- Arrest van 19 december 2013

19/12/2013 - 179/2013

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

De prejudiciële vraag behoort niet tot de bevoegdheid van het Hof.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en M. Bossuyt, en de rechters L. Lavrysen, A. Alen, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en T. Giet, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 20 februari 2013 in zake Severin Atanasov tegen het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Hoei, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 25 februari 2013, heeft de Arbeidsrechtbank te Hoei de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 3, 3°, van de wet van 26 mei 2002, dat bepaalt dat, ' om het recht op maatschappelijke integratie te kunnen genieten, [...] de persoon tegelijkertijd en onverminderd de bijzondere voorwaarden die bij deze wet worden gesteld [,] [...] als burger van de Europese Unie, of als lid van zijn familie die hem begeleidt of zich bij hem voegt, [...] een verblijfsrecht voor meer dan drie maanden [moet genieten], overeenkomstig de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen ', in zoverre het aan de Bulgaren en aan de Roemenen striktere voorwaarden oplegt voor het verkrijgen van het verblijfsrecht voor meer dan drie maanden en dientengevolge van het recht op het leefloon, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 14 van het EVRM, doordat het een verschil in behandeling doet ontstaan tussen, enerzijds, de Bulgaarse en Roemeense Europese onderdanen en, anderzijds, de andere Europese onderdanen ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling

B.1. Aan het Hof wordt een vraag gesteld over artikel 3, 3°, tweede streepje, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie (hierna : de wet van 26 mei 2002), zoals gewijzigd bij artikel 80 van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (I), dat bepaalt :

« Art. 3. Om het recht op maatschappelijke integratie te kunnen genieten, moet de persoon tegelijkertijd en onverminderd de bijzondere voorwaarden die bij deze wet worden gesteld :

[...]

3° behoren tot één van de volgende categorieën van personen :

[...]

- hetzij als burger van de Europese Unie, of als lid van zijn familie die hem begeleidt of zich bij hem voegt, genieten van een verblijfsrecht voor meer dan drie maanden, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;

[...] ».

B.2. De in het geding zijnde bepaling is bij artikel 80 van de voormelde wet van 27 december 2006 in de wet van 26 mei 2002 ingevoegd ingevolge de vernietiging van het vroegere artikel 3, 3°, tweede streepje, bij het arrest nr. 5/2004 van 14 januari 2004.

In de parlementaire voorbereiding van die bepaling wordt uiteengezet :

« [Het] recht op maatschappelijke integratie [dient] uitgebreid te worden tot de burger van de Europese Unie die geniet van een verblijfsrecht van meer dan drie maanden; hetzelfde recht staat ook open voor familieleden die hem begeleiden of zich bij hem voegen.

Het automatische verblijfsrecht dat uit de Richtlijn voortvloeit betekent echter niet dat het recht op steunverlening even automatisch is. Uiteraard blijven de algemene voorwaarden tot steunverlening van kracht, en dient er geval per geval een voorgaand sociaal onderzoek gevoerd te worden.

Het verblijfsrecht van meer dan drie maanden dient zowel voor de burger van de Europese Unie als voor de leden van zijn familie die hem begeleiden of zich bij hem voegen gelezen te worden conform de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.

Er dient gesignaleerd te worden [dat] deze bepaling een striktere interpretatie met zich brengt dan in huidige situatie mogelijk is doordat een verblijf van minimum 3 maanden zal vereist worden » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2760/001, p. 65).

De noodzaak om de in het geding zijnde bepaling na het arrest nr. 5/2004 aan te nemen, werd beklemtoond :

« Indien deze bepaling niet wordt ingevoerd zou er geen enkele verplichting van verblijfsduur meer zijn voor burgers van de Europese Unie om recht te krijgen op een leefloon » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2760/034, p. 19; zie eveneens Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 3-1988/5, p. 6).

Ten aanzien van het bekritiseerde verschil in behandeling

B.3. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, van artikel 3, 3°, tweede streepje, van de wet van 26 mei 2002, in zoverre die bepaling aan de Bulgaarse en Roemeense onderdanen striktere voorwaarden zou opleggen voor het verkrijgen van het verblijfsrecht voor meer dan drie maanden en dientengevolge van het recht op het leefloon, waardoor zij aldus een verschil in behandeling zou doen ontstaan tussen de Europese onderdanen naargelang zij Bulgaren en Roemenen of onderdanen van andere lidstaten van de Europese Unie zijn.

B.4.1. Krachtens artikel 40, § 4, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna : de wet van 15 december 1980) dient de burger van de Unie, om een verblijfsrecht voor meer dan drie maanden te genieten, met name werknemer of zelfstandige te zijn in het Rijk of het Rijk binnen te komen om werk te zoeken, zolang hij kan bewijzen dat hij nog werk zoekt en een reële kans maakt om te worden aangesteld.

Krachtens artikel 42 van de wet van 15 december 1980 wordt het recht op een verblijf van meer dan drie maanden zo snel mogelijk erkend, onder de voorwaarden en voor de duur die door de Koning zijn bepaald, overeenkomstig de Europese verordeningen en richtlijnen (artikel 42, § 1); voor de burgers van de Unie wordt het recht op een verblijf van meer dan drie maanden vastgesteld door een verklaring van inschrijving (artikel 42, § 2), die wordt afgegeven volgens de modaliteiten die door de Koning zijn bepaald, overeenkomstig de Europese verordeningen en richtlijnen (artikel 42, § 4).

B.4.2. De artikelen 43 en volgende, die zich in hoofdstuk I van titel II van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna : het koninklijk besluit van 8 oktober 1981) bevinden, zijn van toepassing op de burgers van de Unie en op hun familieleden.

Artikel 50 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 voorziet erin, met toepassing van artikel 42 van de wet van 15 december 1980, dat de burger van de Unie die langer dan drie maanden op het grondgebied van het Rijk wil verblijven, een aanvraag voor een verklaring van inschrijving indient bij het gemeentebestuur van de plaats waar hij verblijft; indien hij een werknemer is, dient de burger van de Unie, bij de aanvraag of uiterlijk binnen drie maanden na de aanvraag, een verklaring van indienstneming of tewerkstelling overeenkomstig het model van bijlage 19bis voor te leggen (artikel 50, § 2, 1°).

B.5.1. In een hoofdstuk Iquater van titel II bevatten de artikelen 69sexies en volgende van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 overgangsbepalingen voor de Bulgaarse en Roemeense onderdanen die naar België komen om er een activiteit in loondienst uit te oefenen, en voor hun familieleden.

B.5.2. Het voormelde hoofdstuk Iquater is bij het koninklijk besluit van 25 april 2004 in titel II van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 ingevoerd, om er bepalingen aangaande de inwerkingstelling van een overgangsperiode met betrekking tot de uitbreiding van de Europese Unie in op te nemen; die overgangsperiode was toegestaan bij het verdrag betreffende de toetreding van die nieuwe Staten tot de Europese Unie.

Dat specifieke hoofdstuk had oorspronkelijk betrekking op de onderdanen van Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Polen, Slowakije, Slovenië en Tsjechië die naar België kwamen om er een activiteit in loondienst uit te oefenen, en op hun gezinsleden; die overgangsregeling, die van 1 mei 2004 tot 30 april 2006 van kracht was (artikel 10 van het koninklijk besluit van 25 april 2004), werd verlengd tot 1 mei 2009 (artikel 4 van het koninklijk besluit van 20 december 2006).

Ingevolge de toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie heeft het koninklijk besluit van 20 december 2006, vanaf 1 januari 2007, de overgangsbepalingen van het voormelde hoofdstuk Iquater uitgebreid tot de onderdanen van Bulgarije en Roemenië; het koninklijk besluit van 4 juli 2013 heeft die overgangsregeling vervolgens uitgebreid tot de onderdanen van Kroatië.

B.5.3. In de versie ervan die van toepassing is op het hangende geschil voor de verwijzende rechter, bepaalde het voormelde artikel 69sexies, zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit van 8 januari 2012 :

« De bepalingen van hoofdstuk I van titel II zijn van toepassing op de onderdanen van Bulgarije en Roemenië die naar België komen om er een activiteit in loondienst uit te oefenen evenals op hun familieleden met als enige uitzondering dat het document dat de Bulgaarse of Roemeense werknemer overeenkomstig artikel 50, § 2, 1° moet voorleggen, het bewijs is dat hij in het bezit is van een arbeidskaart B zoals bepaald in het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers ».

Het koninklijk besluit van 8 januari 2012 werd verantwoord door het feit dat, enerzijds, de Europese Commissie in haar rapport van 11 november 2011 had gesteld dat de overgangsbepalingen die worden toegestaan bij het Verdrag betreffende de toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie, « zich slechts mogen uitstrekken tot de toegang tot de arbeidsmarkt », en dat, anderzijds, de Belgische Regering had beslist om « de overgangsmaatregelen ten aanzien van de toegang tot de arbeidsmarkt voor onderdanen van Bulgarije en Roemenië te verlengen tot 31 december 2013 » (Belgisch Staatsblad van 19 januari 2012, tweede editie, p. 4167).

Het koninklijk besluit van 8 januari 2012 is krachtens artikel 5 ervan op 1 januari 2012 in werking getreden; die afwijkende regeling zal ophouden van kracht te zijn op 1 januari 2014 (artikel 69septies van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981, gewijzigd bij artikel 2 van het koninklijk besluit van 8 januari 2012).

B.5.4. Die overgangsregeling heeft tot gevolg dat, in tegenstelling tot de andere burgers van de Unie die, indien zij naar België komen om er een activiteit in loondienst uit te oefenen, een verklaring van indienstneming of tewerkstelling dienen voor te leggen, de burgers van de Unie die Bulgaarse en Roemeense onderdanen zijn, indien zij naar België komen om er een activiteit in loondienst uit te oefenen, het bewijs dienen voor te leggen van een arbeidskaart B die, zoals zij in artikel 3, 2°, van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende de uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers wordt gedefinieerd, « de arbeidskaart voor bepaalde tijd, van ten hoogste twaalf maanden en beperkt tot de tewerkstelling bij één werkgever » is.

B.6.1. Het in de prejudiciële vraag bekritiseerde verschil in behandeling, met betrekking tot het voordeel van het recht op maatschappelijke integratie, is enkel het gevolg van de verwijzing die in de in het geding zijnde bepaling wordt gemaakt naar de voorwaarde om een verblijfsrecht voor meer dan drie maanden te genieten, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 15 december 1980.

B.6.2. Uit het voorafgaande blijkt evenwel dat dat verschil in behandeling niet zijn oorsprong in de in het geding zijnde bepaling vindt, maar in de door de Koning bepaalde voorwaarden voor het verkrijgen, door de burgers van de Unie, van een verklaring van inschrijving die noodzakelijk is voor de erkenning van een verblijfsrecht voor meer dan drie maanden.

De in het geding zijnde bepaling beperkt zich immers ertoe de verplichting op te leggen, zonder enig onderscheid te maken, dat de burgers van de Unie, om het recht op maatschappelijke integratie te kunnen genieten, over een verblijfsrecht voor meer dan drie maanden moeten beschikken; het is uit de combinatie van de artikelen 50 en 69sexies van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 dat het bekritiseerde verschil in behandeling voortvloeit.

B.6.3. Noch artikel 26, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof noch enige andere grondwettelijke of wettelijke bepaling verleent het Hof de bevoegdheid om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de vraag of de bepalingen van een uitvoeringsbesluit bestaanbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

De prejudiciële vraag behoort niet tot de bevoegdheid van het Hof.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 19 december 2013.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

J. Spreutels

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag over artikel 3, 3°, tweede streepje, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, zoals gewijzigd bij artikel 80 van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (I), gesteld door de Arbeidsrechtbank te Hoei. Sociaal recht

  • Sociale zekerheid

  • Recht op maatschappelijke integratie

  • Leefloon

  • Toekenningsvoorwaarden

  • Europese onderdanen

  • Verblijfsrecht voor meer dan drie maanden

  • 1. Bulgaarse en Roemeense onderdanen

  • 2. Onderdanen van andere lidstaten van de Europese Unie.