- Arrest van 16 januari 2014

16/01/2014 - 4/2014

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 1053, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en A. Alen, de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût en T. Giet, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter M. Bossuyt, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest van 24 januari 2013 in zake de vof « Comptoir d'Escompte de Namur » tegen V.G. en A.R., in aanwezigheid van Sandrine Job, in haar hoedanigheid van schuldbemiddelaar, en in aanwezigheid van de bvba « APS » en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 30 januari 2013, heeft het Arbeidshof te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt, gelet op de lacune in de wet die niet voorziet in een duidelijke, betrouwbare en officiële kennisgeving aan de partijen ten aanzien van de modaliteiten en termijnen van beroep,

- artikel 1053, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, eventueel in samenhang gelezen met artikel 1675/16, §§ 3 en 4, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, in de interpretatie volgens welke alle partijen - zelfs de niet in beroep gedagvaarde of niet in beroep komende partijen - op straffe van niet-toelaatbaarheid van het hoger beroep binnen de termijn van hoger beroep in de zaak dienen te worden betrokken,

- de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gecombineerd met artikel 6.1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden,

in zoverre :

- het ertoe leidt de partijen bij het hoger beroep zonder redelijke verantwoording verschillend te behandelen naargelang dat hoger beroep betrekking heeft op een uitspraak die een splitsbaar of onsplitsbaar karakter heeft : in het geval van een splitsbaar geschil kan de eiser in hoger beroep (of elke partij bij het hoger beroep) tot aan de sluiting van de debatten de gemeenverklaring van het vonnis vorderen; in het geval van een onsplitsbaar geschil dient die vordering noodzakelijkerwijs te worden ingesteld binnen de termijn van hoger beroep;

- het op onevenredige wijze afbreuk doet aan het recht van toegang tot een rechtbank, zoals gewaarborgd bij artikel 6.1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ten opzichte van de doelstelling van de bepaling, terwijl de verweten tekortkoming geen nadeel berokkent en het aan de formaliteit toegewezen doel in fine bereikt is ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1.1. Artikel 1053 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt :

« Wanneer het geschil onsplitsbaar is, moet hoger beroep gericht worden tegen alle partijen wier belang in strijd is met dat van de eiser in hoger beroep.

Deze moet bovendien de andere niet in beroep komende, niet in beroep gedagvaarde of niet opgeroepen partijen binnen de gewone termijnen van hoger beroep en ten laatste voor de sluiting van de debatten in de zaak betrekken.

Bij niet-inachtneming van de in dit artikel gestelde regels wordt het hoger beroep niet toegelaten.

De beslissing kan worden tegengeworpen aan alle in de zaak betrokken partijen ».

B.1.2. Artikel 31 van hetzelfde Wetboek bepaalt :

« Het geschil is enkel onsplitsbaar, in de zin van de artikelen 735, § 5, 747, § 2, zevende lid, 1053, 1084 en 1135, wanneer de gezamenlijke tenuitvoerlegging van de onderscheiden beslissingen waartoe het aanleiding geeft, materieel onmogelijk zou zijn ».

B.1.3. Artikel 812 van hetzelfde Wetboek bepaalt :

« Tussenkomst kan geschieden voor alle gerechten, ongeacht de vorm van de rechtspleging, zonder dat echter reeds bevolen onderzoeksverrichtingen afbreuk mogen doen aan de rechten van de verdediging.

Tussenkomst tot het verkrijgen van een veroordeling kan niet voor de eerste maal plaatsvinden in hoger beroep ».

B.2.1. Het Hof wordt ondervraagd over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, van artikel 1053, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek in zoverre die bepaling de partijen bij het hoger beroep verschillend behandelt naargelang dat hoger beroep betrekking heeft op een splitsbaar of onsplitsbaar geschil en in zoverre zij op onevenredige wijze afbreuk zou doen aan het bij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens gewaarborgde recht op toegang tot de rechter.

B.2.2. De verwijzende rechter gaat uit van de premisse dat het voor hem hangende geschil met betrekking tot een procedure van collectieve schuldenregeling een onsplitsbaar geschil in de zin van artikel 31 van het Gerechtelijk Wetboek is.

Hij is eveneens van oordeel dat de in het geding zijnde bepaling, in tegenstelling tot wat artikel 812 van het Gerechtelijk Wetboek in verband met de splitsbare geschillen bepaalt, vereist dat in het verzoekschrift tot hoger beroep alle partijen, zelfs die welke geen belang hebben dat in strijd is met dat van de eiser in hoger beroep, binnen de termijn van hoger beroep in de zaak moeten worden betrokken, en dat een vordering tot gemeenverklaring van het te wijzen arrest, die na het verstrijken van de wettelijke termijn maar vóór de sluiting van de debatten is ingesteld, onontvankelijk moet worden verklaard.

Het is in die interpretatie dat het Hof de prejudiciële vraag beantwoordt.

B.2.3. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt bovendien dat de door de geïntimeerde partijen voor de verwijzende rechter opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid berust op het feit dat de appellante de andere schuldeisers van de schuldenaars die schuldbemiddeling genieten, partijen in het geding voor de eerste rechter, na het verstrijken van de wettelijke termijn van hoger beroep maar vóór de sluiting van de debatten in de zaak heeft betrokken.

B.3. Ter ondersteuning van zijn prejudiciële vraag vermeldt de verwijzende rechter eveneens artikel 1675/16, §§ 3 en 4, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Zoals het op het voor de verwijzende rechter hangende geschil van toepassing is, bepaalt dat artikel :

« § 1. Alle oproepingen in het raam van de procedure van de collectieve schuldenregeling worden door de griffier bij gewone brief ter kennis gebracht.

§ 2. De volgende uitspraken worden door de griffier bij gerechtsbrief ter kennis gebracht :

1° de beschikking van toelaatbaarheid, bedoeld in artikel 1675/6;

2° alle uitspraken die de collectieve schuldenregeling beëindigen of herroepen;

3° de herroeping van de beschikking van toelaatbaarheid, bedoeld in artikel 1675/15;

4° de uitspraken inzake het derdenverzet tegen de beschikking van toelaatbaarheid, bedoeld in artikel 1675/6.

§ 3. Alle overige uitspraken worden door de griffier bij een ter post aangetekende brief ter kennis gebracht.

§ 4. De uitspraken zijn uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande hoger beroep en zonder borgstelling.

Behalve wat de in artikel 1675/6 bedoelde beschikking van toelaatbaarheid betreft en zonder dat, in deze veronderstelling, artikel 1122, tweede lid, 3°, kan worden ingeroepen, zijn die uitspraken niet vatbaar voor derdenverzet.

De vonnissen en arresten die bij verstek werden gewezen zijn niet vatbaar voor verzet.

De kennisgeving van de uitspraken geldt als betekening ».

B.4. De geïntimeerde partijen voor de verwijzende rechter zijn van mening dat de in de prejudiciële vraag beoogde categorieën van personen niet voldoende vergelijkbaar zijn.

Wanneer de toegang tot een rechter voor één categorie van personen wordt belemmerd, kan die categorie van personen echter worden vergeleken met elke categorie van personen waarvoor de toegang tot een rechter niet wordt belemmerd.

B.5. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden, houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen.

B.6.1. Het recht op toegang tot de rechter, dat een onderdeel is van het recht op een eerlijk proces, kan worden onderworpen aan ontvankelijkheidsvoorwaarden, met name wat betreft het instellen van een rechtsmiddel. Die voorwaarden mogen echter niet ertoe leiden dat het recht op zodanige wijze wordt beperkt dat de kern ervan wordt aangetast. Dit zou het geval zijn wanneer de beperkingen geen wettig doel nastreven of indien er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel.

De verenigbaarheid van die beperkingen met het recht op toegang tot een rechterlijke instantie hangt af van de bijzonderheden van de in het geding zijnde procedure en wordt beoordeeld in het licht van het proces in zijn geheel (EHRM, 24 februari 2009, L'Erablière t. België, § 36; 29 maart 2011, R.T.B.F. t. België, § 69).

B.6.2. Meer in het bijzonder zijn de regels betreffende de vormvoorschriften en termijnen om beroep in te stellen gericht op een goede rechtsbedeling en het weren van de risico's van rechtsonzekerheid. Die regels mogen de rechtzoekenden echter niet verhinderen de beschikbare rechtsmiddelen te doen gelden.

Bovendien « dienen de rechtbanken, door de procedureregels toe te passen, zowel een overdreven formalisme dat afbreuk zou doen aan het eerlijke karakter van de procedure, als een buitensporige soepelheid die zou leiden tot het afschaffen van de bij de wet vastgestelde procedurele vereisten, te vermijden » (EHRM, 26 juli 2007, Walchli t. Frankrijk, § 29; 25 mei 2004, Kadlec en anderen t. Tsjechische Republiek, § 26). « Het recht op toegang tot een rechter wordt immers aangetast wanneer de reglementering ervan niet langer de doelstellingen van de rechtszekerheid en de behoorlijke rechtsbedeling dient en een soort van hinderpaal vormt die de rechtzoekende verhindert zijn geschil ten gronde door het bevoegde rechtscollege beslecht te zien » (EHRM, 24 mei 2011, Sabri Gunes t. Turkije, § 58; 13 januari 2011, Evaggelou t. Griekenland, § 19).

B.7.1. Vóór de invoering van het Gerechtelijk Wetboek was de appellant in het kader van een onsplitsbaar geschil ertoe gehouden alle partijen wier belangen niet in strijd waren met de zijne, in de zaak te betrekken, maar hij was ertoe gemachtigd zulks te doen tot de sluiting van de debatten (Cass., 18 september 1947, Arr. Cass., 1947-1948, p. 275).

B.7.2. Tijdens de parlementaire voorbereiding van het Gerechtelijk Wetboek werd de in het geding zijnde bepaling als volgt verantwoord :

« Het beginsel dat door artikel 1053 wordt bevestigd stemt overeen met wat de rechtsleer en de rechtspraak ons leren. Wanneer een geding onsplitsbaar is moet hij die een rechtsmiddel aanwendt alle partijen die een belang hebben verdedigd dat met het zijne strijdig is in de zaak oproepen. Hij moet bovendien diegenen die met hem samen in de zaak belang hebben en geen rechtsmiddel hebben aangewend oproepen voor gemeenverklaring van het vonnis. Die regels stemmen overeen met een vaste rechtspraak van het Hof van cassatie, sedert zijn arrest van 18 september 1947.

De rechtsleer neemt voor het overige aan dat het beroep tot gemeenverklaring van het vonnis, waarvan de uitwerking overigens beperkt is, kan ingesteld worden door de partij die het rechtsmiddel aanwendt tot bij de sluiting van de debatten. De tekst stelt dit ook uitdrukkelijk.

De regels die gesteld worden in artikel 1053 verschillen nochtans op enkele punten van het stelsel dat het Hof van cassatie heeft gevestigd.

Volgens dit laatste kan de niet-ontvankelijkheid die afgeleid wordt uit de niet-inachtneming van de voorgaande regels, niet ambtshalve door de rechter worden opgeworpen. Dit is een gevolg van het feit dat de exceptie van het gewijsde niet van openbare orde is, en dus moet ingeroepen worden door de partij die er zich op beroept. In het stelsel van het ontworpen wetboek daarentegen vloeien de regels van de onsplitsbaarheid niet voort uit de ontleding van het begrip van het gezag van het gewijsde, maar bijzonder uit het begrip onsplitsbaarheid in de burgerlijke rechtspleging. Volgens de bepaling van artikel 31, is het geding onsplitsbaar wanneer het voorwerp is van verschillende beslissingen en het materieel onmogelijk is deze samen uit te voeren. Het middel dat wordt afgeleid uit het niet in de zaak brengen van alle partijen in het geval van onsplitsbaarheid, zal eventueel ambtshalve worden opgeworpen daar de partijen er in ieder geval toe in staat moeten gesteld worden hun opmerkingen te laten gelden [...].

Krachtens artikel 1053 moet beroep worden aangetekend binnen de beroepstermijn, tegen alle partijen die een belang hebben dat strijdig is met dat van de eiser in beroep; het in de zaak brengen van de andere partijen kan plaats hebben binnen de beroepstermijn en ten laatste tot aan de sluiting van de debatten. Op dit punt wijkt het ontwerp, ter vereenvoudiging, ook af van de oplossing die door het Hof van cassatie was toegelaten. Het ligt voor de hand dat de medebelanghebbende die zo in de zaak wordt geroepen, geen rechten kan laten gelden die verschillen van die van de oorspronkelijke eiser in beroep, tenzij hij eventueel incidenteel beroep instelt » (Parl. St., Senaat, 1963-1964, nr. 60, p. 249).

B.7.3. Daaruit volgt dat de verplichting om de niet in beroep komende of niet in beroep gedagvaarde partijen wier belang niet in strijd is met dat van de eiser in hoger beroep, binnen de wettelijke termijn van hoger beroep in de zaak te betrekken, wordt verantwoord vanuit een bekommernis om vereenvoudiging van de procedureregels.

B.8.1. Door te waken over het uitvaardigen van eenvoudige procedureregels waarvan de inachtneming gemakkelijk kan worden nagegaan door de rechtscolleges, streeft de wetgever een legitiem doel na.

Het Hof dient evenwel erover te waken dat de in het geding zijnde maatregel niet op onevenredige wijze afbreuk doet aan het recht op toegang tot de rechter, met name gezien de gevolgen die de schending ervan kan teweegbrengen voor de situatie van de gedingvoerende partijen.

B.8.2. Daarentegen staat het niet aan het Hof maar aan het verwijzende rechtscollege erover te waken dat het, rekening houdend met alle elementen die eigen zijn aan het specifieke geschil dat erbij aanhangig is gemaakt, de in het geding zijnde bepaling niet op een overdreven formalistische wijze toepast, in strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

In dat verband zal de verwijzende rechter rekening kunnen houden met niet alleen de ontstentenis van enige informatie betreffende de beroepstermijnen of -modaliteiten in de kennisgeving van het vonnis in eerste aanleg (zie, mutatis mutandis, EHRM, 31 januari 2012, Assunçao Chaves t. Portugal, §§ 80-88), maar ook met de informatieve rol die de griffie van het verwijzende rechtscollege in beginsel dient te vervullen bij de ontvangst van een verzoekschrift tot hoger beroep (zie, mutatis mutandis, EHRM, 26 juli 2007, Walchli t. Frankrijk, § 35).

B.9.1. De in het geding zijnde bepaling is in duidelijke en voorzienbare bewoordingen opgesteld en maakt het de rechter in hoger beroep mogelijk om vanaf de aanvang van het rechtsgeding een totaalbeeld te hebben van de inzet van het onsplitsbare geschil waarvan hij kennis moet nemen, en bijgevolg het goede verloop van de rechtspleging te bevorderen.

Daarenboven brengt de verplichting om alle niet in beroep komende of niet in beroep gedagvaarde partijen binnen de wettelijke termijn van één maand vanaf de kennisgeving van het vonnis in eerste aanleg in de zaak te betrekken, geen aanzienlijke moeilijkheden met zich mee voor de appellante voor de verwijzende rechter aangezien die partijen haar bekend zijn, zij door een advocaat werd vertegenwoordigd en de termijn van hoger beroep niet dermate kort is dat hij de aanwending van dat rechtsmiddel buitensporig moeilijk of onmogelijk zou maken.

B.9.2. Voor het overige, zoals het Hof bij zijn arrest nr. 40/2007 van 15 maart 2007 heeft geoordeeld, brengt de omstandigheid dat de in artikel 1675/16 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde kennisgeving niet de in artikel 792, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde verplichte vermeldingen bevat, geen onevenredige beperking van de rechten van de betrokken rechtzoekenden teweeg.

Het Hof heeft onder meer geoordeeld dat de aard van het contentieux met betrekking tot de collectieve schuldenregeling, in tegenstelling tot de geschillen waarbij sociaal verzekerden in het geding worden gebracht, kon verantwoorden dat dergelijke vermeldingen niet voorkomen in de kennisgeving van de in eerste aanleg gewezen beslissing. Op dezelfde wijze kan dat soort van contentieux, van louter vermogensrechtelijke aard, niet nuttig worden vergeleken met een geschil met betrekking tot de ontzetting uit het ouderlijk gezag en de plaatsing van een minderjarig kind met het oog op zijn adoptie, waarover het Europees Hof zich in zijn voormelde arrest Assunçao Chaves t. Portugal heeft uitgesproken.

B.9.3. Daaruit volgt dat er een redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel (zie, mutatis mutandis, EHRM, beslissing, 21 november 2000, Comité des quartiers Mouffetard et des bords de Seine en anderen t. Frankrijk; beslissing, 23 oktober 2007, Beauseigneur t. Frankrijk).

B.10. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 1053, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 16 januari 2014.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

J. Spreutels

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag betreffende artikel 1053, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door het Arbeidshof te Brussel. Gerechtelijk recht

  • Burgerlijke rechtspleging

  • Rechtsmiddelen

  • Hoger beroep

  • Onsplitsbaar geschil

  • Verplichting om alle niet in beroep komende of niet in beroep gedagvaarde partijen in de zaak te betrekken

  • Termijn. # Rechten en vrijheden

  • Recht op een eerlijk proces

  • Recht op toegang tot de rechter.