- Arrest van 19 december 2013

19/12/2013 - 183/2013

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof

verwerpt de vordering tot schorsing.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût en T. Giet, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de vordering en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 31 oktober 2013 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 4 november 2013, is een vordering tot schorsing ingesteld van artikel 60 van de wet van 30 juli 2013 houdende diverse bepalingen (opheffing van het 1° van artikel 44, § 1, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde met betrekking tot de diensten van advocaten), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 1 augustus 2013, tweede editie, door de « Ordre des barreaux francophones et germanophone », met zetel te 1060 Brussel, Gulden Vlieslaan 65, de vzw « Syndicat des Avocats pour la Démocratie », met zetel te 1030 Brussel, Eugène Smitsstraat 28-30, de vzw « Bureau d'Accueil et de Défense des Jeunes », met zetel te 1000 Brussel, Kiekenmarkt 30, de vzw « Syndicat des Locataires de Logements sociaux », met zetel te 1070 Brussel, Albert I-square 30, de vzw « Ligue des Droits de l'Homme », met zetel te 1000 Brussel, Kogelstraat 22, de vzw « L'association de Défense des Allocataires Sociaux », met zetel te 1030 Brussel, Vooruitgangstraat 225, de vzw « L'Atelier des Droits Sociaux », met zetel te 1000 Brussel, Rodepoortstraat 4, de vzw « Collectif Solidarité contre l'Exclusion : Emploi et revenus pour tous », met zetel te 1060 Brussel, Loixplein 7, de vzw « Vlaams Netwerk van verenigingen waar armen het woord nemen », met zetel te 1030 Brussel, Vooruitgangstraat 323, en het Algemeen Belgisch Vakverbond, met zetel te 1000 Brussel, Hoogstraat 42.

Bij hetzelfde verzoekschrift vorderen de verzoekende partijen eveneens de vernietiging van dezelfde norm.

(...)

II. In rechte

(...)

Ten aanzien van de bestreden bepalingen

B.1. De verzoekende partijen vorderen de schorsing van artikel 60 van de wet van 30 juli 2013 houdende diverse bepalingen, dat bepaalt :

« In artikel 44, § 1, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, vervangen bij de wet van 28 december 1992 en gewijzigd bij de wet van 28 december 2011, wordt de bepaling onder 1° opgeheven ».

Vóór die wetswijziging bepaalde artikel 44, § 1, 1°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde :

« Van de belasting zijn vrijgesteld de diensten door de nagenoemde personen verricht in de uitoefening van hun geregelde werkzaamheid :

1° advocaten; ».

De vrijstelling van de btw die tot dan de advocaten betrof, is dus bij de bestreden bepaling opgeheven met ingang van 1 januari 2014.

B.2. Het amendement dat tot het bestreden artikel heeft geleid, is als volgt verantwoord :

« Op basis van de richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, zijn de diensten verricht door advocaten in principe aan de belasting over de toegevoegde waarde (btw) onderworpen volgens de normale regels.

Overeenkomstig artikel 371 van voornoemde richtlijn mogen de lidstaten die op 1 januari 1978 vrijstelling verleenden voor de in de lijst van bijlage X, deel B, van voornoemde richtlijn genoemde handelingen deze, onder de in iedere betrokken lidstaat op die datum bestaande voorwaarden, evenwel blijven vrijstellen van de belasting. Deze afwijking blijft van toepassing tot de invoering van de definitieve regeling.

België heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. De diensten verricht door advocaten in de uitoefening van hun geregelde werkzaamheid zijn aldus van de belasting vrijgesteld overeenkomstig artikel 44, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek.

België is op heden evenwel de enige lidstaat die de diensten verricht door advocaten nog vrijstelt van btw. Daarnaast leidt de btw-vrijstelling in de praktijk tot concurrentievervalsing. Daarom heft artikel 46 artikel 44, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek op » (Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-2891/004, pp. 21 en 22).

In de commissie voor de Sociale Zaken van de Kamer van volksvertegenwoordigers heeft de minister gesteld dat

« net als alle btw-plichtigen, de advocaten de btw op de producten en diensten die ze verwerven, zullen kunnen aftrekken. Het lijkt voor de hand te liggen dat de afgetrokken btw niet aan de cliënt zou worden doorgerekend. In het algemeen kan men ongeacht de betrokken belasting echter niet altijd identificeren wie er de last van draagt, zoals blijkt uit de omvangrijke vakliteratuur daarover. Op de suggestie [...] om particulieren vrij te stellen kan niet worden ingegaan, omdat een dergelijke vrijstelling de maatregel vanuit budgettair oogpunt nutteloos zou maken.

Het klopt voorts dat de overheid - ongeacht welke - voor de aankoop van goederen en diensten btw-plichtig is. Voor de Staat ligt het voor de hand dat die verrichting budgettair neutraal is.

Tot slot neemt de minister nota van de opmerkingen betreffende de hervorming van de rechtsbijstand.

In dit geval werd het echter moeilijk de uitzondering voor de advocaten te handhaven, terwijl zij voor de notarissen of de gerechtsdeurwaarders is opgeheven » (Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-2891/007, pp. 52-53).

Tijdens de bespreking in de Senaat werd gepreciseerd :

« De regering heeft getracht om tijdens de recentste begrotingscontrole een level playing field te bereiken bij de getroffen maatregelen en dit inzonderheid voor de fiscale maatregelen, waarbij er hier en daar lacunes waren ontstaan : de staatssecretaris denkt hierbij aan de beleggingsvennootschappen, waar nu de lat wordt gelijk gelegd tussen Europese en niet-Europese beleggingsvennootschappen. Ook de invoering van de BTW-plicht voor advocaten is een dergelijke maatregel : vandaag de dag is er reeds voor quasi alle goederen en diensten BTW verschuldigd, de advocaten konden dan ook niet de uitzondering op de regel blijven. De staatssecretaris erkent dat sommige maatregelen niet volledig door iedereen als positief worden geëvalueerd, maar ze waren nodig » (Parl. St., Senaat, 2012-2013, nr. 5-2218/2, p. 8).

Ten aanzien van de bekwaamheid en het belang van de verzoekende partijen

B.3.1. Aangezien de vordering tot schorsing ondergeschikt is aan het beroep tot vernietiging, dient de ontvankelijkheid van dat laatste, en met name wat het bestaan van het vereiste belang betreft, reeds bij het onderzoek van de vordering tot schorsing te worden betrokken.

B.3.2. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt.

B.3.3. De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » heeft met name als taak te waken over de gemeenschappelijke beroepsbelangen van haar leden (artikel 495, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek) en kan initiatieven en maatregelen nemen die nuttig zijn voor de behartiging van de belangen van de advocaat en van de rechtzoekende (artikel 495, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek). Artikel 495 van het Gerechtelijk Wetboek machtigt de voormelde Orde ertoe een beroep tot vernietiging in te stellen of te ondersteunen van bepalingen die de belangen van de advocaat en de rechtzoekende op een nadelige wijze kunnen raken. Die verzoekende partij beschikt dus over het vereiste belang bij het thans voorliggende beroep.

De tweede tot en met de negende verzoekende partij hebben eveneens belang bij het beroep. Gezien hun maatschappelijk doel en de wijze waarop zij hun activiteiten ontplooien, is dat belang het gevolg van hun hoedanigheid van rechtzoekende die niet ertoe is gemachtigd de btw af te trekken, van het feit dat zij de advocatenkosten van andere rechtzoekenden ten laste nemen, van het feit dat zij de behartiging van grondrechten als statutaire doelstelling hebben en van het feit dat zij de behartiging van de toegang van allen tot het gerecht als specifiek doel hebben.

B.3.4.1. De vakorganisaties die geen rechtspersoonlijkheid hebben, hebben in beginsel niet de vereiste bekwaamheid om een beroep tot vernietiging in te stellen voor het Hof. Anders is het wanneer zij optreden in aangelegenheden waarvoor zij wettelijk als afzonderlijke juridische entiteiten zijn erkend en wanneer, terwijl zij wettelijk als dusdanig zijn betrokken bij de werking van overheidsdiensten, de voorwaarden zelf voor hun betrokkenheid bij die werking in het geding zijn.

Als representatieve werknemersorganisatie in de zin van de artikelen 1, punt 4, en 3 van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, mag de tiende verzoekende partij, het Algemeen Belgisch Vakverbond (ABVV), in rechte optreden ter verdediging van de rechten welke haar leden putten in de door haar gesloten overeenkomsten (artikel 4 van de wet van 5 december 1968). Door het hun mogelijk te maken in rechte op te treden, betrekt de wetgever de representatieve werknemersorganisaties bij de openbare dienst van het gerecht.

B.3.4.2. Die verzoekende partij doet blijken van een belang bij het beroep, aangezien de bestreden wet een rechtstreekse weerslag heeft op haar voormelde activiteit wanneer zij daartoe een beroep doet op een advocaat.

B.3.5. Uit het beperkte onderzoek van de ontvankelijkheid van het beroep tot vernietiging waartoe het Hof in het kader van de vordering tot schorsing is kunnen overgaan, blijkt dat het beroep tot vernietiging en dus de vordering tot schorsing ontvankelijk moeten worden geacht.

Ten aanzien van de voorwaarden van de schorsing

B.4. Naar luid van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof dient aan twee grondvoorwaarden te zijn voldaan opdat tot schorsing kan worden besloten :

- de middelen die worden aangevoerd moeten ernstig zijn;

- de onmiddellijke uitvoering van de bestreden maatregel moet een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen berokkenen.

Daar de twee voorwaarden cumulatief zijn, leidt de vaststelling dat één van die voorwaarden niet is vervuld tot de verwerping van de vordering tot schorsing.

Wat het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft

B.5.1. De schorsing van een wetsbepaling door het Hof moet het mogelijk maken te vermijden dat, voor de verzoekende partij, een ernstig nadeel dreigt voort te vloeien uit de onmiddellijke toepassing van de bestreden normen, nadeel dat niet of moeilijk zou kunnen worden hersteld in geval van een vernietiging van die normen.

B.5.2. Uit artikel 22 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 blijkt dat, om te voldoen aan de tweede voorwaarde van artikel 20, 1°, van die wet, de persoon die een vordering tot schorsing instelt, in zijn verzoekschrift concrete en precieze feiten moet uiteenzetten waaruit voldoende blijkt dat de onmiddellijke toepassing van de bepalingen waarvan hij de vernietiging vordert, hem een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.

Die persoon moet met name het bestaan van het risico van een nadeel, de ernst ervan en het verband tussen dat risico en de toepassing van de bestreden bepalingen aantonen.

B.6.1. Om het bestaan van een risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel aan te tonen, voeren de verzoekende partijen allereerst aan dat de uitspraak van een schorsingsarrest vóór 1 januari 2014 het mogelijk zou maken te beletten dat de bestreden bepaling ook maar enig gevolg heeft in afwachting van een vernietigingsarrest, en dat die verdaging van de inwerkingtreding in geval van verwerping van het beroep tot vernietiging voor alle partijen duidelijk minder nadelig zou zijn dan een ontstentenis van schorsing, met het risico, indien het Hof de wet vervolgens dient te vernietigen, dat het sommige gevolgen ervan handhaaft « rekening houdend met de praktische en administratieve moeilijkheden die verbonden zijn aan de terugwerkende kracht van de vernietiging ».

B.6.2. De mogelijkheid voor het Hof om, zo het dit nodig oordeelt, bij wege van algemene beschikking, die gevolgen van de vernietigde bepalingen aan te wijzen welke als gehandhaafd moeten worden beschouwd of voorlopig worden gehandhaafd voor de termijn die het vaststelt, overeenkomstig artikel 8, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989, vormt op zich geen voldoende element om het bestaan aan te tonen van een risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel.

B.7.1. De verzoekende partijen voeren vervolgens aan dat de bestreden bepaling een duidelijke belemmering van het grondrecht op de bijstand door een advocaat en bijgevolg op een eerlijk proces vormt, in het bijzonder voor personen die over gemiddelde inkomsten beschikken en die reeds moeilijkheden ondervinden om de kosten van het beroep op de diensten van een advocaat op zich te nemen.

B.7.2. Om het ernstig en moeilijk te herstellen karakter van een nadeel te beoordelen, mag een rechtspersoon die beginselen verdedigt of een collectief belang beschermt, niet worden verward met de natuurlijke personen die in hun persoonlijke situatie worden geraakt en op wie die beginselen en dat belang betrekking hebben. In zoverre het de schending beoogt van een grondrecht waarvan de verdediging het maatschappelijk doel van de verzoekende partijen vormt, is het aangevoerde nadeel een louter moreel nadeel dat voortvloeit uit de aanneming van wetsbepalingen die in strijd zijn met de beginselen waarvan de verdediging hun maatschappelijk doel vormt. Dat nadeel is niet moeilijk te herstellen, vermits het bij vernietiging van de bestreden bepalingen zou verdwijnen.

B.8.1. De derde, de vijfde, de negende en de tiende verzoekende partij voeren ook aan dat de bestreden maatregel hun vermogen om zelf een beroep te doen op de diensten van advocaten bij de verwezenlijking van hun maatschappelijk doel of bij de verdediging van diegenen die een beroep doen op hen of op hun leden, met 21 pct. vermindert.

B.8.2. Het in dat opzicht aangevoerde risico van een nadeel is een risico van financiële aard.

Het loutere risico van een financieel verlies vormt in beginsel geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel (zie arresten nr. 60/92, B.3.2; nr. 28/96, B.6; nr. 169/2006, B.16.1; nr. 204/2009, B.4; nr. 96/2010, B.29; nr. 44/2012, B.6.3).

Bovendien tonen de verzoekende partijen niet aan dat, in het geval van een vernietiging van de bestreden bepaling, de alsdan ten onrechte geïnde btw slechts zeer moeilijk zou kunnen worden teruggestort.

B.9.1. De verzoekende partijen voeren ten slotte het feit aan dat de inwerkingtreding van de bestreden bepaling de tijdelijke vrijstellingsclausule zou opheffen die is vervat in artikel 371 van de richtlijn 2006/112/EG, dat België de mogelijkheid biedt de diensten van advocaten van de btw te blijven vrijstellen onder de op datum van 1 januari 1978 bestaande voorwaarden.

B.9.2. Het in dat opzicht aangevoerde nadeel kan niet in aanmerking worden genomen.

Krachtens artikel 9, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 hebben de door het Hof gewezen vernietigingsarresten een absoluut gezag van gewijsde vanaf hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad. De vernietiging heeft bovendien retroactieve werking erga omnes, hetgeen impliceert dat de vernietigde norm, of het vernietigde gedeelte van de norm, moet worden geacht nooit te hebben bestaan.

Daaruit volgt dat indien het Hof de bestreden bepaling vernietigt, de mogelijkheid tot afwijking vervat in artikel 371 van de richtlijn 2006/112/EG wordt hersteld.

B.9.3. Overigens beschikt het Hof, tijdens het onderzoek van het beroep tot vernietiging, alsnog over de mogelijkheid om alle voorlopige maatregelen te nemen die zouden zijn vereist voor de vrijwaring van de rechten die aan de eerste verzoekende partij zijn verleend door het recht van de Europese Unie (HvJ, 19 juni 1990, C-213/89, Factortame; grote kamer, 13 maart 2007, C-432/05, Unibet).

B.10. Aangezien niet is voldaan aan één van de voorwaarden die zijn vereist bij artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, kan de vordering tot schorsing niet worden ingewilligd.

Om die redenen,

het Hof

verwerpt de vordering tot schorsing.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 19 december 2013.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

J. Spreutels

Vrije woorden

  • Vordering tot schorsing van artikel 60 van de wet van 30 juli 2013 houdende diverse bepalingen (opheffing van het 1° van artikel 44, § 1, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde met betrekking tot de diensten van advocaten), ingesteld door de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » en anderen. Fiscaal recht

  • Belasting over de toegevoegde waarde

  • Vrijstelling

  • Advocaten

  • Afschaffing. # Schorsing

  • Geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel.