- Arrest van 19 december 2013

19/12/2013 - 176/2013

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

In zoverre zij de toekenning uitsluiten van moratoriuminteresten aan de belastingschuldigen die de terugbetaling verkrijgen van bedrijfsvoorheffingen die zijspontaan hebben betaald op grond van een later door de rechter ontbonden arbeidsovereenkomst, schenden de artikelen 418, eerste lid, en 419, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals zij van toepassing waren vóór de wijziging ervan bij de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen, en artikel 419, eerste lid, 4°, van dat Wetboek, in de bewoordingen ervan sinds die wijziging, de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, A. Alen, J.-P. Snappe, T. Merckx-Van Goey en F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest van 31 januari 2013 in zake de Belgische Staat tegen de vzw « Fonds du Centre Reine Fabiola », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 15 februari 2013, heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schenden de artikelen 418, eerste lid, en 419, eerste lid, WIB 1992, zoals ze van toepassing waren vóór de wijziging ervan bij de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen, en artikel 419, eerste lid, 4°, van dat wetboek, zoals het sinds die wijziging is verwoord, de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in de uitlegging dat ze uitsluiten dat er moratoire interest wordt toegekend aan de belastingplichtigen die de terugbetaling verkrijgen van de bedrijfsvoorheffingen die zij spontaan hebben betaald op grond van een door de rechter achteraf ontbonden arbeidsovereenkomst, doordat ze een discriminatie invoeren :

1° tussen die belastingplichtigen en de belastingplichtigen die de terugbetaling verkrijgen van een belasting, roerende voorheffing of bedrijfsvoorheffing die zij betaald hebben nadat die belasting of voorheffing ten onrechte jegens hen werd ingekohierd, waarbij aan de laatstgenoemde belastingplichtigen moratoire interest wordt toegekend ?

2° tussen die belastingplichtigen en de belastingplichtigen die de terugbetaling verkrijgen van dezelfde voorheffingen, die zij niet spontaan hebben betaald binnen de termijn bepaald in artikel 412 van dat wetboek, maar pas nadat de administratie ze jegens hen had ingekohierd, overeenkomstig artikel 304, § 1, tweede lid, van datzelfde wetboek, waarbij aan de laatstgenoemde belastingplichtigen moratoire interest wordt toegekend ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1.1. De artikelen 418 en 419 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992), zoals zij van toepassing waren vóór de wijziging ervan bij artikel 48 van de wet van 22 december 1998 houdende fiscale en andere bepalingen (Belgisch Staatsblad, 15 januari 1999) en de artikelen 43 en 44 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen (Belgisch Staatsblad, 27 maart 1999), bepaalden :

« Art. 418. Bij terugbetaling van belastingen worden moratoriuminteresten toegekend tegen een rentevoet van 0,8 pct. per kalendermaand.

De Koning kan, wanneer zulks ingevolge de op de geldmarkt toegepaste rentevoeten verantwoord is, dit tarief aanpassen.

Die interesten worden berekend op het bedrag van elke betaling, afgerond op het lagere duizendtal; de maand waarin de betaling is geschied wordt niet medegerekend, doch de maand waarin aan de belastingschuldige het bericht wordt gestuurd dat de terug te betalen som te zijner beschikking stelt, wordt voor een gehele maand geteld.

Art. 419. Geen interest wordt toegekend bij terugbetaling :

1° van de bedrijfsvoorheffingen als bedoeld bij de artikelen 270 tot 275, die ten voordele van de schuldenaar van die voorheffingen geschiedt;

2° van het overschot van voorheffingen en voorafbetalingen als bedoeld bij artikel 304, § 2, die ten voordele van de betrokken belastingplichtige geschiedt;

3° van de overbelastingen als bedoeld bij artikel 376, §§ 1 en 2, die na het verstrijken van de termijnen van bezwaar en beroep van ambtswege geschiedt;

4° van de verminderingen als bedoeld bij artikel 376, § 3, 2°, die na het verstrijken van de termijnen van bezwaar en beroep van ambtswege geschiedt.

Evenmin wordt moratoriuminterest toegekend wanneer hij geen 200 frank per maand bedraagt ».

B.1.2. Artikel 418, eerste lid, van het WIB 1992, zoals gewijzigd bij artikel 43 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen, bepaalt :

« Bij terugbetaling van belastingen, voorheffingen, voorafbetalingen, nalatigheidsinterest, belastingverhogingen of administratieve boeten, wordt moratoriuminterest toegekend tegen de wettelijke rentevoet, berekend per kalendermaand ».

Artikel 419 van het WIB 1992, zoals vervangen bij artikel 44 van de voormelde wet van 15 maart 1999, bepaalt :

« Geen moratoriuminterest wordt toegekend :

1° wanneer hij geen 200 frank per maand bedraagt;

2° wanneer de terugbetaling voortvloeit uit de kwijtschelding of de vermindering van een boete of een belastingverhoging toegekend als genademaatregel;

3° in geval van terugbetaling van het overschot van bedrijfsvoorheffing, roerende voorheffing of voorafbetalingen aan de verkrijger van de inkomsten, uiterlijk op het einde van de tweede maand die volgt op de maand waarin de aanslagtermijn vermeld in artikel 359 of in artikel 353 is verstreken;

4° in geval van terugbetaling van als roerende voorheffing of als bedrijfsvoorheffing gestorte bedragen aan de in de artikelen 261 en 270 bedoelde schuldenaars ervan;

5° in geval van terugbetaling van voorafbetalingen, met toepassing van artikel 376, § 4.

Wanneer de terugbetaling plaatsheeft na het verstrijken van de in het eerste lid, 3°, vastgestelde termijn, is de moratoriuminterest verschuldigd vanaf de dag volgend op die termijn ».

B.2.1. De verwijzende rechter stelt aan het Hof een vraag over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, van de in het geding zijnde bepalingen in zoverre zij in die zin worden geïnterpreteerd dat zij de toekenning uitsluiten van moratoriuminteresten aan de belastingschuldigen die de terugbetaling verkrijgen van bedrijfsvoorheffingen die zij spontaan hebben betaald op grond van een arbeidsovereenkomst die later door de rechter werd ontbonden, daar zij een discriminatie zouden invoeren, enerzijds, tussen die belastingschuldigen en de belastingschuldigen die de terugbetaling verkrijgen van een belasting, een roerende voorheffing of een bedrijfsvoorheffingdie zij hebben betaald nadat die belasting of die voorheffing ten onrechte te hunnen laste was ingekohierd, waarbij aan die laatstgenoemde belastingschuldigen moratoriuminteresten worden toegekend en, anderzijds, tussen die belastingschuldigen en de belastingschuldigen die de terugbetaling verkrijgen van dezelfde voorheffingen die zij niet spontaan hebben betaald binnen de termijn bedoeld in artikel 412 van het voormelde Wetboek, maar enkel nadat de administratie die te hunnen laste had ingekohierd, overeenkomstig artikel 304, § 1, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, waarbij moratoriuminteresten worden toegekend aan die laatstgenoemde belastingschuldigen.

B.2.2. Uit de motieven van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het geschil betrekking heeft op de terugbetaling van bedrijfsvoorheffingen die de verwerende partij voor de verwijzende rechter, belastingschuldige volgens artikel 270 van het WIB 1992, aan de Belgische Staat heeft betaald en die zijn ingehouden op bezoldigingen die zijn uitgekeerd op grond van een later ontbonden arbeidsovereenkomst, zonder dat die het voorwerp hebben uitgemaakt van een inkohiering door de diensten van de Belgische Staat. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die hypothese.

Het staat aan de rechter waarvoor het geschil aanhangig is gemaakt, te oordelen of de belasting al dan niet is ingekohierd en of de bedrijfsvoorheffingen zijn verrekend met de belasting.

B.3. De artikelen 418 en 419 van het WIB 1992 vinden hun oorsprong in artikel 74, vijfde en zesde lid, van de gecoördineerde wetten van 15 januari 1948 betreffende de inkomstenbelastingen, ingevoegd bij artikel 5 van de wet van 27 juli 1953. Nadat die bepalingen het beginsel hadden gesteld van de betaling van moratoriuminteresten door de Staat in geval van terugbetaling van belasting, voorzagen zij in een uitzondering, met name wanneer de terugbetaling « aan de bron verschuldigde belastingen » betrof, thans « voorheffingen » genoemd.

De memorie van toelichting van de wet van 27 juli 1953 stelt dat « deze bepaling, die dateert van de wet van 28 februari 1924, was gesteund op redenen van billijkheid » (Parl. St., Kamer, 1952-1953, nr. 277, p. 9) en dat, zoals de nalatige belastingplichtigen verwijlinteresten moeten betalen aan de Staat, « om dezelfde redenen [...] het dan ook billijk [is] moratoire interesten aan de belastingplichtigen toe te kennen telkens de Staat een gekweten belasting terugbetaalt [...] » (ibid., p. 10).

De uitzondering, inzonderheid in verband met de terugbetaling van de aan de bron verschuldigde belastingen, thans overeenstemmende met het overschot van voorheffing, wordt in de parlementaire voorbereiding van de wet als volgt gemotiveerd :

« [...] de terugbetaling [kan] voortspruiten namelijk uit vergissingen begaan door de schuldenaar van het inkomen die verantwoordelijk is voor de storting van de belasting in de Schatkist maar deze last niet zelf draagt of niet geacht wordt hem zelf te dragen, uit de toepassing van artikel 52, waarbij maatregelen voorzien worden ten einde de dubbele belasting van dezelfde inkomsten in hoofde van dezelfde belastingplichtige te vermijden, en ten slotte uit de regularisatie van de fiscale toestand van de wedde-, loon-, pensioentrekkenden, enz., wanneer het bedrag van de bij de bron ingehouden belasting hoger is dan dit der belastingen werkelijk vorderbaar op het geheel der bedrijfsinkomsten van de belastingplichtige.

De toekenning van moratoire interesten in voormelde gevallen zou doorgaans op aanzienlijk materiële moeilijkheden stuiten, en zulks zonder werkelijk nut. Zij zou anderdeels ongerechtvaardigd zijn wanneer zij het gevolg is van vergissingen in de storting der bij de bron verschuldigde belastingen, of van de toepassing van artikel 52, vermits in het eerste geval, het de schuldenaar van de belasting practisch onmogelijk zou zijn de moratoire interesten te verdelen over de werkelijke belastingplichtigen, te weten de begunstigden der belastbare inkomsten en, in de tweede onderstelling, de terugbetaling niet toegestaan wordt aan de werkelijke begunstigden van de inkomsten, doch aan de vennootschap die de last van de mobiliënbelasting niet zelf droeg of niet geacht wordt die last te hebben gedragen » (ibid., p. 10).

B.4.1. Zoals het Hof in zijn arresten nrs. 35/99, 113/2001, 20/2007 en 24/2008 heeft geoordeeld, kan het worden verantwoord dat geen enkele interest verschuldigd is bij terugbetaling van voorheffingen wanneer de schuldenaar spontaan meer heeft betaald dan hij verschuldigd was of wanneer het praktisch onmogelijk is de datum vast te stellen waarop de interesten zijn beginnen te lopen die moeten worden verdeeld onder de belastingplichtigen ten gunste van wie de inhoudingen zijn gebeurd door de schuldenaar van de voorheffingen. Zulks is met name het geval voor het overschot van bedrijfsvoorheffingen wanneer zij niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een inkohiering op naam van de schuldenaar.

Niets verantwoordt daarentegen dat moratoriuminteresten worden geweigerd wanneer het gaat om roerende voorheffingen, wanneer de niet tijdig uitgevoerde terugbetaling van hun overschot is toe te schrijven aan een vergissing van de administratie en wanneer het mogelijk is de datum vast te stellen waarop de interesten beginnen te lopen (arresten nrs. 35/99 en 20/2007). Het is evenmin verantwoord moratoriuminteresten te weigeren wanneer het gaat om roerende voorheffingen, wanneer de terugbetaling ervan noodzakelijk wordt gemaakt door het verstrijken van de wettelijke aanslagtermijn zodat het onmogelijk is ze aan te rekenen op de belasting en wanneer het mogelijk is de datum vast te stellen waarop de interesten beginnen te lopen (arrest nr. 113/2001 van 20 september 2001).

Een bijkomend onderscheid invoeren, naargelang de voorheffing het voorwerp heeft uitgemaakt van een inkohiering, berust op een criterium dat niet pertinent is ten aanzien van het nagestreefde doel (arresten nrs. 35/99 en 20/2007).

B.4.2. Bij zijn arrest nr. 85/2004 van 12 mei 2004 oordeelt het Hof dat het niet verantwoord blijkt moratoriumintresten toe te kennen in het geval van terugbetaling van een belasting en niet in het geval van een belastingverhoging. In beide gevallen gaat het immers om het terugbetalen van een door de Staat onterecht ontvangen som, die door de belastingadministratie is ingehouden en die aan de belastingplichtigen interesten ontzegt op de sommen die hun onterecht zijn ontnomen. De eigen kenmerken van de belasting en van de belastingverhoging zijn niet relevant om te verantwoorden dat de terugbetaling ervan het voorwerp zou zijn van een verschillende behandeling wat de moratoriumintresten betreft. Ten gevolge van dat arrest werd een beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 418, eerste lid, van het WIB 1992, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij de wet van 15 maart 1999. Bij het arrest nr. 52/2006 van 19 april 2006 werd dat beroep verworpen, nu het artikel 418 van het WIB 1992 (vroeger artikel 308 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1964), vóór de wijziging ervan bij artikel 43 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen, in die zin moet worden geïnterpreteerd dat het toestaat dat moratoriuminteresten worden toegekend bij de terugbetaling van belastingverhogingen.

B.5. Bij zijn arrest nr. 24/2008 van 21 februari 2008 heeft het Hof geoordeeld dat de beginselen waarmee rekening is gehouden in de voormelde arresten, die betrekking hebben op de terugbetaling van roerende voorheffingen en belastingverhogingen, ook moeten worden toegepast wanneer niet-verrekende beroepsvoorheffingen in het geding zijn.

Daaruit volgt dat het kan worden verantwoord dat geen enkele interest verschuldigd is bij terugbetaling van een niet-verrekende bedrijfsvoorheffing wanneer de schuldenaar spontaan meer heeft betaald dan hij verschuldigd is of wanneer het praktisch onmogelijk is de datum vast te stellen waarop de interesten zijn beginnen te lopen die moeten worden verdeeld onder de belastingplichtigen ten gunste van wie de inhoudingen zijn gebeurd door de schuldenaar van de voorheffingen.

Niets verantwoordt daarentegen dat moratoriuminteresten worden geweigerd wanneer het gaat om niet verrekende bedrijfsvoorheffingen, wanneer de niet-tijdig uitgevoerde terugbetaling van hun overschot is toe te schrijven aan een vergissing van de administratie, en wanneer het mogelijk is de datum vast te stellen waarop de interesten beginnen te lopen die niet moeten worden verdeeld tussen verschillende belastingplichtigen.

B.6. In de onderhavige zaak is de terugbetaling van de niet-verrekende bedrijfsvoorheffingen die de verwerende partij voor de verwijzende rechter spontaan heeft betaald op grond van een arbeidsovereenkomst, niet toe te schrijven aan een vergissing van de administratie. Zij houdt verband met de ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de rechter. Zij kan evenwel, in het licht van het doel van de wetgever, zoals het voortvloeit uit de in B.3 aangehaalde parlementaire voorbereiding, de weigering van moratoriuminteresten niet verantwoorden vermits op het ogenblik van de betaling de schuldenaar niet spontaan meer heeft betaald dan hetgeen hij verschuldigd was en het niet praktisch onmogelijk is de datum vast te stellen waarop de interesten beginnen te lopen. Door de ontbinding van de arbeidsovereenkomst is de grond van de betaling van de bedrijfsvoorheffingen met retroactieve werking verdwenen. Aangezien de rechter heeft geoordeeld dat de verwerende partij de terugbetaling van de spontaan betaalde bedrijfsvoorheffingen moet verkrijgen, omdat de arbeidsovereenkomst later door de rechter is ontbonden, is het niet redelijk verantwoord dat moratoriuminteresten worden geweigerd.

B.7. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

In zoverre zij de toekenning uitsluiten van moratoriuminteresten aan de belastingschuldigen die de terugbetaling verkrijgen van bedrijfsvoorheffingen die zij spontaan hebben betaald op grond van een later door de rechter ontbonden arbeidsovereenkomst, schenden de artikelen 418, eerste lid, en 419, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals zij van toepassing waren vóór de wijziging ervan bij de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen, en artikel 419, eerste lid, 4°, van dat Wetboek, in de bewoordingen ervan sinds die wijziging, de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 19 december 2013.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

J. Spreutels

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag over de artikelen 418, eerste lid, en 419, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij de wet van 15maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen, en artikel 419, eerste lid, 4°, van hetzelfde Wetboek, zoals van toepassing sinds die wijziging, gesteld door het Hof van Cassatie. Fiscaal recht

  • Inkomstenbelastingen

  • Personenbelasting

  • Beroepsinkomsten

  • Bedrijfsvoorheffingen die spontaan werden betaald op grond van een later door de rechter ontbonden arbeidsovereenkomst

  • Terugbetaling

  • Ontstentenis van toekenning van moratoriumintresten.