- Arrest van 19 december 2013

19/12/2013 - 167/2013

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 40ter van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, zoals vervangen bij artikel 9 van de wet van 8 juli 2011, schendt niet de artikelen 10, 11, 22 en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de aangevoerde internationaalrechtelijke bepalingen.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en M. Bossuyt, en de rechters A. Alen, J.-P. Snappe, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey en T. Giet, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

a. Bij arrest nr. 90.621 van 26 oktober 2012 in zake Thi Ngoc Anh Ngo tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 7 november 2012, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 9 van de wet van 8 juli 2011 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen [wat betreft de voorwaarden tot gezinshereniging] de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 18 tot 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, de artikelen 2, 3, 7 en 24 van de Richtlijn 2004/38/EG van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en de artikelen 7, 20, 21 en 45 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in zoverre het, zonder objectieve en redelijke verantwoording, een verschil in behandeling creëert tussen twee categorieën van burgers van de Unie, namelijk de Belgen - los van het feit of zij al dan niet gebruik hebben gemaakt van hun recht van vrij verkeer van personen op het grondgebied van de andere lidstaten van de Europese Unie - en de andere burgers van de Unie die in België een verblijfsrecht van meer dan drie maanden genieten, doordat de eerstgenoemden zijn uitgesloten van het voordeel van gezinshereniging met hun echtgenoot indien deze of zijzelf minder dan eenentwintig jaar oud zijn ? ».

b. Bij arrest nr. 90.068 van 22 oktober 2012 in zake Issam Gaidi tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 7 november 2012, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 40ter, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, zoals dat artikel is gewijzigd bij artikel 9 van de wet van 8 juli 2011, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 12 september 2011, de artikelen 10, 11, 22 en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 8 (Recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven) en 14 (Verbod van discriminatie) van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 3 van het Vierde Protocol erbij, met artikel 12 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met de artikelen 18, 20 en 21 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), met de artikelen 2, 7 en 8 van de Richtlijn 2004/38/EG van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, in zoverre het een discriminatie teweegbrengt tussen de buitenlandse echtgenoot (of andere familieleden) van een Belg - ongeacht het feit of die zijn recht op vrij verkeer van personen al dan niet reeds heeft uitgeoefend - en de buitenlandse echtgenoot (of andere familieleden) van een burger van de Unie doordat het het recht op gezinshereniging van de echtgenoot van een Belg aan striktere toekenningsvoorwaarden in termen van voldoende huisvesting en bestaansmiddelen koppelt dan voor de echtgenoten (of andere familieleden) van een burger van de Unie die onder de gunstigere regeling van artikel 40bis van de wet van 15 december 1980 vallen ? ».

Die zaken, ingeschreven onder de nummers 5512 en 5513 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.

(...)

III. In rechte

(...)

Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling

B.1.1. De prejudiciële vragen hebben betrekking op artikel 9 van de wet van 8 juli 2011 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen wat betreft de voorwaarden tot gezinshereniging.

B.1.2. De in het geding zijnde bepaling vervangt artikel 40ter van de voormelde wet van 15 december 1980, dat voortaan bepaalt :

« De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de familieleden van een Belg, voor zover het betreft :

- de familieleden vermeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° tot 3°, die de Belg begeleiden of zich bij hem voegen;

- de familieleden vermeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 4° die de ouders zijn van een minderjarige Belg, die hun identiteit aantonen met een identiteitsdocument en die de Belg begeleiden of zich bij hem voegen.

Voor wat betreft de in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° tot 3° bedoelde familieleden moet de Belgische onderdaan aantonen :

- dat hij over stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen beschikt. Aan die voorwaarde wordt geacht voldaan te zijn indien de bestaansmiddelen ten minste gelijk zijn aan honderd twintig procent van het bedrag bedoeld in artikel 14, § 1, 3° van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie. Bij het beoordelen van deze bestaansmiddelen :

1° wordt rekening gehouden met hun aard en regelmatigheid;

2° worden de middelen verkregen uit de aanvullende bijstandsstelsels, met name het leefloon en de aanvullende gezinsbijslagen, alsook de financiële maatschappelijke dienstverlening en de gezinsbijslagen niet in aanmerking genomen;

3° worden de wachtuitkering en de overbruggingsuitkering niet in aanmerking genomen en wordt de werkloosheidsuitkering enkel in aanmerking genomen voor zover de betrokken echtgenoot of partner kan bewijzen dat hij actief werk zoekt.

- dat hij over behoorlijke huisvesting beschikt die toelaat het familielid of de familieleden, die gevraagd heeft of hebben om zich bij hem te komen voegen, te herbergen en die voldoet aan de voorwaarden die gesteld worden aan een onroerend goed dat wordt verhuurd als hoofdverblijfplaats zoals bepaald in het artikel 2 van Boek III, Titel VIII, Hoofdstuk II, Afdeling 2 van het Burgerlijk Wetboek en over een ziektekostenverzekering beschikt die de risico's in België voor hem en zijn familieleden dekt. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de wijze waarop de vreemdeling bewijst dat het onroerend goed voldoet aan de gestelde voorwaarden.

Voor wat betreft de in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° bedoelde personen, dienen beide echtgenoten of partners ouder te zijn dan eenentwintig jaar.

Onder de voorwaarden vermeld in artikel 42ter en artikel 42quater kan voor het familielid van een Belg eveneens een einde worden gesteld aan het verblijf wanneer niet meer is voldaan aan de in het tweede lid vastgestelde voorwaarden ».

B.1.3. Aan de oorsprong van de wet van 8 juli 2011 liggen verschillende wetsvoorstellen ten grondslag (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-0443/018, verslag, pp. 1 en volgende). Zij namen vervolgens de vorm van een « globaal amendement » aan (ibid., DOC 53-0443/015), dat de basistekst is geworden.

B.1.4. Tijdens de parlementaire voorbereiding werd erop gewezen dat in België meer dan 50 pct. van de afgegeven visa betrekking hebben op gezinshereniging die de voornaamste bron van legale immigratie vormt.

De verschillende wetsvoorstellen bevestigen dat het recht op de bescherming van het gezinsleven een belangrijke maatschappelijke waarde is en dat migratie via gezinshereniging mogelijk moet zijn. Zij beogen evenwel het verlenen van een verblijfsrecht in het kader van gezinshereniging beter te reguleren teneinde de migratiestroom en de migratiedruk te beheersen. Voornamelijk willen ze bepaalde misbruiken of gevallen van fraude voorkomen of ontmoedigen, bijvoorbeeld op het vlak van schijnhuwelijken, schijnpartnerschappen en schijnadopties. Tevens werd de noodzaak aangevoerd om de voorwaarden voor gezinshereniging bij te sturen teneinde te voorkomen dat de gezinsleden die zich in België komen vestigen, ten laste vallen van de overheid of dat de gezinshereniging in mensonwaardige omstandigheden zou plaatsvinden, bijvoorbeeld door het ontbreken van behoorlijke huisvesting. Ten slotte werd in de parlementaire voorbereiding er ook bij herhaling op gewezen dat de wetgever bij het regelen van de voorwaarden voor gezinshereniging, rekening dient te houden met de verplichtingen die volgen uit het recht van de Europese Unie.

Ten aanzien van de ontstentenis van een overgangsbepaling

B.2.1. Uit de motieven van de verwijzingsbeslissing in de zaak nr. 5513 blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aan het Hof een vraag stelt over de ontstentenis van een overgangsbepaling die de inwerkingtreding regelt van de nieuwe regelgeving die bij de in het geding zijnde bepaling is ingevoerd, hetgeen volgens de verwijzende rechter tot gevolg heeft dat zij van toepassing is op de vreemdeling wiens aanvraag tot erkenning van een verblijfsrecht op grond van de gezinshereniging is ingediend vóór de inwerkingtreding van de in het geding zijnde bepaling en op het ogenblik van die inwerkingtreding nog steeds hangende is.

Het Hof wordt verzocht de bestaanbaarheid van de situatie van die vreemdeling met de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet te onderzoeken door ze te vergelijken met de situatie van de vreemdeling die een identieke aanvraag vóór de datum van inwerkingtreding van de in het geding zijnde bepaling behandeld heeft gezien, met toepassing van de vroegere bepalingen van artikel 40ter van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen die minder strikt waren dan de bij artikel 9 van de in het geding zijnde wet van 8 juli 2011 ingevoerde bepalingen.

B.2.2. De wijziging van een wet impliceert noodzakelijkerwijze dat de situatie van diegenen die waren onderworpen aan de vroegere wet, verschillend is van de situatie van diegenen die zijn onderworpen aan de nieuwe wet. Een dergelijk verschil in behandeling is op zich niet strijdig met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 22 van de Grondwet.

B.2.3. Indien de wetgever een beleidswijziging noodzakelijk acht, vermag hij te oordelen dat die onmiddellijk ingaat en is hij in beginsel niet ertoe gehouden in een overgangsregeling te voorzien. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet zijn slechts geschonden indien de ontstentenis van een overgangsmaatregel tot een verschil in behandeling leidt waarvoor geen redelijke verantwoording bestaat of indien aan het vertrouwensbeginsel op buitensporige wijze afbreuk wordt gedaan. Uit de in B.1.4 aangehaalde parlementaire voorbereiding van de wet van 8 juli 2011 blijkt dat de wetgever immigratie via gezinshereniging heeft willen beperken om de migratiedruk te beheersen en misbruiken heeft willen ontmoedigen. Vreemdelingen die een toelating tot verblijf willen verkrijgen, dienen ermee rekening te houden dat de immigratiewetgeving van een Staat om redenen van algemeen belang kan worden gewijzigd. In die context is de onmiddellijke inwerkingtreding van de wet niet zonder redelijke verantwoording.

B.2.4. Voor het overige staat het niet aan het Hof de gevolgen van de in het geding zijnde wetswijziging voor het lot van de voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hangende procedures te beoordelen, noch zich uit te spreken over de door de partijen opgeworpen vraag betreffende het eventuele declaratieve rechtsgevolg van de machtiging tot verblijf op grond van een gezinshereniging.

Ten aanzien van de prejudiciële vragen in de samengevoegde zaken

B.3.1. Met de in beide samengevoegde zaken gestelde prejudiciële vragen wordt het Hof verzocht na te gaan of de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10, 11, 22 en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 3 van het Vierde Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, met artikel 12 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met de artikelen 7, 20, 21 en 45 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met de artikelen 18 tot 21 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en met de artikelen 2, 3, 7, 8 en 24 van de Richtlijn 2004/38/EG van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden. De verzoekende partijen voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwijten de in het geding zijnde bepaling de echtgenoot van een Belg en de echtgenoot van een Europese burger die geen Belg is en in het Rijk verblijft niet gelijk te behandelen, waardoor beide categorieën van personen zich niet langer bevinden onder dezelfde voorwaarden ten aanzien van het recht van verblijf op het grondgebied.

B.3.2. Artikel 191 van de Grondwet bepaalt :

« Iedere vreemdeling die zich op het grondgebied van België bevindt, geniet de bescherming verleend aan personen en aan goederen, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen ».

Artikel 191 van de Grondwet, afzonderlijk gelezen, kan slechts worden geschonden in zoverre de in het geding zijnde bepalingen een verschil in behandeling instellen tussen bepaalde vreemdelingen en de Belgen.

B.3.3. In zoverre wordt aangevoerd dat de Belgische gezinshereniger ongunstiger zou worden behandeld dan de gezinshereniger die onderdaan is van een andere lidstaat van de Europese Unie of van een derde Staat, valt dat onderscheid in behandeling niet onder de toepassing van artikel 191 van de Grondwet, nu de bescherming beoogd door die bepaling alleen ten goede komt aan de vreemdelingen en niet aan de Belgen.

B.3.4. In zoverre de situatie van de familieleden van een Belg wordt vergeleken met de situatie van familieleden van andere burgers van de Unie en van onderdanen van derde Staten, valt die situatie evenmin onder de bescherming van artikel 191 van de Grondwet, nu de categorieën van personen die worden vergeleken in elk van de bedoelde gevallen vreemdelingen zijn.

B.3.5. Uit hetgeen voorafgaat, vloeit voort dat de prejudiciële vraag, zoals die is geformuleerd door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in de zaak nr. 5513, niet ontvankelijk is in zoverre daarin de schending van artikel 191 van de Grondwet wordt aangevoerd.

B.4.1. Artikel 40bis en de artikelen 41 tot 47 van de wet van 15 december 1980 vormen de omzetting in het interne recht van de Richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden. Uit artikel 40bis van de wet van 15 december 1980, in samenhang gelezen met artikel 40 van die wet, blijkt dat de eerstgenoemde bepaling het verblijfsrecht regelt van de familieleden van een burger van de Unie die onderdaan is van een andere lidstaat.

Bij de totstandkoming van artikel 40bis van de wet van 15 december 1980 diende de wetgever de verplichtingen na te leven die de Belgische Staat als lidstaat van de Unie op zich heeft genomen inzake het vrij verkeer van personen. Aldus vormt die bepaling, voor wat het verblijfsrecht van de bloedverwanten in de opgaande lijn van een burger van de Unie betreft, de omzetting in het interne recht van de verplichtingen die op de wetgever rusten krachtens de artikelen 3 en 7 van de Richtlijn 2004/38/EG.

B.4.2. Volgens het Hof van Justitie zijn de in de Richtlijn 2004/38/EG aan de familieleden van een burger van de Unie verleende rechten om zich bij deze laatste te voegen in een andere lidstaat, geen persoonlijke rechten van deze gezinsleden, maar afgeleide rechten, die zij hebben verkregen in hun hoedanigheid van familielid van een burger van de Unie die gebruik heeft gemaakt van zijn recht van vrij verkeer (HvJ, 5 mei 2011, C-434/09, McCarthy, punt 42; 15 november 2011, C-256/11, Dereci, punt 55; 8 november 2012, C-40/11, Iida, punt 67; 8 mei 2013, C-87/12, Ymeraga e.a., punt 35). Nog volgens het Hof van Justitie « berusten de doelstelling en de rechtvaardiging van bedoelde afgeleide rechten op de vaststelling dat het niet-erkennen van deze rechten de vrijheid van verkeer van de burger van de Unie kan aantasten en hem ervan kan weerhouden om van zijn recht van [vrij verkeer] gebruik te maken » (HvJ, 8 november 2012, C-40/11, Iida, punt 68; 8 mei 2013, C-87/12, Ymeraga e.a., punt 35).

B.4.3. De mogelijkheid voor familieleden van een burger van de Unie om zich te beroepen op artikel 40bis van de wet van 15 december 1980, teneinde zich bij deze burger te voegen, beoogt het mogelijk te maken dat een van de fundamentele doelstellingen van de Unie, namelijk de realisatie van het vrij verkeer binnen het grondgebied van de lidstaten, onder objectieve voorwaarden van vrijheid en waardigheid wordt uitgevoerd (overwegingen 2 en 5 van de Richtlijn 2004/38/EG).

Artikel 21 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie onderwerpt het recht van vrij verkeer van de burger van de Unie - en bijgevolg dat van zijn familieleden - echter aan de « beperkingen en voorwaarden die [...] zijn vastgesteld », met name bij de Richtlijn 2004/38/EG, die het verblijfsrecht van de burger van de Unie aan verscheidene voorwaarden onderwerpt die inzonderheid ten doel hebben de gezinshereniging te beperken tot de naaste familieleden van de burger van de Unie, de onrechtmatige praktijken te bestrijden en erop toe te zien dat die burger of zijn familieleden geen onredelijke last voor het gastland worden. In de 31ste overweging van de Richtlijn 2004/38/EG wordt ten slotte onderstreept dat die laatste « de grondrechten en de fundamentele vrijheden [eerbiedigt] en [...] met name de beginselen in acht [neemt] die zijn neergelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie », met inbegrip van het recht op menselijke waardigheid en het recht op het familie- en gezinsleven (artikelen 1 en 7 van het Handvest).

B.4.4. Artikel 40ter van de wet van 15 december 1980 regelt het verblijf op het grondgebied van de familieleden van een Belgische onderdaan. Zoals uiteengezet in B.1.4, beoogt de wet van 8 juli 2011 het immigratiebeleid inzake gezinshereniging bij te sturen, teneinde de migratiedruk te beheersen en bepaalde misbruiken te ontmoedigen, met eerbied voor het recht op het gezinsleven.

Tevens werd beklemtoond dat het noodzakelijk was om te verzekeren dat de familieleden in menswaardige omstandigheden verblijven. In het licht van die doelstellingen werden ook maatregelen noodzakelijk geacht ten aanzien van de familieleden van een Belg.

De in het geding zijnde bepaling past derhalve in het streven van de wetgever naar een ordentelijk immigratiebeleid en streeft een doelstelling na die verschillend is van die welke aan de basis ligt van het Unierecht inzake vrij verkeer.

B.4.5. Overeenkomstig de artikelen 4 en 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie behoren de bevoegdheden die in de Verdragen niet aan de Unie zijn toegedeeld, toe aan de lidstaten. Aldus zijn de lidstaten bevoegd om te bepalen onder welke voorwaarden de familieleden van een eigen onderdaan wiens situatie geen aanknopingspunt heeft met het Unierecht, een verblijfstitel kunnen verkrijgen. Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie is het Unierecht immers niet van toepassing in een zuiver interne situatie (HvJ, 5 mei 2011, C-434/09, McCarthy, punt 45; 15 november 2011, C-256/11, Dereci, punt 60).

B.4.6. De in de Richtlijn 2004/38/EG en de in artikel 40bis en andere van de wet van 15 december 1980 aan de familieleden van een burger van de Unie verleende rechten zijn onlosmakelijk verbonden met de uitoefening door die burger van de Unie van zijn recht van vrij verkeer. Volgens artikel 3, lid 1, is de Richtlijn van toepassing op iedere burger van de Unie die zich begeeft naar of verblijft in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit, en diens familieleden, zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 2), van die Richtlijn, die hem begeleiden of zich bij hem voegen (HvJ, 8 maart 2011, C-34/09, Ruiz Zambrano, punt 39; 15 november 2011, C-256/11, Dereci, punt 53). De Richtlijn is niet van toepassing op de familieleden van een burger van de Unie, die nooit gebruik heeft gemaakt van zijn recht van vrij verkeer en steeds verbleven heeft in de lidstaat waarvan hij de nationaliteit bezit (HvJ, 15 november 2011, C-256/11, Dereci, punt 58; 8 mei 2013, C-87/12, Ymeraga e.a., punt 30).

B.5.1. Volgens de Ministerraad zouden de Belgen die nooit hun recht van vrij verkeer hebben uitgeoefend, niet nuttig kunnen worden vergeleken met de « burgers van de Unie », in zoverre die laatsten het voordeel van een specifieke reglementering genieten die de omzetting is van verplichtingen die voortvloeien uit de Richtlijn 2004/38/EG.

B.5.2. Hoewel, gelet op de rechtspraak van het Hof van Justitie ter zake, een verschil in behandeling tussen de in de prejudiciële vragen beoogde categorieën van personen dat ongunstig is voor de burgers van de Unie die nooit hun recht van vrij verkeer hebben uitgeoefend, het algemeen beginsel van het recht van de Europese Unie van gelijkheid en niet-discriminatie wegens de specifieke kenmerken van die rechtsorde en het beperkte toepassingsgebied ervan, niet kan schenden, zou hetzelfde niet kunnen gelden ten aanzien van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Die artikelen strekken immers ertoe te verzekeren dat de normen die in de Belgische rechtsorde van toepassing zijn, het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod in acht nemen. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet hebben een algemene draagwijdte. Zij verbieden elke discriminatie, ongeacht de oorsprong ervan. Tot de rechten en vrijheden die zonder discriminatie moeten worden gewaarborgd, behoren de rechten en vrijheden die voortvloeien uit internationale verdragsbepalingen die België binden.

Artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens verbiedt met name elke discriminatie in het genot van een van de bij dat Verdrag gewaarborgde rechten, met inbegrip van het recht op gezinsleven.

B.5.3. Ervan uitgaan, zoals de Ministerraad voorstelt, dat de twee in de prejudiciële vragen beoogde categorieën van personen van nature onvoldoende vergelijkbaar zouden zijn om de reden dat de wetgever voor een van hen de verplichtingen heeft willen in acht nemen die voortvloeiden uit de inwerkingtreding van de Richtlijn 2004/38/EG, zou de toetsing inzake gelijkheid en niet-discriminatie, die zelfs in dat geval in de interne rechtsorde is voorgeschreven door de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in voorkomend geval in samenhang gelezen met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, zinledig maken.

Wanneer een wetsbepaling een verschil in behandeling tussen personen die zich in een analoge situatie bevinden, oplegt, kan de loutere omstandigheid dat die bepaling het voor de Staat mogelijk maakt zijn internationale verbintenissen na te komen, immers niet volstaan om het bekritiseerde verschil in behandeling te verantwoorden (zie in die zin EHRM, 6 november 2012, Hode en Abdi t. Verenigd Koninkrijk, § 55).

B.5.4. Het staat derhalve aan het Hof erop toe te zien dat de regels die de wetgever aanneemt wanneer hij het recht van de Europese Unie omzet, niet ertoe leiden ten aanzien van de eigen onderdanen verschillen in behandeling in het leven te roepen die niet redelijk verantwoord zouden zijn.

B.5.5. Wanneer de wetgever de voorwaarden voor de uitoefening van het recht op gezinshereniging regelt die van toepassing zijn op personen die zich in vergelijkbare situaties bevinden, maar waarvan een categorie, in tegenstelling met de andere, onder het Unierecht valt, is hij echter niet verplicht strikt identieke regels in te stellen, gelet op de bij de Richtlijn 2004/38/EG nagestreefde en in B.4.3 vermelde doelstelling.

De inachtneming van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie tussen de « burgers van de Unie » en de Belgen kan, wegens de bijzondere situatie van elk van die twee categorieën van personen, bepaalde verschillen in behandeling toelaten. Aldus zou het feit dat de wetgever, ten aanzien van een categorie van personen, de regelgeving van de Unie omzet, het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie niet kunnen schenden, om de enkele reden dat de wetgever ze niet tevens doet gelden voor een categorie van personen die niet aan die regelgeving van de Unie is onderworpen, te dezen de familieleden van een Belg die geen gebruik heeft gemaakt van zijn recht van vrij verkeer en wiens situatie aldus niet het aanknopingspunt met het Unierecht vertoont dat, voor de familieleden bedoeld in artikel 40bis van de wet van 15 december 1980, onontbeerlijk is om een verblijfsrecht op grond van die bepaling te verkrijgen.

Dat verschil in behandeling moet echter redelijk kunnen worden verantwoord om bestaanbaar te zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

B.5.6. In zoverre de in het geding zijnde bepaling de familieleden van een Belg die geen gebruik heeft gemaakt van zijn recht van vrij verkeer, anders behandelt dan de familieleden van de burgers van de Unie, bedoeld in artikel 40bis van de wet van 15 december 1980, berust dat verschil in behandeling op een objectief criterium.

Het Hof dient evenwel nog te onderzoeken of dat verschil in behandeling op een relevant criterium is gegrond en of het geen onevenredige gevolgen met zich meebrengt.

Daarbij dient inzonderheid rekening te worden gehouden met het recht op de eerbiediging van het gezinsleven, zoals gewaarborgd door artikel 22 van de Grondwet en door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

B.6.1. De zorg om de gezinshereniging van de Belgen te contingenteren vertrekt van de vaststelling dat « de meeste gevallen van gezinshereniging betrekking hebben op Belgen die in ons land uit migranten zijn geboren, of die Belg zijn geworden dankzij de snel-Belg-wet » (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-0443/018, p. 166).

De wetgever heeft redelijkerwijs rekening kunnen houden met het feit dat, wegens verscheidene wetswijzigingen, de toegang tot de Belgische nationaliteit in de loop van de laatste jaren is vergemakkelijkt, zodat het aantal Belgen die een aanvraag tot gezinshereniging kunnen indienen ten voordele van hun familieleden, aanzienlijk is toegenomen.

B.6.2. Hoewel zij het gevolg is van een keuze van de wetgever, maakt die omstandigheid het mogelijk de relevantie te verantwoorden van het verschil in behandeling teneinde de migratiestromen te beheersen die de gezinshereniging doet ontstaan. Zelfs in de veronderstelling dat sommige lidstaten van de Europese Unie op dezelfde wijze als België de toegang tot hun nationaliteit hebben vergemakkelijkt, vermocht de wetgever zich redelijkerwijs te baseren op het feit dat het aantal van hun onderdanen die in België verblijven beperkt zou blijven en dat het verblijf van die laatsten aan striktere voorwaarden is onderworpen dan het, in beginsel absolute, recht van de Belg om op het nationale grondgebied te verblijven.

Ten aanzien van een Belg striktere voorwaarden inzake gezinshereniging opleggen dan ten aanzien van een niet-Belgische Europese burger blijkt dus ten opzichte van die doelstelling een relevante maatregel. Voor zover het daarmee evenredig is, kan het in de prejudiciële vragen in het geding zijnde verschil in behandeling bijgevolg worden verantwoord wegens de doelstelling die erin bestaat de migratiestromen te beheersen.

De omstandigheid dat de Belg die zijn recht van vrij verkeer heeft uitgeoefend, aan de toepassing van die striktere voorwaarden ontsnapt, doet aan die conclusie geen afbreuk. In het kader van een immigratiebeleid, dat tot complexe en ingewikkelde afwegingen noopt en waarbij rekening dient te worden gehouden met de vereisten die voortvloeien uit het recht van de Europese Unie, beschikt de wetgever over een ruime beoordelingsbevoegdheid.

B.7.1. Het Hof dient voorts de evenredigheid van de in het geding zijnde maatregel te onderzoeken in zoverre hij betrekking heeft op de gezinshereniging van een buitenlandse echtgenoot met een Belgische echtgenoot.

B.7.2. Artikel 40ter van de wet van 15 december 1980 voorziet in de mogelijkheid om een verblijf in het kader van gezinshereniging te verkrijgen voor de echtgenoot of partner van een Belgische onderdaan, voor de kinderen van de Belgische onderdaan en die van zijn echtgenoot of partner, alsmede voor de beide ouders van een minderjarige Belg. Aldus waarborgt die bepaling het recht op gezinsleven van het kerngezin.

B.7.3. De kritiek van de verzoekende partij voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in de zaak nr. 5512 heeft betrekking op de leeftijdsvoorwaarden die de in het geding zijnde bepaling oplegt aan de echtgenoten en partners. Terwijl in artikel 40bis van de wet van 15 december 1980 aan de « burger van de Unie » en aan zijn echtgenoot geen enkele leeftijdsvoorwaarde is opgelegd, kan de echtgenoot van een Belgische onderdaan die zijn recht van vrij verkeer niet heeft uitgeoefend, krachtens artikel 40ter van de wet van 15 december 1980 slechts een verblijfstitel verkrijgen indien hij en de Belgische gezinshereniger ten minste eenentwintig jaar oud zijn.

B.7.4. Doordat die voorwaarde het verkrijgen van een verblijfstitel ten voordele van de echtgenoot van de Belgische onderdaan die zijn recht van vrij verkeer niet heeft uitgeoefend, niet belet maar alleen tijdelijk uitstelt, tast zij het recht op het gezinsleven niet op onevenredige wijze aan, des te meer omdat zij het ook mogelijk maakt de jongvolwassenen te beschermen tegen de risico's op gedwongen huwelijken of schijnhuwelijken die worden gesloten met als enig doel een verblijfstitel voor een van beide echtgenoten te verkrijgen.

B.7.5.1. De kritiek van de verzoekende partij voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in de zaak nr. 5513 heeft betrekking op de voorwaarden die de in het geding zijnde bepaling oplegt voor de gezinshereniging van een buitenlandse echtgenoot met een Belgische echtgenoot wat de vereiste bestaansmiddelen betreft. In de door haar voorgestelde prejudiciële vraag, beoogt de verzoekende partij ook de voorwaarde inzake huisvesting.

B.7.5.2. Wat betreft het opgeworpen verschil in behandeling met betrekking tot de voorwaarde inzake huisvesting, is die voorwaarde een element dat losstaat van de in het geding zijnde zaak, aangezien de verblijfsvergunning enkel is geweigerd op grond van de voorwaarde inzake voldoende bestaansmiddelen. Het Hof merkt bovendien op dat de verzoekende partij voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen enkel feitelijk of juridisch element over die voorwaarde heeft uiteengezet in de memorie die ze bij het Hof heeft ingediend.

Het antwoord op de prejudiciële vraag is in dat opzicht niet nuttig voor de oplossing van het geschil voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

B.7.6. Door te bepalen dat de stabiele en toereikende bestaansmiddelen van de gezinshereniger ten minste moeten gelijk zijn aan honderd twintig procent van het bedrag bedoeld in artikel 14, § 1, 3°, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, heeft de wetgever een referentiebedrag willen vaststellen. Aldus heeft die bepaling tot gevolg dat de overheid die de aanvraag tot gezinshereniging moet onderzoeken, geen verder onderzoek moet doen naar de bestaansmiddelen indien de gezinshereniger over een inkomen beschikt dat gelijk is of hoger dan het beoogde referentiebedrag.

De in het geding zijnde bepaling heeft niet tot gevolg dat de gezinshereniging wordt verhinderd indien het inkomen van de gezinshereniger lager is dan het vermelde referentiebedrag. In dat geval moet de bevoegde overheid, volgens artikel 42, § 1, tweede lid, van de wet van 15 december 1980, in het concrete geval en op basis van de eigen behoeften van de Belg en van zijn familieleden, bepalen welke bestaansmiddelen zij nodig hebben om in hun behoeften te voorzien zonder dat de familieleden ten laste vallen van de openbare overheden.

B.7.7. Bovendien kan de wetgever niet worden verweten dat hij in het kader van een gezinshereniging met een Belg die zijn recht van vrij verkeer niet heeft uitgeoefend, heeft geëist dat deze de regelmatigheid en de stabiliteit van zijn bestaansmiddelen aantoont, omdat geen einde kan worden gemaakt aan zijn verblijf op het nationale grondgebied wanneer hij of zijn familieleden mettertijd een onredelijke last zouden worden voor de sociale bijstand. Er zij overigens vastgesteld dat, wanneer de Belgische hereniger « stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen » moet aantonen, terwijl de hereniger die een « burger van de Unie » is, « voldoende bestaansmiddelen » moet aantonen, die laatste voorwaarde wordt beoordeeld rekening houdend met « de aard en de regelmaat van diens inkomsten » (artikel 40bis, § 4, tweede lid).

B.7.8. De wetgever heeft erop toegezien dat het risico dat de familieleden van de Belgische gezinshereniger vanaf het begin of in de loop van hun verblijf om een sociale bijstand moeten verzoeken om menswaardige levensomstandigheden te verzekeren, aanzienlijk wordt beperkt zonder evenwel de uitoefening van het recht op gezinsleven van de Belgische onderdaan onmogelijk of overdreven moeilijk te maken. Hij heeft aldus een billijk evenwicht verzekerd tussen de legitieme doelstelling het voorbestaan van het stelsel voor sociale bijstand te verzekeren, rekening houdend met de bijzondere situatie van de Belg in dat verband, en de zorg om de Belgische onderdaan die geen gebruik heeft gemaakt van zijn recht van vrij verkeer, de mogelijkheid te bieden zijn recht op gezinsleven in menswaardige omstandigheden uit te oefenen.

B.8. Rekening houdend met hetgeen voorafgaat, heeft het verschil in behandeling met betrekking tot, enerzijds, de leeftijdsvoorwaarde en, anderzijds, de bestaansmiddelen, tussen de Belgische onderdaan die geen gebruik heeft gemaakt van zijn recht van vrij verkeer, alsook zijn echtgenoot die de hereniging wenst te verkrijgen, en de andere burgers van de Unie, geen onevenredige gevolgen.

B.9. De prejudiciële vragen dienen ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 40ter van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, zoals vervangen bij artikel 9 van de wet van 8 juli 2011, schendt niet de artikelen 10, 11, 22 en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de aangevoerde internationaalrechtelijke bepalingen.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 19 december 2013.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

J. Spreutels

Vrije woorden

  • Prejudiciële vragen over artikel 40ter van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, zoals vervangen bij artikel 9 van de wet van 8 juli 2011, gesteld door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Bestuursrecht

  • Vreemdelingenrecht

  • Verblijfsrecht

  • Gezinshereniging

  • 1. Ontstentenis van een overgangsbepaling die de inwerkingtreding regelt van de nieuwe regelgeving

  • 2. Voorwaarden

  • a. Echtgenoot van een Belg

  • b. Echtgenoot van een Europese burger die geen Belg is en in het Rijk verblijft. # Rechten en vrijheden

  • Recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven.