- Arrest van 21 november 2013

21/11/2013 - 156/2013

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût en T. Giet, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest van 27 november 2012 in zake de vzw « Incidanse » tegen het Fonds voor Arbeidsongevallen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 4 december 2012, heeft het Arbeidshof te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 50 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, overwegende dat de bijdrage voor de in dat artikel bedoelde ambtshalve aansluiting een sanctie van strafrechtelijke aard is en aan het bestaan van een strafrechtelijke inbreuk is verbonden, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het een arbeidsgerecht, waarvoor een beroep is ingesteld tegen de door het FAO opgelegde ambtshalve aansluiting, niet zou toelaten de algemene beginselen van het strafrecht toe te passen, waaronder de verzachtende omstandigheden en het uitstel, terwijl die personen voor eenzelfde inbreuk de toepassing van die beginselen voor de strafrechter zouden kunnen genieten ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Artikel 49 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 bepaalde, vóór de wijziging ervan bij artikel 176 van de wet van 27 december 2006 « houdende diverse bepalingen (I) » :

« De werkgever is verplicht een arbeidsongevallenverzekering aan te gaan bij een verzekeringsonderneming, die :

1° toegelaten is tot de arbeidsongevallenverzekering of de arbeidsongevallenverzekering mag beoefenen in België door middel van een bijkantoor of in vrije dienstverrichting overeenkomstig de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle op de verzekeringsondernemingen;

2° voldoet aan alle regels en voorwaarden gesteld door deze wet.

De duur van de verzekeringsovereenkomst mag niet langer zijn dan één jaar; deze duur moet, indien nodig, worden verlengd met de periode die de datum van het ingaan van de overeenkomst scheidt van 1 januari van het jaar dat erop volgt.

Behalve wanneer één der partijen zich er tegen verzet door een aangetekende brief die tenminste drie maanden vóór de vervaldag van de overeenkomst ter post is afgegeven, wordt deze stilzwijgend verlengd voor opeenvolgende periodes van een jaar. Deze bepaling is niet van toepassing op de verzekeringsovereenkomsten waarvan de duur korter is dan één jaar.

In afwijking van de bepalingen van het tweede en derde lid, mag de duur drie jaar bedragen voor de verzekeringsovereenkomsten gesloten met ondernemingen die op het ogenblik van het afsluiten of de verlenging van de overeenkomst tien of meer personen tewerkstellen of die een loonvolume laten verzekeren van meer dan tienmaal het maximum basisjaarloon bedoeld bij artikel 39 van deze wet.

De Koning bepaalt de voorwaarden, de wijze en de termijnen waarop aan de verzekeringsovereenkomst een einde wordt gemaakt.

In de gevallen waarin de verzekeringsonderneming zich het recht voorbehoudt de overeenkomst na het zich voordoen van een schadegeval op te zeggen, beschikt de verzekeringnemer over hetzelfde recht. Deze bepaling is niet van toepassing op de verzekeringsovereenkomsten met een duur van drie jaar gesloten met ondernemingen waarvan het jaargemiddelde van het personeelsbestand meer dan honderd bedraagt of die een loonvolume laten verzekeren van meer dan honderd maal het maximum basisjaarloon bedoeld bij artikel 39.

De verzekeringsonderneming dekt alle bij de artikelen 7 en 8 vastgestelde risico's voor alle werknemers in dienst van een werkgever en voor alle werkzaamheden waarvoor zij door die werkgever zijn tewerkgesteld.

De werkgever behoudt echter de mogelijkheid om het personeel van verschillende exploitatiezetels en om al het huispersoneel in zijn dienst te verzekeren bij afzonderlijke verzekeringsondernemingen.

De werkgever die tevens arbeidsongevallen verzekert, dient de verplichte ongevallenverzekering voor zijn werknemers af te sluiten bij een verzekeringsonderneming met wie hij juridisch of commercieel geen enkele binding heeft ».

Artikel 50 van dezelfde wet bepaalt :

« De werkgever die geen verzekering heeft afgesloten is ambtshalve aangesloten bij het Fonds voor arbeidsongevallen, volgens de nadere regels bepaald door de Koning na advies van het beheerscomité van dit fonds ».

Die twee bepalingen maken deel uit van de eerste afdeling (« Verzekeringsondernemingen ») van hoofdstuk III (« De verzekering ») van de wet van 10 april 1971.

Zij zijn met elkaar verbonden en getuigen van dezelfde wil om de bescherming van alle werknemers tegen arbeidsongevallen te waarborgen (Parl. St., Senaat, 1969-1970, nr. 328, pp. 28-29).

B.2. Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing en de bewoordingen van de prejudiciële vraag blijkt dat het Hof wordt ondervraagd over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 50 van de wet van 10 april 1971, in zoverre die bepaling een verschil in behandeling zou invoeren onder twee categorieën van werkgevers die geen verzekering tegen arbeidsongevallen hebben gesloten : enerzijds, de werkgever die, bij de arbeidsrechtbank, een beroep instelt tegen de door het Fonds voor arbeidsongevallen genomen beslissing tot ambtshalve aansluiting en, anderzijds, de werkgever die voor de correctionele rechtbank wordt vervolgd wegens het gepleegde misdrijf.

In tegenstelling tot de tweede zou de eerste geen vermindering van de « bijdrage voor ambtshalve aansluiting » kunnen genieten in geval van verzachtende omstandigheden of geen uitstel van de tenuitvoerlegging van de sanctie waarvan hij het voorwerp uitmaakt, kunnen verkrijgen.

B.3. Het staat in de regel aan het rechtscollege dat een prejudiciële vraag aan het Hof stelt, om te oordelen of het antwoord op die vraag nuttig is voor het oplossen van het geschil dat het moet beslechten.

Alleen indien dat klaarblijkelijk niet het geval is, kan het Hof beslissen dat de vraag geen antwoord behoeft.

B.4. In de prejudiciële vraag wordt het Hof verzocht de situatie van een werkgever die, bij de arbeidsrechtbank, een beroep heeft ingesteld tegen een door het Fonds voor arbeidsongevallen genomen beslissing tot ambtshalve aansluiting, te vergelijken met de situatie van een werkgever die voor de correctionele rechtbank wordt vervolgd.

Uit de motieven van de verwijzingsbeslissing en het dossier dat het rechtscollege dat de prejudiciële vraag stelt, aan het Hof heeft bezorgd, blijkt echter dat de aan dat rechtscollege voorgelegde feiten op geen enkele van die twee situaties betrekking hebben. Bij de Arbeidsrechtbank te Nijvel is geen beroep ingesteld tegen de beslissing tot ambtshalve aansluiting van de vereniging zonder winstoogmerk « Incidanse - Centre d'Enseignement Artistique », maar wel een vordering tot betaling van de nog niet betaalde bijdrage, ingesteld door het Fonds voor arbeidsongevallen tegen de schuldenaar ervan.

B.5. Het antwoord op de prejudiciële vraag, die betrekking heeft op andere situaties dan die van de partijen bij het geschil voor het rechtscollege dat de prejudiciële vraag aan het Hof stelt, kan niet nuttig zijn om dat geschil op te lossen.

B.6. De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 21 november 2013.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

J. Spreutels

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag over artikel 50 van de wet van 10 april 1971 betreffende de arbeidsongevallen, gesteld door het Arbeidshof te Brussel. Sociaal recht

  • Sociale zekerheid

  • Arbeidsongevallen

  • Werkgevers die geen verzekering tegen arbeidsongevallen hebben gesloten

  • 1. Werkgever die voor de correctionele rechtbank wordt vervolgd

  • 2. Werkgever die bij de arbeidsrechtbank een beroep instelt tegen de door het Fonds voor arbeidsongevallen genomen beslissing tot ambtshalve aansluiting

  • Geen mogelijkheid van verzachtende omstandigheden of uitstel.