- Arrest van 19 december 2013

19/12/2013 - 180/2013

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, vóór de inwerkingtreding van de wet van 21 februari 2010, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre een rechtsplegingsvergoeding ten laste van de ambtenaar van de burgerlijke stand kan worden gelegd wanneer hij in het ongelijk wordt gesteld in een op grond van artikel 146bis juncto artikel 167 van het Burgerlijk Wetboek ingesteld beroep tegen zijn weigeringsbeslissing om een huwelijk te voltrekken.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en J. Spreutels, en de rechters A. Alen, J.-P. Snappe, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey en T. Giet, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

a. Bij arrest van 14 maart 2013 in zake de ambtenaar van de burgerlijke stand van de stad Gent tegen Hassania Bouchhati en Azzedine Chtaiti, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 22 maart 2013, heeft het Hof van Beroep te Gent de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, vóór de inwerkingtreding van de wet van 21 februari 2010 (en gelezen zoals onder meer in de arresten van het Grondwettelijk Hof van 18 mei 2011 (nr. 83/2011) en 8 maart 2012 (nr. 43/2012)) de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre een rechtsplegingsvergoeding ten laste van de ambtenaar van de burgerlijke stand kan worden gelegd wanneer hij in het ongelijk wordt gesteld in een tegen hem ingesteld verhaal ex art. 146bis juncto 167 B.W. waarin hij optreedt in het algemeen belang ? ».

b. Bij arrest van 18 april 2013 in zake Youssef Touil en Godelieve Schoenmaekers tegen de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Merelbeke, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 26 april 2013, heeft het Hof van Beroep te Gent de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, vóór de inwerkingtreding van de wet van 21 februari 2010 (en gelezen zoals onder meer in de arresten van het Grondwettelijk Hof van 18 mei 2011 (nr. 83/2011) en 8 maart 2012 (nr. 43/2012)) de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre een rechtsplegingsvergoeding ten laste van de ambtenaar van de burgerlijke stand kan worden gelegd wanneer hij in het ongelijk wordt gesteld in een tegen hem ingesteld verhaal ex art. 146bis juncto 167 B.W. waarin hij optreedt in het algemeen belang ? ».

Die zaken, ingeschreven onder de nummers 5617 en 5629 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, vóór de wijziging ervan bij de wet van 21 februari 2010, bepaalde :

« De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.

Na het advies te hebben ingewonnen van de Orde van Vlaamse Balies en van de Ordre des barreaux francophones et germanophone, stelt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de basis-, minimum- en maximumbedragen vast van de rechtsplegingsvergoeding, onder meer in functie van de aard van de zaak en van de belangrijkheid van het geschil.

Op verzoek van een van de partijen, dat in voorkomend geval wordt gedaan na ondervraging door de rechter, kan deze bij een met bijzondere redenen omklede beslissing ofwel de vergoeding verminderen, ofwel die verhogen, zonder de door de Koning bepaalde maximum- en minimumbedragen te overschrijden. Bij zijn beoordeling houdt de rechter rekening met :

- de financiële draagkracht van de verliezende partij, om het bedrag van de vergoeding te verminderen;

- de complexiteit van de zaak;

- de contractueel bepaalde vergoedingen voor de in het gelijk gestelde partij;

- het kennelijk onredelijk karakter van de situatie.

Indien de in het ongelijk gestelde partij van de tweedelijns juridische bijstand geniet, wordt de rechtsplegingsvergoeding vastgelegd op het door de Koning vastgestelde minimum, tenzij in geval van een kennelijk onredelijke situatie. De rechter motiveert in het bijzonder zijn beslissing op dat punt.

Wanneer meerdere partijen de rechtsplegingsvergoeding ten laste van dezelfde in het ongelijk gestelde partij genieten, bedraagt het bedrag ervan maximum het dubbel van de maximale rechtsplegingsvergoeding waarop de begunstigde die gerechtigd is om de hoogste vergoeding te eisen aanspraak kan maken. Ze wordt door de rechter tussen de partijen verdeeld.

Geen partij kan boven het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding worden aangesproken tot betaling van een vergoeding voor de tussenkomst van de advocaat van een andere partij ».

B.2. De verwijzende rechter ondervraagt het Hof over de bestaanbaarheid van die bepaling met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre een rechtsplegingsvergoeding ten laste van de ambtenaar van de burgerlijke stand kan worden gelegd wanneer hij in het ongelijk wordt gesteld in een op grond van artikel 146bis juncto artikel 167 van het Burgerlijk Wetboek ingesteld beroep tegen zijn weigeringsbeslissing om een huwelijk te voltrekken.

Weliswaar laat de verwijzende rechter na in het beschikkend gedeelte van zijn verwijzingsbeslissingen de te vergelijken categorieën van personen aan te wijzen, toch kan uit de motieven ervan en de gegevens van de zaak worden afgeleid dat hij de situatie van de ambtenaar van de burgerlijke stand, optredend in het algemeen belang, vergelijkt met, enerzijds, de situatie van een procespartij die niet in het algemeen belang optreedt en, anderzijds, die van het openbaar ministerie wanneer het de strafvordering instelt of een vordering tot nietigverklaring van een schijnhuwelijk instelt.

B.3. Bij zijn arrest nr. 182/2008 van 18 december 2008 met betrekking tot de beroepen tot vernietiging van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, heeft het Hof geoordeeld dat de fundamentele verschillen tussen het openbaar ministerie en de burgerlijke partij kunnen verantwoorden dat de in de wet van 21 april 2007 bedoelde forfaitaire vergoedingsregeling niet wordt toegepast ten laste van de Staat. Door het openbaar ministerie en de burgerlijke partij verschillend te behandelen, heeft de wetgever het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie bijgevolg niet geschonden.

B.4. Bij zijn arrest nr. 83/2011 van 18 mei 2011 heeft het Hof op een prejudiciële vraag geantwoord dat artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, vóór de inwerkingtreding van de wet van 21 februari 2010, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt in zoverre een rechtsplegingsvergoeding ten laste van de Belgische Staat kan worden gelegd wanneer het arbeidsauditoraat in het ongelijk wordt gesteld bij zijn rechtsvordering ingesteld op grond van artikel 138bis, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek.

Het Hof is met name van oordeel dat het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie vereist dat die rechtsvorderingen, die in naam van het algemeen belang en in alle onafhankelijkheid door een publiek orgaan zijn ingesteld, op dezelfde wijze worden behandeld als de strafvorderingen.

Bij zijn arrest nr. 43/2012 van 8 maart 2012 heeft het Hof zich in soortgelijke bewoordingen uitgesproken over de herstelvordering die door de stedenbouwkundig inspecteur, op grond van artikel 6.1.43 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, voor de burgerlijke rechtbank wordt ingesteld.

Bij zijn arrest nr. 36/2013 van 7 maart 2013 is het Hof tot dezelfde conclusie gekomen wat de herstelvordering betreft die door de gemachtigde ambtenaar, op grond van artikel 157 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw, Patrimonium en Energie, voor de burgerlijke rechtbank wordt ingesteld.

Bij zijn arrest nr. 42/2013 van 21 maart 2013 heeft het Hof geoordeeld dat artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, vóór de inwerkingtreding van de wet van 21 februari 2010, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt in zoverre een rechtsplegingsvergoeding ten laste van de Belgische Staat kan worden gelegd wanneer de procureur des Konings in het ongelijk wordt gesteld bij zijn op grond van artikel 184 van het Burgerlijk Wetboek ingestelde vordering tot nietigverklaring van een huwelijk.

Bij zijn arrest nr. 57/2013 van 25 april 2013 heeft het Hof geoordeeld dat, om soortgelijke redenen als die in zijn arrest nr. 135/2009 van 1 september 2009 en zijn voormelde arrest nr. 83/2011, aan de overheid die herstelmaatregelen inzake stedenbouw vordert, geen rechtsplegingsvergoeding kan worden opgelegd, maar ook geen rechtsplegingsvergoeding kan worden toegekend.

B.5. Bij de wet van 21 februari 2010 tot wijziging van de artikelen 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en 162bis van het Wetboek van strafvordering en tot opheffing van artikel 6 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties wordt in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek een achtste lid ingevoegd dat bepaalt :

« Geen enkele vergoeding is verschuldigd ten laste van de Staat :

1° wanneer het openbaar ministerie bij wege van rechtsvordering in burgerlijke procedures tussenkomt overeenkomstig artikel 138bis, § 1;

2° wanneer het arbeidsauditoraat een rechtsvordering instelt voor de arbeidsgerechten overeenkomstig artikel 138bis, § 2 ».

Krachtens artikel 6 van de wet van 21 februari 2010, zal die nieuwe bepaling in werking treden op een datum die de Koning zal bepalen.

Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever een aantal tekortkomingen van de voormelde wet van 21 april 2007, die aanleiding geven tot een aantal onbillijke situaties, heeft willen rechtzetten (Parl. St., Kamer, 2009-2010, DOC 52-2313/004, p. 4), en dat hij rekening heeft willen houden met het voormelde arrest nr. 182/2008. Hij heeft onder meer in twee nieuwe vrijstellingen voorzien « om het openbaar ministerie [en het arbeidsauditoraat] toe te staan [hun] rechtsvordering uit te oefenen in volle onafhankelijkheid, zonder rekening te houden met het financieel risico verbonden aan het proces » (Parl. St., Kamer, 2009-2010, DOC 52-2313/001, p. 6).

B.6. Wanneer de ambtenaar van de burgerlijke stand tot het besluit komt dat de huwelijkskandidaten een schijnhuwelijk pogen aan te gaan, dient hij op grond van artikel 167, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek de voltrekking van het huwelijk te weigeren, gelet op artikel 146bis van hetzelfde Wetboek.

Bij het nemen van die weigeringsbeslissing treedt de ambtenaar van de burgerlijke stand op in het kader van de uitoefening van zijn ambt en streeft hij geen enkel persoonlijk belang na, maar treedt hij uitsluitend op in het algemeen belang met het oog op het vrijwaren van de openbare orde.

Wanneer de huwelijkskandidaten op grond van artikel 167, laatste lid, van het Burgerlijk Wetboek bij de rechtbank van eerste aanleg beroep tegen de weigeringsbeslissing aantekenen, wordt de ambtenaar van de burgerlijk stand daardoor partij in een gerechtelijke procedure.

Door zich te verweren tegen het beroep dat tegen zijn weigeringsbeslissing is ingesteld of door hoger beroep in te stellen tegen de beslissing van de eerste rechter waarbij zijn weigeringsbeslissing om een huwelijk te voltrekken ongegrond wordt verklaard, verdedigt de ambtenaar van de burgerlijke stand evenwel steeds het algemeen belang en de vrijwaring van de openbare orde, zodat het niet is verantwoord dat hij in de rechtsplegingsvergoeding kan worden verwezen.

B.7. Het verschil in statuut van de ambtenaren van de burgerlijke stand en van de leden van het openbaar ministerie kan niet volstaan om het in het geding zijnde verschil in behandeling te verantwoorden.

Zoals de leden van het openbaar ministerie hun vordering in volle onafhankelijkheid moeten kunnen uitoefenen, zonder rekening te houden met het financiële risico verbonden aan het proces, dienen de ambtenaren van de burgerlijke stand de beslissingen die zij uit hoofde van hun functie dienen te nemen, te kunnen nemen zonder rekening te houden met het financiële risico verbonden aan een procedure die tegen zulke beslissingen wordt ingesteld.

B.8. De prejudiciële vragen dienen bevestigend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, vóór de inwerkingtreding van de wet van 21 februari 2010, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre een rechtsplegingsvergoeding ten laste van de ambtenaar van de burgerlijke stand kan worden gelegd wanneer hij in het ongelijk wordt gesteld in een op grond van artikel 146bis juncto artikel 167 van het Burgerlijk Wetboek ingesteld beroep tegen zijn weigeringsbeslissing om een huwelijk te voltrekken.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 19 december 2013.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

M. Bossuyt

Vrije woorden

  • Prejudiciële vragen betreffende artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek (vóór de wijziging ervan bij de wet van 21 februari 2010), gesteld door het Hof van Beroep te Gent. Gerechtelijk recht

  • Verhaalbaarheid van kosten en honoraria van een advocaat

  • Toepassingsgebied

  • Ambtenaar van de burgerlijke stand

  • Beroep tegen de weigeringsbeslissing om een huwelijk te voltrekken.