het Hof van Cassatie is ondertekend, en die trouwens het recht onverkort laat van de bevoegde ambtenaar van de administratie der directe belastingen om zelf een cassatieverzoekschrift te ondertekenen, legt op dat het verzoekschrift waarbij een belastingplichtige een inzake directe belastingen gewezen arrest aan het toezicht van het Hof [van Cassatie] onderwerpt, door een advocaat moet zijn ondertekend ».

Het is in die interpretatie dat het Hof de prejudiciële vraag beantwoordt.

B.4. Tijdens de parlementaire voorbereiding van de voormelde wet van 15 maart 1999 heeft de minister van Financiën het amendement van de Regering dat aan de oorsprong ligt van de voormelde bepaling, in de volgende bewoordingen verantwoord :

« [...] voortaan [kan] voorziening in Cassatie [...] worden ingesteld zonder dat daarvoor een advocaat bij het Hof van Cassatie hoeft te worden ingeschakeld (zie het door de regering bij de Senaat ingediende amendement nr. 78 - Stukken nrs. 1-966/7 en 11, blz. 170). Daarbij is het zaak de toegang van de belastingplichtigen tot alle niveaus van gerechtelijke aanleg te vergemakkelijken. Bovendien wordt de mogelijkheid voor de Administratie der directe belastingen om zonder een beroep te doen op een advocaat voorziening in Cassatie in te stellen door het ontwerp uitgebreid tot de verschillende soorten van belastingen » (Parl. St., Kamer, 1997-1998, nr. 1341/23, pp. 19, 20 en 35).

B.5.1. De wetgever vermocht aldus ervan uit te gaan dat, in belastingzaken, van de verplichting om een beroep te doen op een advocaat bij het Hof van Cassatie kon worden afgeweken.

B.5.2. Het cassatieberoep is een buitengewoon rechtsmiddel waardoor een partij in de mogelijkheid wordt gesteld om, wegens schending van de wet of wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, de vernietiging te vorderen van een in laatste aanleg gewezen beslissing. Het verzoekschrift dat dat beroep inleidt, moet, zonder dat het daarna kan worden aangevuld of gewijzigd, de uiteenzetting van de middelen van de verzoeker, de vermelding van de geschonden wetsbepalingen en de met de voorziening nagestreefde gevolgen bevatten. Onverminderd artikel 26, § 4, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, voert het Hof van Cassatie in fiscale zaken geen middel ambtshalve aan.

B.5.3. Wegens het ingewikkelde karakter van die materie en omwille van de zorg om te voorkomen dat bij het Hof van Cassatie een groot aantal beroepen die niet ontvankelijk zijn of kennelijk elke grondslag missen, worden ingesteld, is het verantwoord dat wordt opgelegd dat het verzoekschrift van de belastingplichtige wordt ondertekend en neergelegd door een advocaat.

B.6. Overigens, artikel 379, in het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 ingevoerd bij de wet van 10 december 2001 « tot wijziging van verscheidene belastingwetboeken, wat de voorziening in cassatie betreft en de vertegenwoordiging van de Staat voor de hoven en rechtbanken », bepaalt :

« Inzake de geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet, kan de verschijning in persoon in naam van de Staat worden gedaan door elke ambtenaar van een belastingadministratie ».

B.7. Met zijn arrest nr. 34/2003 van 12 maart 2003 heeft het Hof geoordeeld :

« B.2.7. De keuze voor een vertegenwoordiging van de Staat door een ambtenaar van de belastingadministratie werd verantwoord door het streven om een eenvormig beheer van de taxatie en de geschillen in te voeren en aan de taxatieambtenaren de verantwoordelijkheid toe te vertrouwen voor de geschillen die uit hun regularisaties voortvloeien door hen ermee te belasten zelf hun dossiers voor de rechtbank te verdedigen (Parl. St., Kamer, Doc 50 0176/002, p. 2). Door die keuze zou een einde kunnen worden gemaakt aan de controversen over de manier waarop de Staat in eigen persoon dient te verschijnen en zou de procedure voor de rechtbank kunnen worden verlicht, waarbij een bijkomende vorming de ambtenaren in staat zou moeten stellen het hoofd te bieden aan hun nieuwe opdrachten (Parl. St., Kamer, Doc 50 0176/003, p. 5).

B.2.8. De aangevochten bepaling breidt voor de Staat weliswaar de mogelijkheid uit om ' in persoon ' te verschijnen in de fiscale geschillen, maar zij brengt het beginsel van het pleitmonopolie van de advocaten niet in het geding. Er werd trouwens gepreciseerd dat voor ingewikkelde gevallen waarin principiële kwesties of buitengewoon belangrijke zaken op het spel staan, de minister, op verzoek van de administratie, advocaten aanwijst om de Staat te vertegenwoordigen en dat het ' louter de bedoeling [is] ambtenaren in staat te stellen het departement te vertegenwoordigen in minder complexe gevallen ' (Parl. St., Senaat, 2001-2002, nr. 2-865/3, p. 3).

B.3. Uit die elementen blijkt dat de wetgever, door te bepalen dat in fiscale geschillen de Staat door ambtenaren kon worden vertegenwoordigd - wat doorgaans in alle aangelegenheden wordt aanvaard voor de rechtscolleges belast met de objectieve controle van de wettigheid en de grondwettigheid -, een pertinente maatregel heeft genomen die een redelijk verband van evenredigheid met het nagestreefde doel vertoont ».

B.8. Ook al heeft het in het geding zijnde artikel 378 geen betrekking op de verschijning van de bevoegde ambtenaar van de belastingadministratie, kan, om vergelijkbare motieven, worden aanvaard dat die ambtenaar, die ter zake gespecialiseerd is, met name wegens zijn aanvullende opleiding, een cassatieverzoekschrift zelf kan ondertekenen. Bovendien doet de in het geding zijnde maatregel niet op onevenredige wijze afbreuk aan de rechten van de belastingplichtige, vermits de maatregel, hoewel hij de belastingplichtige niet toestaat een dergelijk verzoekschrift zelf te ondertekenen, hij hem niettemin vrijstelt van de verplichting, die nochtans de regel is in niet-strafrechtelijke aangelegenheden, een beroep te doen op het optreden van een advocaat bij het Hof van Cassatie.

B.9. Het verschil in behandeling is niet zonder redelijke verantwoording en de prejudiciële vraag dient derhalve ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

In zoverre het de verplichting oplegt dat de voorziening in cassatie van een belastingplichtige tegen een arrest dat inzake inkomstenbelastingen is gewezen, wordt ingesteld bij een verzoekschrift dat door een advocaat is ondertekend en neergelegd, schendt artikel 378 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals het is vervangen bij artikel 380 van de programmawet van 27 december 2004, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 21 november 2013.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

J. Spreutels

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag over artikel 378 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals vervangen bij artikel 380 van de programmawet van 27 december 2004, gesteld door het Hof van Cassatie. Fiscaal recht

  • Fiscale geschillenregeling

  • Inkomstenbelastingen

  • Rechtsmiddelen

  • Voorziening in cassatie van een belastingplichtige

  • Ondertekening en neerlegging van het verzoekschrift door een advocaat.