- Arrest van 16 januari 2014

16/01/2014 - 2/2014

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 49, § 2, en de artikelen 79bis tot 79octies van het decreet van 31 maart 2004 « betreffende de organisatie van het hoger onderwijs ter bevordering van de integratie in de Europese ruimte van het hoger onderwijs en betreffende de herfinanciering van de universiteiten », zoals zij voor het academiejaar 2005-2006 op de studie in de geneeskunde van toepassing waren, schenden niet de artikelen 10, 11 en 24, § 3, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 24, § 4, van de Grondwet, met artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 13, lid 2, onder c), van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en A. Alen, de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, P. Nihoul en F. Daoût, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter M. Bossuyt, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

Bij vonnis van 28 september 2012 in zake Marie Boonen en anderen tegen de Franse Gemeenschap, in aanwezigheid van Marie-Christine Vroonen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 22 oktober 2012, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld :

« - Schenden artikel 3, B), van het decreet van de Franse Gemeenschap van 1 juli 2005 betreffende de studies in de geneeskunde en de tandheelkunde, in zoverre het een artikel 49, § 2, in het decreet van de Franse Gemeenschap van 31 maart 2004 betreffende de organisatie van het hoger onderwijs ter bevordering van de integratie in de Europese ruimte van het hoger onderwijs en betreffende de herfinanciering van de universiteiten heeft ingevoegd, en artikel 10 van datzelfde decreet van 1 juli 2005, in zoverre het een afdeling 3bis in hoofdstuk IV van titel III van het voormelde decreet van 31 maart 2004 heeft ingevoegd, de artikelen 10, 11 en 24, § 3, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 13, lid 2, onder c), van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, met artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 24, § 4, van de Grondwet, in zoverre bepalingen de gelijke toegang tot het hoger onderwijs beperken door een systeem met een numerus fixus vast te leggen dat de toegang tot het tweede jaar van de universitaire studie in de geneeskunde niet beperkt naar gelang van de bekwaamheden van de studenten maar enkel naar gelang van de beschikbare plaatsen, hetgeen studenten die voor hun eerste studiejaar zijn geslaagd, in voorkomend geval ertoe brengt dat zij geen toegang kunnen krijgen tot het tweede ?

- Schenden artikel 3, B), van het decreet van de Franse Gemeenschap van 1 juli 2005 betreffende de studies in de geneeskunde en de tandheelkunde, in zoverre het een artikel 49, § 2, in het decreet van de Franse Gemeenschap van 31 maart 2004 betreffende de organisatie van het hoger onderwijs ter bevordering van de integratie in de Europese ruimte van het hoger onderwijs en betreffende de herfinanciering van de universiteiten heeft ingevoegd, en artikel 10 van datzelfde decreet van 1 juli 2005, in zoverre het een afdeling 3bis in hoofdstuk IV van titel III van het voormelde decreet van 31 maart 2004 heeft ingevoegd, de artikelen 10, 11 en 24, § 3, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 13, lid 2, onder c), van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, met artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 24, § 4, van de Grondwet, in zoverre zij een systeem met een numerus fixus vastleggen dat de toegang tot het tweede jaar van de universitaire studie in de geneeskunde niet beperkt naar gelang van de bekwaamheden van de studenten, terwijl een dergelijk systeem voordien niet bestond en zonder dat er redenen bestaan die verband houden met het algemeen belang dat die aanzienlijke achteruitgang van de mate van bescherming van het recht op toegang tot het hoger onderwijs verantwoordt ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen

B.1.1. De Franse Gemeenschapsregering voert aan dat het Hof niet bevoegd zou zijn omdat het geschil dat door de prejudiciële vragen aan het Hof wordt voorgelegd betrekking heeft op een burgerlijk recht.

B.1.2. Het Hof is bevoegd om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen omtrent de schending, door een decreet, van de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet (artikel 142, tweede lid, 2°, en derde lid, van de Grondwet; artikel 26, § 1, 3°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof).

Wanneer een vraag betreffende een dergelijke schending wordt « opgeworpen » voor een rechtscollege, moet dat rechtscollege het Hof in beginsel verzoeken erop te antwoorden (artikel 26, § 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989).

Zelfs indien het antwoord op een dergelijke vraag nuttig kan zijn om een geschil over een burgerlijk recht in de zin van artikel 144 van de Grondwet te beslechten, vormt dat antwoord daarom niet als dusdanig de regeling van een dergelijk geschil.

B.1.3. Aangezien beide prejudiciële vragen betrekking hebben op de bestaanbaarheid van twee bepalingen van een decreet van de Franse Gemeenschap met de artikelen 10, 11 en 24, § 3, van de Grondwet, is het Hof bevoegd om erop te antwoorden.

B.2.1. In de regel komt het het rechtscollege toe dat het Hof een vraag stelt, vast te stellen welke de wetsbepalingen zijn die toepasselijk zijn op het geschil dat erbij aanhangig is gemaakt, en, algemener, na te gaan of het antwoord op een prejudiciële vraag nuttig is om het aan het rechtscollege voorgelegde geschil te beslechten.

Enkel wanneer het antwoord klaarblijkelijk niet nuttig is om het geschil te beslechten, met name omdat de in het geding zijnde bepaling klaarblijkelijk niet erop van toepassing is, vermag het Hof te beslissen dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft.

B.2.2. Samen met de rechter die aan het Hof vragen stelt, dient te worden opgemerkt dat het antwoord op de gestelde vragen klaarblijkelijk niet nutteloos is om het geschil te beslechten.

B.2.3. De exceptie wordt verworpen.

Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag

B.3. Het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van artikel 49, § 2, en van de artikelen 79bis tot 79octies van het decreet van 31 maart 2004, zoals zij op het academiejaar 2005-2006 van toepassing waren, met de artikelen 10, 11 en 24, § 3, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 24, § 4, van de Grondwet, met artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 13, lid 2, onder c), van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, in zoverre de in het geding zijnde bepalingen, door de toegang tot het tweede studiejaar van de eerste cyclus in de geneeskunde enkel naar gelang van de beschikbare plaatsen te beperken, afbreuk zouden hebben gedaan aan het recht op gelijke toegang tot het hoger onderwijs van de studenten die na afloop van het academiejaar 2005-2006 de 60 « studiepunten » hadden verworven die zijn verbonden aan de tijdens het eerste studiejaar van die cyclus gevolgde lessen.

B.4.1. Artikel 24, § 3, van de Grondwet bepaalt :

« Ieder heeft recht op onderwijs, met eerbiediging van de fundamentele rechten en vrijheden. De toegang tot het onderwijs is kosteloos tot het einde van de leerplicht.

Alle leerlingen die leerplichtig zijn, hebben ten laste van de gemeenschap recht op een morele of religieuze opvoeding ».

Dat recht staat een reglementering van de toegang tot het onderwijs, inzonderheid van het onderwijs dat wordt verstrekt na afloop van de leerplicht, op grond van de behoeften en de mogelijkheden van de gemeenschap en het individu, niet in de weg.

B.4.2. Artikel 24, § 4, van de Grondwet bepaalt :

« Alle leerlingen of studenten, ouders, personeelsleden en onderwijsinstellingen zijn gelijk voor de wet of het decreet. De wet en het decreet houden rekening met objectieve verschillen, waaronder de eigen karakteristieken van iedere inrichtende macht, die een aangepaste behandeling verantwoorden ».

B.5. Artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met als opschrift « Recht op onderwijs », bepaalt :

« Niemand zal het recht op onderwijs worden ontzegd. Bij de uitoefening van alle functies welke de Staat in verband met de opvoeding en het onderwijs op zich neemt zal de Staat het recht eerbiedigen van de ouders om voor hun kinderen zich van die opvoeding en van dat onderwijs te verzekeren welke overeenstemmen met hun eigen godsdienstige en filosofische overtuigingen ».

Die bepaling verleent onder meer een recht op toegang tot de bestaande zowel openbare als private instellingen voor hoger onderwijs (EHRM, grote kamer, 10 november 2005, Leyla Sahin t. Turkije, §§ 134-142, 152-153; grote kamer, 19 oktober 2012, Catan en anderen t. Moldavië en Rusland, §§ 137 en 139). Zij vereist dat de houder van dat recht op toegang de mogelijkheid moet kunnen hebben om een voordeel uit het gevolgde onderwijs te halen, met andere woorden het recht om, overeenkomstig de in de betrokken Staat van kracht zijnde regels en in een of andere vorm, de officiële erkenning van de voltooide studie te verkrijgen (EHRM, grote kamer, 10 november 2005, Leyla Sahin t. Turkije, § 152; grote kamer, 19 oktober 2012, Catan en anderen t. Moldavië en Rusland, § 137).

Het recht op onderwijs vereist van nature een overheidsregeling waarin rekening wordt gehouden met onder meer de behoeften en de middelen van de gemeenschap, alsook met de bijzondere kenmerken van het niveau van het in aanmerking genomen onderwijs (EHRM, grote kamer, 10 november 2005, Leyla Sahin t. Turkije, § 154; grote kamer, 19 oktober 2012, Catan en anderen t. Moldavië en Rusland, § 140). Dat recht, dat niet absoluut is, kan aan bepaalde beperkingen worden onderworpen voor zover die voorzienbaar zijn en in een redelijk verband van evenredigheid met het nagestreefde legitieme doel staan. De Staat beschikt in dat opzicht over een beoordelingsmarge die des te groter is naarmate het in aanmerking genomen onderwijsniveau hoog is (EHRM, grote kamer, 10 november 2005, Leyla Sahin t. Turkije, § 154; grote kamer, 19 oktober 2012, Catan en anderen t. Moldavië en Rusland, § 140). Het recht op onderwijs verbiedt niet dat de toegang tot de universiteit wordt beperkt tot diegenen die tijdig hebben gevraagd om te worden toegelaten en die voor de examens zijn geslaagd (EHRM, beslissing, 16 november 1999, Lukach t. Rusland, § 3).

Artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens waarborgt eveneens de gelijke behandeling van alle burgers bij de uitoefening van het recht op onderwijs (EHRM, grote kamer, 10 november 2005, Leyla Sahin t. Turkije, § 152).

B.6. Artikel 13 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten bepaalt :

« 1. De Staten die partij zijn bij dit Verdrag erkennen het recht van een ieder op onderwijs. [...]

2. De Staten die partij zijn bij dit Verdrag erkennen dat, ten einde tot een volledige verwezenlijking van dit recht te komen :

[...]

c) Het hoger onderwijs door middel van alle passende maatregelen en in het bijzonder door de geleidelijke invoering van kosteloos onderwijs voor een ieder op basis van bekwaamheid gelijkelijk toegankelijk dient te worden gemaakt;

[...] ».

Artikel 2, lid 1, van hetzelfde Verdrag bepaalt :

« Iedere Staat die partij is bij dit Verdrag verbindt zich maatregelen te nemen, zowel zelfstandig als binnen het kader van de internationale hulp en samenwerking, met name op economisch en technisch gebied, en met volledige gebruikmaking van de hem ter beschikking staande hulpbronnen, ten einde met alle passende middelen, inzonderheid de invoering van wettelijke maatregelen, tot een algehele verwezenlijking van de in dit Verdrag erkende rechten te komen ».

Uit die bepalingen vloeit voort dat de gelijke toegang tot het hoger onderwijs geleidelijk moet worden ingevoerd op basis van bekwaamheid, rekening houdend met de economische mogelijkheden en de specifieke toestand van de overheidsfinanciën van elke verdragspartij.

Artikel 13, lid 2, onder c), van het Verdrag doet dus geen recht op toegang tot het hoger onderwijs ontstaan. Het verzet zich evenwel ertegen dat het Koninkrijk België, na de inwerkingtreding van het Verdrag te zijnen aanzien - op 21 juli 1983 -, maatregelen neemt die zouden ingaan tegen het doel van de volkomen gelijke toegang tot het hoger onderwijs op basis van bekwaamheid.

Die bepaling staat niet eraan in de weg dat de toegang tot het hoger onderwijs afhankelijk wordt gemaakt van voorwaarden die de bekwaamheid van de studenten betreffen, voor zover die voorwaarden in overeenstemming zijn met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie.

B.7.1. Een « studiepunt » is een « eenheid die overeenstemt met de tijd die de student binnen een studieprogramma aan een studieactiviteit binnen een bepaalde leerdiscipline heeft besteed ». De studiepunten worden aan de student toegekend na een gunstige beoordeling van de verworven bekwaamheden en kennis (artikel 6, § 1, 8°, van het decreet van 31 maart 2004, vervangen bij artikel 4 van het decreet van 20 oktober 2011).

Het staat aan de bevoegde examencommissie, bestaande uit de academische overheden, de studiepunten toe te kennen die zijn verbonden aan het onderwijs waarvan zij de resultaten toereikend acht (artikelen 68, § 1, eerste lid, en 69, eerste lid, van het decreet van 31 maart 2004).

Tijdens het academiejaar 2005-2006 bood het eerste studiejaar van de cyclus die leidt tot het behalen van de academische graad van bachelor in de geneeskunde, de mogelijkheid om 60 studiepunten te verwerven (artikel 16, § 2, tweede lid, van het decreet van 31 maart 2004, ingevoegd bij artikel 2, A), van het decreet van 1 juli 2005).

Het verwerven van die 60 studiepunten was voor de student echter niet voldoende om toegang te krijgen tot het tweede jaar van de cyclus die leidt tot het behalen van de academische graad van bachelor in de geneeskunde. De toegang tot dat tweede jaar was afhankelijk gesteld van de uitreiking van een toegangsattest (artikelen 49, § 2, en 79quater van het decreet van 31 maart 2004).

B.7.2. Dat toegangsattest werd uitgereikt door de « oriënteringsexamencommissie » van de betrokken universitaire instelling (artikel 49, § 2, van het decreet van 31 maart 2004, in samenhang gelezen met artikel 16, § 2, van hetzelfde decreet, zoals zij op het academiejaar 2005-2006 van toepassing waren).

Het totale aantal in de Franse Gemeenschap uit te reiken toegangsattesten was beperkt en werd, in beginsel elk jaar, door de Regering bepaald door inzonderheid rekening te houden met « het aantal gediplomeerden van de tweede cyclus die toegang zullen hebben tot de toekenning van particuliere professionele bekwaamheidsbewijzen krachtens de federale wetgeving » (artikelen 79bis, eerste en derde lid, en 79ter, § 1, eerste lid, van het decreet van 31 maart 2004). De Regering diende ook, in beginsel jaarlijks, de verdeling van dat beperkte aantal attesten onder de vijf universitaire instellingen die die studie organiseerden, volgens een in het decreet bedoelde sleutel te bepalen (artikelen 79bis, tweede lid, en 79ter, § 1, tweede lid, van het decreet van 31 maart 2004).

Geen enkel van die toegangsattesten kon worden uitgereikt aan een in het eerste jaar ingeschreven student die geen cijfer van minstens 10/20 voor elk onderwijs dat op zijn programma stond, noch een algemene beoordeling van minstens 60/100 had behaald (artikel 79quater, eerste en vijfde lid, van het decreet van 31 maart 2004, zoals het op het academiejaar 2005-2006 van toepassing was). Het cijfer dat overeenstemt met een onderricht, drukt de eindevaluatie van dat onderricht uit (artikel 77, eerste lid, van het decreet van 31 maart 2004). De algemene beoordeling was afhankelijk van de academische resultaten van de student en van een evaluatie van zijn « [bekwaamheid] om de vrucht van zijn scholing te gebruiken om de informatie te verstaan, er een synthese van te maken en ze mee te delen en om situaties op te lossen die kennis en transdisciplinaire bedrevenheid vereisen » (artikel 79quater, eerste, tweede, derde en vijfde lid, van het decreet van 31 maart 2004, zoals het op het academiejaar 2005-2006 van toepassing was).

Rekening houdend met het beperkte aantal toegangsattesten, kon de bevoegde examencommissie van elke betrokken universitaire instelling een dergelijk attest enkel uitreiken aan de studenten die, naast het feit dat zij voldeden aan de voormelde voorwaarden met betrekking tot de cijfers, batig waren gerangschikt in de rangschikking die was opgesteld op grond van de algemene beoordelingen die elk van die studenten had behaald (artikel 79quater, eerste tot zevende lid, van hetzelfde decreet, zoals het op het academiejaar 2005-2006 van toepassing was).

B.8. Die beperking van de toegang van de in B.3 bedoelde studenten tot het tweede jaar van de cyclus die leidt tot het behalen van de academische graad van bachelor in de geneeskunde bij de in het geding zijnde bepalingen, was voorzienbaar, aangezien zij in duidelijke en precieze bewoordingen was uitgedrukt.

B.9.1. De in het geding zijnde bepalingen, die het aantal studenten beperkten die toegang hadden tot het tweede jaar van de cyclus die leidt tot het behalen van de academische graad van bachelor in de geneeskunde, pasten in het kader dat is vastgelegd door de federale regelgeving met betrekking tot de planning van het medische aanbod (artikel 35novies van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen), die ertoe strekt het aantal geneesheren te beperken dat ertoe is gemachtigd de geneeskunde te beoefenen (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2004-2005, nr. 117/1, pp. 5, 6 en 8; ibid., nr. 117/3, p. 3; CRI, 21 juni 2005, pp. 24-25).

Die bepalingen, die zijn aangenomen in de context van een belangrijke en groeiende toename van het aantal inschrijvingen in het eerste jaar van de cyclus die leidt tot het behalen van de academische graad van bachelor in de geneeskunde, hadden tot doel te vermijden dat vele studenten ertoe zouden worden gedwongen om na afloop van een lange en dure studie die met succes werd afgerond, vast te stellen dat zij het beroep waarvoor zij hadden geleerd, niet zouden hebben kunnen uitoefenen wegens de bij de federale regelgeving vastgestelde beperkingen (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2004-2005, nr. 117/1, pp. 5 tot 7 en 11; ibid., nr. 117/3, p. 3; CRI, 21 juni 2005, p. 25), en, bijgevolg, de vereiste diploma's voor te behouden aan diegenen die het meest geschikt waren om die beroepen uit te oefenen (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2004-2005, nr. 117/1, p. 9).

B.9.2. Een selectie aan het einde van het eerste studiejaar is verkozen boven het organiseren van een (vergelijkend) toelatingsexamen vóór dat studiejaar om te vermijden dat de studenten uit de betere instellingen voor secundair onderwijs het grootste deel van de beschikbare plaatsen zouden innemen, hetgeen de « democratisering van de toegang tot het hoger onderwijs » zou hebben geschaad (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2004-2005, nr. 117/1, p. 7). Het organiseren van een selectie na afloop van het eerste studiejaar zwakt het gevolg af van de verschillen die uit de veranderlijke kwaliteit van het secundair onderwijs voortvloeien, door het bepaalde studenten mogelijk te maken de achterstand weg te werken die zij wegens de specifieke kenmerken met betrekking tot hun vroegere opleiding ten opzichte van anderen hebben opgelopen (ibid., p. 9; Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2004-2005, nr. 117/3, p. 3). Het staat eveneens toe de bekwaamheden te vergelijken van studenten die, zonder vrijstellingen of een overdracht van cijfers of eerder verworven studiepunten te genieten, gedurende één jaar een identieke opleiding hebben genoten, bestaande uit een onderwijs dat ertoe is bestemd hun bekwaamheid om hun kennis aan te wenden en dus hun werkelijke bekwaamheid om die studie voort te zetten, te evalueren (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2004-2005, nr. 117/1, p. 9; ibid., nr. 117/3, pp. 3-4; CRI, 21 juni 2005, p. 26).

Een selectie aan het einde van het eerste studiejaar werd dan ook geacht het recht van de student om toegang te krijgen tot het hoger onderwijs en de gelijkheid tussen studenten meer in acht te nemen dan een toelatingsexamen (ibid., p. 9).

B.10. De student die na afloop van het academiejaar 2005-2006 de 60 studiepunten had verworven die zijn verbonden aan de lessen die werden gevolgd tijdens het eerste studiejaar van de cyclus die leidt tot het behalen van de academische graad van bachelor in de geneeskunde, maar het toegangsattest niet zou hebben verkregen, kon zich eenmaal opnieuw inschrijven voor hetzelfde studiejaar, teneinde te proberen dat attest te verkrijgen (artikel 79quinquies, derde lid, van het decreet van 31 maart 2004).

Hij kon bovendien ook toegang krijgen tot het tweede jaar van verschillende andere studiecycli dan die welke leidt tot het behalen van de academische graad van bachelor in de tandheelkunde (artikel 79sexies, § 2, van hetzelfde decreet).

Die student had dus de mogelijkheid om een voordeel uit het gevolgde onderwijs te halen, door de officiële erkenning van de voltooide studie te verkrijgen.

B.11. Uit het voorafgaande vloeit voort dat de beperking van de toegang van de in B.3 bedoelde studenten tot het tweede jaar van de cyclus die leidt tot het behalen van de academische graad van bachelor in de geneeskunde, zoals zij uit de in het geding zijnde bepalingen voortvloeide, in een redelijk verband van evenredigheid stond met het legitieme doel dat ermee werd nagestreefd en niet onverenigbaar was met de gelijke toegang tot het hoger onderwijs op basis van bekwaamheid.

B.12. De eerste prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag

B.13. Het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van artikel 49, § 2, en van de artikelen 79bis tot 79octies van het decreet van 31 maart 2004, zoals zij op het academiejaar 2005-2006 van toepassing waren, met de artikelen 10, 11 en 24, §§ 3 en 4, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 13, lid 2, onder c), van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, in zoverre de in het geding zijnde bepalingen, door de toegang tot het tweede studiejaar van de eerste cyclus in de geneeskunde niet te beperken naar gelang van de bekwaamheden van de studenten, een aanzienlijke achteruitgang van de mate van bescherming van het recht op toegang tot het hoger onderwijs zouden hebben gevormd, die niet zou worden verantwoord door redenen van algemeen belang.

B.14. Zoals blijkt uit wat in B.7 is uiteengezet, beperkten de in het geding zijnde bepalingen, die op het academiejaar 2005-2006 van toepassing waren, de toegang tot het tweede studiejaar van de cyclus die leidt tot het behalen van de academische graad van bachelor in de geneeskunde door rekening te houden met de bekwaamheden van de studenten.

B.15. Zonder dat moet worden nagegaan of de in het geding zijnde bepalingen al dan niet een aanzienlijke achteruitgang vormden van het niveau van bescherming van het recht op toegang tot het hoger onderwijs ten aanzien van de voorgaande situatie, moet worden vastgesteld dat de beperking van de toegang tot het tweede studiejaar van de cyclus die leidt tot het behalen van de academische graad van bachelor in de geneeskunde die bij die bepalingen werd geregeld, berustte op redenen van algemeen belang die in B.9 zijn beschreven.

B.16. De tweede prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 49, § 2, en de artikelen 79bis tot 79octies van het decreet van 31 maart 2004 « betreffende de organisatie van het hoger onderwijs ter bevordering van de integratie in de Europese ruimte van het hoger onderwijs en betreffende de herfinanciering van de universiteiten », zoals zij voor het academiejaar 2005-2006 op de studie in de geneeskunde van toepassing waren, schenden niet de artikelen 10, 11 en 24, § 3, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 24, § 4, van de Grondwet, met artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 13, lid 2, onder c), van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 16 januari 2014.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

J. Spreutels

Vrije woorden

  • Prejudiciële vragen over de artikelen 3, B), en 10 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 1 juli 2005 betreffende de studies in de geneeskunde en de tandheelkunde, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Publiek recht

  • Onderwijs

  • Franse Gemeenschap

  • Universiteiten

  • Studierichting

  • Geneeskunde

  • Toegang tot het tweede jaar van bachelor in de geneeskunde. # Rechten en vrijheden

  • 1. Recht op onderwijs

  • 2. Gelijkheid van toegang tot het onderwijs.