- Arrest van 16 januari 2014

16/01/2014 - 5/2014

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

De woorden « geldboeten die definitief zijn uitgesproken tot 3 juni 2011 » in het dictum van het arrest nr. 134/2012 van 30 oktober 2012 beogen de uitgesproken geldboeten die op 3 juni 2011 niet meer vatbaar zijn om nog het voorwerp uit te maken van een beroep tot nietigverklaring voor de Raad van State alsook de uitgesproken geldboeten die het voorwerp hebben uitgemaakt van een beroep tot nietigverklaring dat uiterlijk op 3 juni 2011 door de Raad van State is verworpen.

Dezelfde woorden beogen niet de geldboeten die zijn uitgesproken tot 3 juni 2011 en die het voorwerp uitmaken van een beroep tot nietigverklaring waarover de Raad van State nog na 3 juni 2011 uitspraak dient te doen.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en A. Alen, de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût en T. Giet, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter M. Bossuyt, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de vordering en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 26 juni 2013 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 27 juni 2013, is een vordering tot uitlegging van het arrest van het Hof nr. 134/2012 van 30 oktober 2012 ingesteld door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering.

(...)

II. In rechte

(...)

Ten aanzien van het onderwerp van het verzoekschrift

B.1. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering heeft, op grond van artikel 118 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, een vordering ingesteld tot uitlegging van B.9 en van het dictum van het arrest nr. 134/2012 van 30 oktober 2012.

B.2. Bij dat arrest heeft het Hof uitspraak gedaan over het beroep tot vernietiging van de artikelen 33, 7°, b), 35, 37, 38, 39bis en 41 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 25 maart 1999 betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu, ingesteld door de vennootschap naar Duits recht « European Air Transport Leipzig GmbH » (EAT) en de vzw « Belgian Air Transport Association » (BATA). De Brusselse Hoofdstedelijke Regering was partij bij de rechtspleging in die zaak.

In het dictum ervan heeft het Hof artikel 33, 7°, b), van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 25 maart 1999 vernietigd, in zoverre het, tot 7 december 2011, niet toeliet rekening te houden met de verzachtende omstandigheden die het mogelijk maken een geldboete op te leggen waarvan het bedrag lager ligt dan het daarin vastgestelde minimum van de geldboete en heeft het de gevolgen van de vernietigde bepaling gehandhaafd « ten aanzien van de geldboeten die definitief zijn uitgesproken tot 3 juni 2011 ».

In B.9 verantwoordt het Hof de handhaving van de gevolgen van de vernietigde bepaling als volgt :

« Teneinde rekening te houden met de administratieve moeilijkheden en met het administratieve contentieux die uit het vernietigingsarrest zouden kunnen voortvloeien, dienen met toepassing van artikel 8, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 de gevolgen van het voormelde artikel 33, 7°, te worden gehandhaafd tot 3 juni 2011, datum waarop het arrest nr. 44/2011 van het Hof in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt, ten aanzien van de geldboeten die definitief zijn uitgesproken ».

B.3. Met haar vordering tot uitlegging vraagt de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aan het Hof de betekenis toe te lichten die moet worden gegeven aan de woorden « van de geldboeten die definitief zijn uitgesproken tot 3 juni 2011 », die voorkomen in B.9 en het dictum van de Franse versie van het arrest nr. 134/2012 en in het dictum van de Nederlandse versie van hetzelfde arrest.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoekschrift

B.4.1. De partijen EAT en BATA merken op dat de verzoekende partij het bewijs van de beslissing van haar minister-president om tot uitlegging van het arrest nr. 134/2012 in rechte te treden, niet heeft bijgevoegd, in tegenstelling tot wat artikel 7, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989, dat van toepassing is op de procedure voor de vordering tot uitlegging, voorschrijft.

B.4.2. Artikel 118 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 bepaalt :

« Op vordering van de partijen bij het beroep tot vernietiging of van het rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld, geeft het Hof een uitlegging van het arrest. De vordering tot uitlegging wordt ingesteld overeenkomstig artikel 5 of artikel 27, naar gelang van het geval. Zij wordt medegedeeld aan alle partijen in het geding.

Voor het overige is de voor het verzoekschrift tot vernietiging of voor de prejudiciële vraag voorgeschreven rechtspleging toepasselijk.

De minuut van het uitleggend arrest wordt aan de minuut van het uitgelegde arrest gehecht. Van het uitleggend arrest wordt melding gemaakt op de kant van het uitgelegde arrest ».

Artikel 7 van diezelfde bijzondere wet bepaalt :

« De verzoekende partij voegt bij haar verzoekschrift een afschrift van de wet, het decreet of de in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel waartegen het beroep gericht is, en, in voorkomend geval, van de bijlagen ervan.

Indien het beroep wordt ingesteld door de Ministerraad, door de Regering van een Gemeenschap of een Gewest of door de voorzitter van een wetgevende vergadering, voegt de verzoekende partij daarenboven bij haar verzoekschrift een voor eensluidend verklaard afschrift van de beslissing waarbij zij besloten heeft het beroep in te stellen.

Indien een rechtspersoon het beroep instelt of in het geding tussenkomt, legt deze partij, op het eerste verzoek, het bewijs voor van de beslissing om het beroep in te stellen of voort te zetten of om tussen te komen en, wanneer haar statuten moeten worden bekendgemaakt in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad, een kopie van die bekendmaking ».

B.4.3. Artikel 118 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 maakt het de personen die partij zijn geweest bij een beroep tot vernietiging mogelijk om een vordering in te stellen tot uitlegging van het arrest met betrekking tot dat beroep. Die vordering past in het verlengde van de procedure die is ingesteld door middel van het beroep tot vernietiging en vormt geen nieuw beroep tot vernietiging. De partijen zijn dus niet onderworpen aan de voorwaarden bepaald in artikel 7, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 voor het instellen van een beroep tot vernietiging.

B.4.4. De vordering tot uitlegging is ontvankelijk.

Ten aanzien van de vordering tot uitlegging van de partijen EAT en BATA

B.5.1. De partijen EAT en BATA vragen het Hof andere elementen in het arrest nr. 134/2012 toe te lichten, gelet op de rechtspraak van de Raad van State volgend op het arrest nr. 134/2012.

B.5.2. Het Hof moet de omvang van de vordering tot uitlegging bepalen op basis van de inhoud van het verzoekschrift. Zoals in B.1 is gepreciseerd, heeft het verzoekschrift tot uitlegging betrekking op B.9 en het dictum van het arrest nr. 134/2012, betreffende de handhaving van de gevolgen van artikel 33, 7°, b), van de bestreden ordonnantie van 25 maart 1999 ten aanzien van de geldboeten die definitief zijn uitgesproken tot 3 juni 2011.

De vordering tot uitlegging van de partijen EAT en BATA heeft betrekking op andere onderdelen van het arrest nr. 134/2012 en valt dus niet onder de beperkte saisine van het Hof.

Die vordering strekt er overigens toe rechterlijke uitspraken door het Hof te laten controleren. Het Hof is echter niet bevoegd om na te gaan of een rechterlijke uitspraak het gezag van zijn arresten in acht neemt.

B.5.3. De vordering tot uitlegging van de partijen EAT en BATA is niet ontvankelijk.

Ten aanzien van de uitsluiting uit de debatten van een deel van de memorie van antwoord van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering

B.6.1. De partijen EAT en BATA vragen aan het Hof de passages van de memorie van antwoord van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering te weren waarin niet-bekendgemaakte beslissingen worden aangevoerd die die partij uitdrukkelijk heeft geweigerd voor te leggen.

B.6.2. Aangezien die passages betrekking hebben op de vordering tot uitlegging van de partijen EAT en BATA die onontvankelijk is, is de vraag van die partijen om ze uit de debatten te weren eveneens onontvankelijk.

Ten aanzien van de vordering tot uitlegging

B.7. De woorden « geldboeten die definitief zijn uitgesproken tot 3 juni 2011 » beogen de uitgesproken geldboeten die op 3 juni 2011 niet meer vatbaar zijn om nog het voorwerp uit te maken van een beroep tot nietigverklaring voor de Raad van State alsook de uitgesproken geldboeten die het voorwerp hebben uitgemaakt van een beroep tot nietigverklaring dat uiterlijk op 3 juni 2011 door de Raad van State is verworpen. De geldboeten die zijn uitgesproken tot 3 juni 2011 en die het voorwerp uitmaken van een beroep tot nietigverklaring waarover de Raad van State nog na 3 juni 2011 uitspraak dient te doen, worden dus niet beoogd door de beslissing tot handhaving van de gevolgen vervat in het arrest nr. 134/2012.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

De woorden « geldboeten die definitief zijn uitgesproken tot 3 juni 2011 » in het dictum van het arrest nr. 134/2012 van 30 oktober 2012 beogen de uitgesproken geldboeten die op 3 juni 2011 niet meer vatbaar zijn om nog het voorwerp uit te maken van een beroep tot nietigverklaring voor de Raad van State alsook de uitgesproken geldboeten die het voorwerp hebben uitgemaakt van een beroep tot nietigverklaring dat uiterlijk op 3 juni 2011 door de Raad van State is verworpen.

Dezelfde woorden beogen niet de geldboeten die zijn uitgesproken tot 3 juni 2011 en die het voorwerp uitmaken van een beroep tot nietigverklaring waarover de Raad van State nog na 3 juni 2011 uitspraak dient te doen.

Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 16 januari 2014.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

J. Spreutels

Vrije woorden

  • Vordering tot uitlegging van het arrest nr. 134/2012 van 30 oktober 2012, ingesteld door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering. Leefmilieu

  • Strijd tegen geluidshinder

  • Overtredingen

  • Administratieve geldboeten

  • Onmogelijkheid om verzachtende omstandigheden in aanmerking te nemen.