- Arrest van 29 januari 2014

29/01/2014 - 20/2014

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof

- vernietigt artikel 108, § 2, eerste lid, van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden, zoals vervangen bij artikel 5 van de wet van 1 juli 2013;

- verwerpt het beroep voor het overige.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters A. Alen en J. Spreutels, de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût en T. Giet, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter M. Bossuyt, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van emeritus voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 12 september 2013 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 13 september 2013, heeft L.L. beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 104/1 en 108, § 2, eerste lid, van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden, zoals ingevoegd respectievelijk vervangen bij de artikelen 4 en 5 van de wet van 1 juli 2013 tot wijziging van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 6 september 2013, tweede editie).

De verzoekende partij vorderde eveneens de schorsing van artikel 108, § 2, eerste lid, van voormelde basiswet van 12 januari 2005, zoals vervangen bij artikel 5 van voormelde wet van 1 juli 2013. Bij het arrest nr. 143/2013 van 30 oktober 2013, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 4 november 2013, heeft het Hof die bepaling geschorst.

(...)

II. In rechte

(...)

Ten aanzien van de bestreden bepalingen

B.1.1. Artikel 104/1 van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden bepaalt :

« Indien de gedetineerde door nalatigheid of kwaadwilligheid schade veroorzaakt aan goederen die hem door de penitentiaire administratie ter beschikking worden gesteld, kan de directeur het bedrag van de veroorzaakte schade verhalen op de geldsommen die door de penitentiaire administratie aan de gedetineerde verschuldigd zijn. De inhouding op de inkomsten uit penitentiaire arbeid mag per maand echter niet meer dan veertig procent van het uit te betalen bedrag bedragen ».

Die bepaling werd ingevoegd bij artikel 4 van de wet van 1 juli 2013 tot wijziging van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden.

B.1.2. Artikel 108, § 2, eerste lid, van de voormelde basiswet bepaalt :

« Alle gedetineerden worden gefouilleerd op het lichaam :

- bij het betreden van de gevangenis;

- voorafgaand aan de plaatsing in een beveiligde cel of de opsluiting in een strafcel;

- overeenkomstig de in de gevangenis geldende richtlijnen, na het bezoek van de in artikel 59 vermelde personen, dat niet heeft plaatsgevonden in een lokaal voorzien van een transparante wand die de bezoekers van de gedetineerde scheidt ».

Die bepaling werd ingevoegd bij artikel 5 van de wet van 1 juli 2013 « tot wijziging van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden ». De fouillering op het lichaam laat toe de gedetineerde te verplichten om zich uit te kleden tot op het lichaam en de openingen en de holten van het lichaam uitwendig te schouwen (artikel 108, § 2, derde lid, van de basiswet zoals ingevoegd bij artikel 5 van de wet van 1 juli 2013).

Krachtens het ongewijzigde artikel 108, § 1, van de basiswet mag de gedetineerde, wanneer dit in het belang van de handhaving van de orde of de veiligheid noodzakelijk is, aan zijn kledij worden onderzocht door daartoe door de directeur gemandateerde leden van het bewakingspersoneel, overeenkomstig de door hem gegeven richtlijnen. Dat onderzoek heeft tot doel na te gaan of de gedetineerde in het bezit is van voorwerpen of substanties die verboden of gevaarlijk kunnen zijn.

Vóór de wijziging van artikel 108, § 2, eerste lid, van de basiswet was een fouillering op het lichaam enkel toegestaan indien er individuele aanwijzingen waren dat het onderzoek aan de kledij niet volstond om het voormelde doel te bereiken en na een afzonderlijke beslissing van de directeur. Een soortgelijke bepaling is nu opgenomen in het tweede lid van artikel 108, § 2, meer bepaald voor de situaties die niet in het nieuwe eerste lid zijn vervat :

« De gedetineerde wordt gefouilleerd op het lichaam wanneer de directeur van oordeel is dat er individuele aanwijzingen zijn dat het onderzoek aan de kledij niet volstaat om het in § 1, tweede lid, omschreven doel te bereiken. De directeur bezorgt zijn beslissing schriftelijk aan de gedetineerde uiterlijk vierentwintig uur nadat de fouillering heeft plaatsgevonden ».

Het tweede en het derde lid van artikel 108, § 2, worden niet bestreden. De kritiek van de verzoeker is enkel gericht tegen de invoering van het stelselmatig fouilleren, in situaties vermeld in het eerste lid, zonder dat die fouillering op individuele aanwijzingen moet zijn gebaseerd en zonder dat daartoe een afzonderlijke beslissing dient te worden genomen.

De overige voorwaarden waaraan de fouillering moet voldoen, blijven bestaan. De fouillering op het lichaam mag enkel plaatsvinden in een gesloten ruimte bij afwezigheid van andere gedetineerden en moet uitgevoerd worden door minimum twee daartoe door de directeur gemandateerde personeelsleden van hetzelfde geslacht als de gedetineerde (artikel 108, § 2, vierde lid, van de basiswet). Het onderzoek aan de kledij en de fouillering op het lichaam mogen geen tergend karakter hebben en dienen met eerbiediging van de waardigheid van de gedetineerde te geschieden (artikel 108, § 3, van de basiswet).

B.2. In het arrest nr. 143/2013 van 30 oktober 2013, waarmee artikel 108, § 2, eerste lid, van de basiswet werd geschorst, heeft het Hof vastgesteld dat de verzoeker tot een gevangenisstraf werd veroordeeld en dat hij op ieder ogenblik kan worden opgeroepen om de nog resterende tijd uit te zitten. Hij doet derhalve blijken van het vereiste belang bij de vernietiging van de bestreden bepalingen die op de gedetineerden van toepassing zijn.

Ten aanzien van het eerste middel

B.3. Het middel dat tegen artikel 104/1 van de basiswet is gericht, is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 144 van de Grondwet en met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, al dan niet in samenhang gelezen met de algemene beginselen van het recht, inzonderheid de rechten van de verdediging en het beginsel volgens hetwelk niemand rechter en partij mag zijn.

Krachtens de bestreden bepaling kan de gevangenisdirecteur, wanneer de gedetineerde door nalatigheid of kwaadwilligheid schade veroorzaakt aan goederen die hem door de penitentiaire administratie ter beschikking worden gesteld, het bedrag van de veroorzaakte schade verhalen op de geldsommen die door de penitentiaire administratie aan de gedetineerde verschuldigd zijn. De verzoeker voert in essentie aan dat het vaststellen van de aansprakelijkheid en het bepalen van het bedrag van de veroorzaakte schade aan een onafhankelijk en onpartijdig rechter toekomen en meer bepaald aan een rechtbank van de rechterlijke macht.

B.4. Artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens waarborgt het recht op toegang tot een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie bij het vaststellen van burgerlijke rechten en verplichtingen. Artikel 144 van de Grondwet waarborgt dat de geschillen over burgerlijke rechten bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de rechtbanken behoren.

Die bepalingen staan niet eraan in de weg dat de overheid, in dit geval een gevangenisdirecteur, een beslissing neemt inzake een burgerlijk recht, te dezen over de buitencontractuele aansprakelijkheid voor schade toegebracht aan gevangenisgoederen, voor zover tegen die beslissing beroep kan worden ingesteld bij een rechtbank van de rechterlijke macht.

B.5. De beslissing van de gevangenisdirecteur inzake de buitencontractuele aansprakelijkheid van de gedetineerde, genomen op grond van de bestreden bepaling, kan bij de bevoegde rechter van de rechterlijke macht worden betwist. De gedetineerde treedt in dat geval weliswaar op als eiser en niet als verweerder, zoals dat het geval zou zijn wanneer de overheid een vordering inzake buitencontractuele aansprakelijkheid instelt, maar de inherente nadelen die volgens de verzoeker daaraan verbonden zijn, kunnen op zichzelf niet volstaan om tot een ongelijkheid van de procespartijen te doen besluiten. Zij brengen de rechten van de verdediging en het recht op gelijke toegang tot de rechter niet in het gedrang.

B.6. Het eerste middel is niet gegrond.

Ten aanzien van het tweede middel

B.7. Het middel dat tegen artikel 108, § 2, eerste lid, van de basiswet is gericht, is afgeleid uit, onder meer, de schending van de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 3 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Volgens de verzoeker schendt de bestreden bepaling de voormelde artikelen doordat zij bepaalt dat er, in de beoogde gevallen, altijd een fouillering op het lichaam moet plaatsvinden, ook wanneer de noodzaak daarvan niet is aangetoond.

B.8. De bestreden bepaling wordt in de memorie van toelichting als volgt verantwoord :

« De fouillering is een belangrijke veiligheidsfactor in de gevangenis. Ook in dit domein toont de praktijk aan dat een wijziging van de in werking zijnde wettelijke bepalingen noodzakelijk is. Op de dag van vandaag kan de directeur enkel tot een fouillering op het lichaam overgaan wanneer hij over individuele aanwijzingen beschikt dat het onderzoek aan de kledij niet volstaat om de orde en de veiligheid te handhaven. De Raad van State heeft tuchtsancties vernietigd omdat de fouilleringen op het lichaam werden uitgevoerd zonder dat de beslissing tot de uitvoering ervan voorafgegaan werd door een schriftelijke informatie aan de gedetineerde. Een dergelijke vereiste leidt tot inefficiëntie van de fouilleringen op het lichaam en brengt dus de veiligheid in gevaar.

Daarnaast is het met het oog op de handhaving van de veiligheid noodzakelijk dat aan de directeur de mogelijkheid gegeven wordt om de fouillering op het lichaam te bevelen wanneer de gedetineerde met personen die niet met personeelsleden gelijkgesteld kunnen worden in contact is geweest, zonder een specifiek en individueel risico voor de orde en veiligheid te moeten aantonen » (Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-2744/001, pp. 4-5).

B.9. De afdeling wetgeving van de Raad van State heeft over het ontwerp van bepaling als volgt geadviseerd :

« Het verschil met de bestaande regeling is bijgevolg dat de fouillering in de drie eerstgenoemde gevallen een automatisme is, en derhalve niet meer is gebaseerd op een individuele beslissing van de gevangenisdirecteur, genomen op grond van concrete en geïndividualiseerde indicaties, maar plaatsvindt op grond van een algemeen geldende regel.

Aldus wordt afgeweken van de fundamentele optie die de wetgever bij het aannemen van de Basiswet heeft genomen om de fouillering omwille van haar ingrijpende karakter enkel in individuele gevallen toe te laten. Zoals de Raad van State, afdeling Bestuursrechtspraak, heeft geoordeeld, heeft de wetgever de ontkleding tot op het naakte lichaam als een ernstige aantasting van de persoonlijke waardigheid beschouwd en werd ze daarom onderworpen aan de voorafgaande toelating van de gevangenisdirecteur.

De memorie van toelichting bij het ontwerp bevat nauwelijks een indicatie omtrent de verantwoording om van deze optie af te wijken; er wordt enkel op vage wijze verwezen naar de praktijk en de inefficiëntie van het bestaande regime, waarbij gewag wordt gemaakt van het bestaan van ' meerdere problemen '.

Vraag is of het ontworpen artikel 108, § 2, eerste tot derde lid, de toets aan de grondrechten kan doorstaan » (ibid., pp. 18-19).

Na een onderzoek van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, inzonderheid inzake artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, besloot de Raad van State :

« Al kan worden aanvaard dat de wetgever op algemene wijze een aantal gevallen bepaalt waarin een verhoogd risico voor de veiligheid of de orde in de gevangenis geacht kan worden te bestaan en waarin in beginsel een fouillering op het lichaam kan plaatsvinden, moet derhalve daarbij wel, zeker wanneer het gaat om vrij ruime categorieën, ruimte zijn voor een beoordeling in concreto die ertoe leidt dat wordt afgezien van de fouillering op het lichaam wanneer er manifest geen gevaar voor de handhaving van de orde of de veiligheid bestaat. Aldus kunnen toepassingen worden vermeden die een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 3 van het EVRM inhouden. Het ontworpen artikel 108, § 2, eerste lid, dient daartoe te worden aangevuld » (ibid., pp. 20-21).

B.10. De wetgever heeft het advies van de Raad van State niet gevolgd :

« In een aantal situaties is een systematische fouillering op het lichaam noodzakelijk gebleken om de veiligheid van het personeel én van de gedetineerden te kunnen waarborgen. Zo dient elke gedetineerde komende vanuit de buitenwereld onderworpen te worden aan een fouillering op het lichaam bij het betreden van de gevangenis. Verboden voorwerpen, zoals bijvoorbeeld drugs, worden immers steeds na contacten met de buitenwereld de gevangenis binnengesmokkeld. Deze voorwerpen worden verborgen op het lichaam en kunnen niet gedetecteerd worden via het metaalportiek of bij het onderzoek aan de kledij. De fouillering op het lichaam is dan de enige controlemaatregel die op dit ogenblik dergelijke veiligheidsproblemen kan oplossen.

Ook gedetineerden die de gevangenis regelmatig verlaten en die op zich geen gevaar voor de veiligheid betekenen, dienen systematisch gefouilleerd te worden bij de terugkeer naar de gevangenis. De praktijk leert immers dat zij zwaar onder druk gezet kunnen worden door medegedetineerden om allerhande verboden voorwerpen de gevangenis binnen te smokkelen. Het is dan ook in het belang van de persoonlijke veiligheid van deze gedetineerden zelf dat zij systematisch onderworpen worden aan de fouillering op het lichaam. Om deze reden wordt het advies van de Raad van State op dit punt niet gevolgd » (ibid., pp. 6-7).

In het vervolg van de parlementaire voorbereiding werd voorts gepreciseerd dat er geen fouillering zal plaatsvinden « wanneer er geen contact is geweest met personen die extern zijn aan de penitentiaire inrichtingen. Ter illustratie worden de volgende gevallen aangehaald : in het geval van een overbrenging naar een andere gevangenis, of van en naar de rechtbank en in het geval van de raadpleging van het strafdossier » (Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-2744/004, p. 23).

B.11. Artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt :

« Niemand mag worden onderworpen aan folteringen noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen ».

Wat het onderzoek op het lichaam van gedetineerden betreft, heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens de draagwijdte van de voormelde bepaling als volgt gepreciseerd :

« 116. Het Hof heeft evenwel reeds geoordeeld dat een dergelijke behandeling op zich niet onwettig is : fouillering op het lichaam, zelfs integrale fouillering, kan soms noodzakelijk blijken om de veiligheid in een gevangenis - met inbegrip van die van de gedetineerde zelf - te verzekeren, de orde te handhaven of strafrechtelijke inbreuken te voorkomen (zie, voormeld, de arresten Valasinas, § 117, Van der Ven, § 60, en Lorsé, § 72). Bovendien kan men niet zeggen dat uit principe een dergelijke fouillering een graad van lijden of vernedering impliceert die verder gaat dan het onvermijdelijke (Frérot voormeld, § 40).

117. Blijft het feit dat fouillering op het lichaam niet alleen ' noodzakelijk ' moet zijn om een van die nagestreefde doelstellingen te bereiken (Ramirez Sanchez, voormeld, § 119), maar ook moeten worden uitgevoerd volgens ' adequate modaliteiten ' (zie bijvoorbeeld, Valasinas, voormeld). Zoals hiervoor in herinnering wordt gebracht dient, teneinde te oordelen of de graad van ernst boven welke een slechte behandeling onder de toepassing van deze bepaling valt, is overschreden, rekening te worden gehouden met alle gegevens van elke zaak. Het Hof heeft aldus geconcludeerd dat die graad wordt overschreden in het geval van integrale fouilleringen op het lichaam die allemaal waren verlopen volgens normale modaliteiten, om reden dat een fouillering van die aard elke week, op systematische wijze, routinegewijs en zonder precieze verantwoording die te maken had met het gedrag van de verzoeker plaatsvond (Van der Ven, voormeld, § § 58 en volgende, en Lorsé, voormeld, § 70) » (EHRM, 15 juni 2010, Ciupercescu t. Roemenië).

In een arrest van 12 juni 2007 heeft hetzelfde Hof de toepassing van een Franse wet die gelijkenissen vertoont met de thans bestreden bepaling, rekening houdend met de omstandigheden van de zaak, strijdig bevonden met artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EHRM, 12 juni 2007, Frérot t. Frankrijk). In een arrest van 31 oktober 2013 werd de toepassing in concreto van een soortgelijke wet, bij het vervoer van een gedetineerde naar de rechtbank, niet strijdig bevonden met dezelfde verdragsbepaling (EHRM, 31 oktober 2013, Jetzen (nr. 2) t. Luxemburg).

B.12. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat een fouillering op het lichaam in bepaalde omstandigheden noodzakelijk kan zijn teneinde de orde en de veiligheid in de gevangenis te handhaven en het plegen van misdrijven te voorkomen, met name wanneer het gedrag van de gedetineerde daartoe aanleiding geeft (zie EHRM, 29 mei 2012, Julin t. Estland, § 189; 10 oktober 2013, Voloshyn t. Oekraïne, § 54).

B.13. Door evenwel in een stelselmatige fouillering op het lichaam te voorzien, telkens als een gedetineerde de gevangenis betreedt, telkens als een gedetineerde in een beveiligde cel wordt geplaatst of in een strafcel wordt opgesloten en telkens als een gedetineerde bezoek heeft ontvangen, gaat de bestreden bepaling verder dan strikt noodzakelijk is om de nagestreefde doelstelling te bereiken. Er kan immers niet worden aangenomen dat elk van die situaties, voor elke gedetineerde, een verhoogd risico voor de veiligheid of de orde in de gevangenis doet ontstaan.

Aan die vaststelling wordt geen afbreuk gedaan door de voorwaarde, in de situatie dat de gedetineerde bezoek heeft ontvangen, dat de fouillering op het lichaam plaatsvindt « overeenkomstig de in de gevangenis geldende richtlijnen » (artikel 108, § 2, eerste lid, derde streepje). Dergelijke richtlijnen kunnen immers niet primeren op de duidelijke tekst van de wet, die in een fouillering op het lichaam voorziet na elk bezoek dat niet heeft plaatsgevonden in een lokaal voorzien van een transparante wand die de bezoekers van de gedetineerde scheidt.

De bestreden bepaling doet derhalve, door in een stelselmatige fouillering te voorzien, zonder precieze verantwoording die te maken heeft met het gedrag van de gedetineerde, op discriminerende wijze afbreuk aan het verbod om op een vernederende wijze te worden behandeld. Dit is des te meer het geval aangezien artikel 108, § 2, tweede en derde lid, van de basiswet de directeur van de strafinrichting toelaat over te laten gaan tot fouillering op het lichaam op grond van individuele aanwijzingen dat het onderzoek van de kledij niet volstaat om na te gaan of de gedetineerde in het bezit is van voorwerpen of substanties die verboden of gevaarlijk kunnen zijn.

B.14. Het tweede middel is gegrond.

Om die redenen,

het Hof

- vernietigt artikel 108, § 2, eerste lid, van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden, zoals vervangen bij artikel 5 van de wet van 1 juli 2013;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 29 januari 2014.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

M. Bossuyt

begin eerste woord laatste woord

Publicatie : 2014-04-18

Vrije woorden

  • Beroep tot vernietiging van artikel 104/1 en artikel 108, § 2, eerste lid, van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden, zoals ingevoegd respectievelijk vervangen bij de artikelen 4 en 5 van de wet van 1 juli 2013, ingesteld door L.L. Strafrecht

  • Gevangeniswezen en rechtspositie van gedetineerden

  • 1. Fouillering op het lichaam

  • Stelselmatige fouillering

  • 2. Schade toegebracht aan gevangenisgoederen door de gedetineerde

  • Beslissing van de gevangenisdirecteur inzake de buitencontractuele aansprakelijkheid

  • Beroep bij de rechtbank van eerste aanleg. # Rechten en vrijheden

  • 1. Recht op de integriteit van de persoon

  • Verbod van onmenselijke of onterende behandelingen of bestraffingen

  • 2. Jurisdictionele waarborgen

  • a. Onafhankelijke en onpartijdige rechter

  • b. Recht op toegang tot de rechter

  • c. Rechten van de verdediging.