- Arrest van 19 december 2013

19/12/2013 - 178/2013

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 62, achtste lid, van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 16 maart 1968, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, A. Alen, J.-P. Snappe, T. Merckx-Van Goey en F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

a. Bij drie vonnissen van 15 januari 2013 in zake het openbaar ministerie tegen respectievelijk Vincent Truyens, Emmanuel Marchandise en Jeoffrey Dewever, waarvan de expedities ter griffie van het Hof zijn ingekomen op 21 februari 2013, heeft de Correctionele Rechtbank te Bergen de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 62, achtste lid, van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, in zoverre het bepaalt dat een afschrift van de processen-verbaal binnen een termijn van veertien dagen 'aan de overtreders' en niet 'aan de overtreders en/of aan de houders van de nummerplaat' moet worden toegezonden, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet wanneer het in die zin wordt geïnterpreteerd dat enkel de processen-verbaal waarvan een afschrift binnen de termijn van veertien dagen vanaf de datum van de vaststelling van het misdrijf werd verstuurd naar de overtreder, zoals een natuurlijke persoon die houder is van de nummerplaat (en die zodoende wordt vermoed de ' overtreder ' te zijn aangezien hij krachtens artikel 67bis van de wet van 16 maart 1968 wordt vermoed de overtreding te hebben begaan) of elke persoon van wie zou worden bevestigd dat hij de overtreder is, de in artikel 62, tweede lid, van de genoemde wet bedoelde bijzondere bewijswaarde hebben, terwijl de processen-verbaal waarvan een afschrift werd verstuurd naar een rechtspersoon die houder is van de nummerplaat, ten aanzien van wie er geen vermoeden van schuld bestaat, die bijzondere bewijswaarde niet zouden hebben ? ».

b. Bij vonnis van 11 april 2013 in zake het openbaar ministerie tegen Pol Hainaut, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 22 april 2013, heeft de Correctionele Rechtbank te Bergen dezelfde prejudiciële vraag gesteld.

Die zaken, ingeschreven onder de nummers 5579, 5580, 5581 en 5625 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.

(...)

III. In rechte

(...)

B.1.1. Het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 62, achtste lid, van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 16 maart 1968.

B.1.2. Artikel 62 van de voormelde wetten bepaalt :

« De overheidspersonen die door de Koning worden aangewezen om toezicht te houden op de naleving van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, stellen de overtredingen vast door processen-verbaal die bewijskracht hebben zolang het tegendeel niet is bewezen.

De vaststellingen gesteund op materiële bewijsmiddelen die door bemande automatisch werkende toestellen worden opgeleverd, hebben bewijskracht zolang het tegendeel niet is bewezen, wanneer het gaat om overtredingen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten.

De vaststellingen gesteund op materiële bewijsmiddelen die door onbemande automatisch werkende toestellen worden opgeleverd, hebben bewijskracht zolang het tegendeel niet bewezen is, wanneer het gaat om overtredingen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten vermeld in een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit. Wanneer een overtreding werd vastgesteld door onbemande automatisch werkende toestellen, wordt er melding van gemaakt in het proces-verbaal.

De automatisch werkende toestellen, gebruikt om toezicht te houden op de naleving van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, moeten goedgekeurd of gehomologeerd worden, op kosten van de fabrikanten, invoerders of verdelers die de goedkeuring of homologatie aanvragen, overeenkomstig de bepalingen vastgesteld door een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, waarin bovendien bijzondere gebruiksmodaliteiten van deze toestellen kunnen worden vastgesteld.

De Koning kan, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de bijzondere voorwaarden voor het gebruik, de raadpleging en de bewaring van de gegevens die door deze toestellen worden opgeleverd, vaststellen. Wanneer de Commissie geen advies heeft uitgebracht binnen de haar wettelijk voorgeschreven termijnen, wordt zij geacht akkoord te gaan.

Onverminderd de bepalingen van artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering, mogen de toestellen en de inlichtingen die deze toestellen verstrekken, slechts worden gebruikt voor gerechtelijke doeleinden in verband met de bestraffing van de overtredingen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, begaan op de openbare weg, alsook met het oog op de regeling van het wegverkeer.

Wanneer de toestellen bestemd zijn om te worden gebruikt als vaste uitrusting op de openbare weg, in afwezigheid van een bevoegd persoon, worden de plaatsing en de gebruiksomstandigheden bepaald tijdens overleg, georganiseerd door de bevoegde gerechtelijke, politionele en administratieve overheden, waaronder de wegbeheerders. De Koning bepaalt de bijzondere modaliteiten van dit overleg. De plaatsing op de openbare weg van vaste uitrustingen voor onbemand automatisch werkende toestellen, wordt uitgevoerd met instemming van de wegbeheerder.

Een afschrift van die processen-verbaal wordt aan de overtreders gezonden binnen een termijn van veertien dagen, te rekenen van de datum van vaststelling van de misdrijven.

[...] ».

B.2. De verwijzende rechter stelt het Hof vragen over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van het in het geding zijnde artikel 62, achtste lid, in zoverre het een discriminatie zou doen ontstaan tussen de overtreders die als natuurlijke persoon houder zijn van een nummerplaat en de overtreders die rijden met een voertuig dat op naam van een rechtspersoon is ingeschreven. Enkel de processen-verbaal waarvan het afschrift binnen een termijn van veertien dagen vanaf de vaststelling van het misdrijf werd verstuurd naar de eerste categorie of naar elke persoon van wie zou worden bevestigd dat hij de overtreder is, zouden de bijzondere bewijswaarde hebben die het tweede lid van dezelfde bepaling eraan verleent, terwijl een dergelijk gevolg niet zou worden toegekend aan de processen-verbaal waarvan het afschrift naar de tweede categorie werd verstuurd.

B.3. Zoals de Ministerraad opmerkt, dient het voormelde artikel 62 te worden gelezen in het licht van de artikelen 67bis en 67ter van dezelfde gecoördineerde wetten, die bepalen :

« Art. 67bis. Wanneer een overtreding van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten is begaan met een motorvoertuig, ingeschreven op naam van een natuurlijke persoon, en de bestuurder bij de vaststelling van de overtreding niet geïdentificeerd werd, wordt vermoed dat deze is begaan door de titularis van de nummerplaat van het voertuig. Het vermoeden van schuld kan worden weerlegd met elk middel.

Art. 67ter. Wanneer een overtreding van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten is begaan met een motorvoertuig, ingeschreven op naam van een rechtspersoon, zijn de natuurlijke personen die de rechtspersoon in rechte vertegenwoordigen ertoe gehouden de identiteit van de bestuurder op het ogenblik van de feiten mee te delen of, indien zij die niet kennen, de identiteit van de persoon die het voertuig onder zich heeft.

De mededeling moet gebeuren binnen een termijn van 15 dagen te rekenen vanaf de datum waarop de vraag om inlichtingen gevoegd bij het afschrift van het proces-verbaal werd verstuurd.

Indien de persoon die het voertuig onder zich heeft niet de bestuurder was op het ogenblik van de feiten moet hij eveneens, op de wijze hierboven vermeld, de identiteit van de bestuurder meedelen.

De natuurlijke personen die de rechtspersoon in rechte vertegenwoordigen als titularis van de nummerplaat of als houder van het voertuig, zijn ertoe gehouden de nodige maatregelen te nemen om aan deze verplichting te voldoen ».

B.4.1. Volgens de Ministerraad zou de gestelde vraag klaarblijkelijk niet nuttig zijn om de aan de verwijzende rechter voorgelegde geschillen te beslechten. Hoewel de voertuigen zijn ingeschreven op naam van rechtspersonen, zouden de natuurlijke personen, daders van de gepleegde misdrijven, de feiten immers hebben toegegeven, zodat zij zich niet op het gebrek aan bewijswaarde van de processen-verbaal die naar hen werden verstuurd, zouden kunnen beroepen om een vrijspraak te verkrijgen, zoals de betrokkenen voor de verwijzende rechter aanvoeren.

B.4.2. Het staat in beginsel aan de rechter die een prejudiciële vraag stelt te oordelen of het antwoord op die vraag nuttig is voor de oplossing van het geschil dat hij moet beslechten. Slechts wanneer dit klaarblijkelijk niet het geval is, vermag het Hof te beslissen dat de vraag geen antwoord behoeft.

B.4.3. Aangezien de overtreding in elk van de zaken die bij de verwijzende rechter aanhangig zijn gemaakt, werd begaan met een voertuig waarvan, enerzijds, de bestuurder (die met een hogere snelheid dan de toegestane maximumsnelheid zou hebben gereden) de bewijswaarde van de met een flitspaal gedane vaststellingen betwist en dat, anderzijds, toebehoort aan een rechtspersoon - houder van de nummerplaat - aan wie kennis is gegeven van het proces-verbaal en die dat voertuig heeft verhuurd aan een rechtspersoon op wiens naam het verhuurcontract werd afgesloten door de overtreder, kan worden aangenomen dat een vergelijking van de situatie van de overtreders, natuurlijke personen, die houder zijn van een nummerplaat en die een proces-verbaal met een bijzondere bewijswaarde hebben gekregen, met die van de overtreders die een overtreding hebben begaan met een voertuig waarvoor een rechtspersoon de houder van de nummerplaat is en ten aanzien van wie het proces-verbaal dat hun wordt overgezonden, niet over een dergelijke bewijswaarde beschikt, nuttig is voor de oplossing van het geschil.

B.4.4. De exceptie wordt verworpen.

B.5.1. Artikel 62 van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer vindt zijn oorsprong in artikel 4 van de wet van 1 augustus 1899 houdende herziening der wetgeving en der reglementen op de politie van het vervoer (Belgisch Staatsblad, 25 augustus 1899), dat bepaalde :

« De ambtenaren en beambten der overheid, door de Regeering aangesteld om over de uitvoering dezer wet te waken, stellen de misdrijven tegen de wet en tegen de verordeningen vast door processen-verbaal, die volledig bewijs opleveren zoolang het tegendeel niet bewezen is.

Een afschrift van deze processen-verbaal wordt aan de overtreders gestuurd binnen de acht en veertig uren na de vaststelling der misdrijven.

[...] ».

Het eerste lid van dat artikel 62 is vervangen bij artikel 8 van de wet van 4 augustus 1996 « betreffende de erkenning en het gebruik van bemande en onbemande automatisch werkende toestellen in het wegverkeer » (Belgisch Staatsblad, 12 september 1996), in de huidige redactie ervan.

B.5.2. Door de wet van 4 augustus 1996 aan te nemen, wou de wetgever maatregelen nemen met het oog op een actieve aanpak van de verkeersonveiligheid. Aldus wou hij, uit zorg voor preventie, het onbemand verbaliseren juridisch-technisch mogelijk maken aangezien de pakkans de bestuurders aanzet tot inachtneming van de verkeersregels. Hij wou eveneens een controletechniek invoeren die minder inzet van menselijke middelen met zich meebrengt (Parl. St., Kamer, 1995-1996, nr. 577/1, pp. 1 en 2, en nr. 577/7, p. 4). Het is eveneens met het oog op het vermijden van de toename van de betwistingen van vaststellingen « in de vlucht » en om te voorkomen dat een aantal zware overtreders aan elke sanctie kan ontsnappen, dat de wetgever artikel 67bis in dezelfde gecoördineerde wetten heeft ingevoegd, door te voorzien in een « vermoeden van schuld » ten laste van de houder van de nummerplaat van een motorvoertuig waarmee een overtreding is begaan, alsook in het in artikel 67ter van dezelfde wetten bedoelde mechanisme voor de rechtspersonen die houder zijn van de nummerplaat (Parl. St., Kamer, 1995-1996, nr. 577/2, pp. 9 en 10).

B.6. De termijn waarbinnen het afschrift van de processen-verbaal aan de overtreders moet worden toegezonden, werd bij artikel 29 van de wet van 7 februari 2003 houdende verschillende bepalingen inzake verkeersveiligheid (Belgisch Staatsblad, 25 februari 2003) op veertien dagen gebracht « omdat er verschillende partijen betrokken zijn bij de procedure », waarbij een kortere termijn moeilijk na te leven leek (Parl. St., Kamer, 2001-2002, DOC 50-1915/001, p. 16).

B.7. Het bij artikel 67bis van de gecoördineerde wetten betreffende de politie over het wegverkeer ingevoerde vermoeden van schuld wijkt af van het beginsel volgens hetwelk de bewijslast op de vervolgende partij weegt. Die afwijking is echter verantwoord, in het licht van het in B.5.2 beschreven doel dat door de wetgever is nagestreefd, door de onmogelijkheid om, in een aangelegenheid waarin er talloze en vaak slechts vluchtig vast te stellen overtredingen zijn, de identiteit van de dader anders en met zekerheid vast te stellen. Dat vermoeden kan bovendien worden weerlegd aangezien het bewijs van het tegendeel met elk rechtsmiddel mogelijk is. Bij zijn arrest nr. 27/2000 van 21 maart 2000 heeft het Hof geoordeeld dat een dergelijk vermoeden geen inbreuk maakt op het vermoeden van onschuld dat onder meer is gewaarborgd door artikel 6.2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

B.8. De bijzondere wettelijke bewijswaarde die bij het in het geding zijnde artikel 62 wordt verleend aan de processen-verbaal waarvan het afschrift aan de overtreder moet worden toegezonden binnen de termijn waarin het voorziet, vormt een uitzondering op de algemene regel dat een proces-verbaal geldt als loutere inlichting, alsook op de regel van de vrije bewijslevering in strafzaken, waarbij de rechter, naar eigen overtuiging, de bewijswaarde van een bepaald element beoordeelt. Die processen-verbaal hebben dan ook tot gevolg dat de beklaagde in een situatie wordt gebracht die verschilt van die welke de regel is in het strafprocesrecht.

Een dergelijke maatregel wordt verantwoord door de moeilijke bewijsbaarheid van het begaan van overtredingen die, zoals het Hof in B.7 heeft aangegeven, vaak slechts vluchtig vast te stellen zijn en waarvan de vaststelling wordt bemoeilijkt door de mobiliteit van het voertuig. De in het achtste lid van de in het geding zijnde bepaling vastgelegde termijn van veertien dagen maakt het de overtreder mogelijk het tegenbewijs te leveren, waarbij dat bewijs kan worden geleverd door alle wettelijke bewijsmiddelen die door de rechter worden beoordeeld. Indien aldus het bewijs wordt geleverd dat de natuurlijke persoon die houder is van de nummerplaat, niet de dader van het misdrijf is, zal het proces-verbaal de bewijswaarde verliezen die artikel 62, tweede lid, van de gecoördineerde wetten eraan geeft om enkel als inlichting door de rechter te worden beoordeeld.

B.9. De kenmerken zelf van de rechtspersoon staan eraan in de weg dat een vermoeden van schuld wordt ingesteld zoals datgene dat bij artikel 67bis van de gecoördineerde wetten betreffende de politie over het wegverkeer is ingevoerd. Het is overigens om reden van de onmogelijkheid om een rechtstreeks verband vast te stellen tussen het voertuig waarmee de overtreding is begaan, wanneer dat voertuig is ingeschreven op naam van een rechtspersoon, en de dader van de overtreding dat de wetgever in artikel 67ter van de gecoördineerde wetten heeft voorzien in de verplichting om de identiteit mee te delen van de bestuurder of van de persoon die het voertuig onder zich heeft op het ogenblik van de overtreding, op straffe van sanctie.

Zoals het Hof eveneens bij zijn arrest nr. 5/2007 van 11 januari 2007 heeft geoordeeld, heeft de ontstentenis van een wettelijk vermoeden van toerekenbaarheid in artikel 67ter niet tot gevolg dat wordt verhinderd dat de verkeersovertredingen ten laste worden gelegd van een natuurlijke persoon of een rechtspersoon, aangezien die tenlastelegging dient te gebeuren door de rechter volgens de regels van het gemeen recht.

B.10. Aangezien verschillende regels van toerekenbaarheid van verkeersovertredingen moeten gelden ten aanzien van rechtspersonen, in zoverre het onmogelijk is een rechtstreeks verband te leggen tussen het voertuig waarmee ze zijn begaan en de dader ervan, is het redelijk verantwoord dat het proces-verbaal dat met toepassing van artikel 67ter aan die dader wordt toegezonden via de rechtspersoon die houder is van de nummerplaat, te zijnen aanzien niet de bewijswaarde heeft die wordt toegekend aan de processen-verbaal die zijn toegezonden aan de natuurlijke persoon, dader van het misdrijf dat is gepleegd met een voertuig waarvan hij de houder van de nummerplaat is.

Voor het overige bevindt de overtreder die rijdt met een voertuig dat op naam van een rechtspersoon is ingeschreven en aan wie een dergelijk proces-verbaal wordt toegezonden, zich in een situatie die identiek is aan die van de overtreder die een verkeersovertreding heeft begaan met een voertuig waarvan de houder van de nummerplaat een andere natuurlijke persoon dan de dader van het misdrijf is. In beide gevallen gelden de processen-verbaal waarbij de gepleegde misdrijven worden vastgesteld, wat hen betreft, immers als gewone inlichtingen.

B.11. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 62, achtste lid, van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 16 maart 1968, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 19 december 2013.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

J. Spreutels

Vrije woorden

  • Prejudiciële vragen over artikel 62, achtste lid, van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 16 maart 1968, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Bergen. Bestuursrecht

  • Stedenbouw en ruimtelijke ordening

  • Vlaams Gewest

  • Vordering van herstelmaatregelen

  • 1. Betaling van de meerwaarde

  • 2. Publieke herstelvordering

  • Herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand of de uitvoering van bouw of aanpassingswerken

  • Voorwaarden. # Rechten en vrijheden

  • Recht op de bescherming van een gezond leefmilieu

  • Standstill-verplichting.