- Arrest van 29 januari 2014

29/01/2014 - 17/2014

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

De artikelen 6.1.7 en 6.1.46 van de bij besluit van de Vlaamse Regering van 15 mei 2009 gecoördineerde Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters A. Alen en J. Spreutels, de rechters J.-P. Snappe, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey en T. Giet, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter M. Bossuyt, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van emeritus voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 25 februari 2013 in zake Gustaaf Van De Weyer tegen Leon Snyers en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 1 maart 2013, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Turnhout de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schenden de artikelen 6.1.7 en 6.1.46 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre een veroordeelde die geen eigenaar meer is van het betrokken onroerend goed zonder voorafgaand positief advies van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid kan overgaan tot uitvoering van een herstelmaatregel waartoe hij werd veroordeeld tegen de actuele eigenaar die niet veroordeeld werd, terwijl de uitvoering van dezelfde herstelmaatregel door de stedenbouwkundige inspecteur of het college van burgemeester en schepenen slechts kan worden opgestart nadat de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid daartoe een voorafgaand positief advies heeft verleend ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de artikelen 6.1.7 en 6.1.46 van de bij besluit van de Vlaamse Regering van 15 mei 2009 gecoördineerde Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna : VCRO).

Die bepalingen maken deel uit van titel VI (« Handhavingsmaatregelen »), hoofdstuk I (« Strafbepalingen »), afdeling 4 (« Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid ») en afdeling 6 (« Uitvoering van de rechterlijke uitspraak »), van de VCRO.

Artikel 6.1.7 van de VCRO bepaalt :

« De stedenbouwkundige inspecteur en het college van burgemeester en schepenen kunnen slechts overgaan tot het inleiden van een herstelvordering voor de rechter of tot het ambtshalve uitvoeren van een herstelmaatregel, wanneer de Hoge Raad [voor het Handhavingsbeleid] daartoe voorafgaandelijk een positief advies heeft verleend ».

Artikel 6.1.46 van de VCRO bepaalt :

« Voor het geval dat de plaats niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn in de vorige staat wordt hersteld, dat het strijdige gebruik niet binnen die termijn wordt gestaakt of dat de bouw- of aanpassingswerken niet binnen deze termijn worden uitgevoerd, beveelt het vonnis van de rechter, vermeld in de artikelen 6.1.41 en 6.1.43, dat de stedenbouwkundige inspecteur, het college van burgemeester en schepenen en eventueel de burgerlijke partij, ambtshalve in de uitvoering ervan kunnen voorzien.

Onverminderd artikel 6.1.10, tweede lid, kan de stedenbouwkundige inspecteur of het college van burgemeester en schepenen eerst na het verkrijgen van het positief advies, vermeld in artikel 6.1.7, overgaan tot het opstarten van een ambtshalve uitvoering. Voor de toepassing van dit lid wordt onder het opstarten van een ambtshalve uitvoering verstaan :

1° hetzij het aanvatten van een gunningsprocedure tot aanwijzing van een particulier die het vonnis of het arrest zal uitvoeren;

2° hetzij het schriftelijk of mondeling belasten van een particulier, binnen een raamovereenkomst, tot uitvoering van het vonnis of het arrest;

3° hetzij het geven van de nodige instructies aan een ambtenaar of een dienst tot uitvoering van het vonnis of het arrest.

De overheid of de particulier die het vonnis of arrest uitvoert, is gerechtigd om de materialen en voorwerpen afkomstig van de herstelling van de plaats of van de staking van het strijdig gebruik te verkopen, te vervoeren en te verwijderen.

De overtreder die in gebreke blijft, is verplicht alle uitvoeringskosten, verminderd met de opbrengst van de verkoop der materialen en voorwerpen, te vergoeden op vertoon van een staat, opgesteld door de overheid, vermeld in het tweede lid, of begroot en uitvoerbaar verklaard door de beslagrechter in de burgerlijke rechtbank.

De verjaring van de herstelmaatregel neemt een aanvang vanaf het verstrijken van de termijn die de rechtbank, overeenkomstig artikel 6.1.41, § 1, laatste lid, bepaalde voor de tenuitvoerlegging ervan ».

Artikel 6.1.7 van de VCRO is bij de coördinatie overgenomen uit artikel 148/2 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna : DRO).

Artikel 6.1.46 van de VCRO is bij de coördinatie overgenomen uit artikel 153 van het DRO.

B.2.1. Bij het decreet van 4 juni 2003 houdende wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, wat het handhavingsbeleid betreft, werd voorzien in het optreden van de toenmalige Hoge Raad voor het Herstelbeleid, bij wege van een voorafgaand eensluidend advies, vóór de ambtshalve uitvoering door de stedenbouwkundige inspecteur, van een vonnis of een arrest waarbij een herstelmaatregel werd uitgesproken.

Bij zijn arrest nr. 14/2005 van 19 januari 2005 en zijn arrest nr. 5/2009 van 15 januari 2009 heeft het Hof de doelstelling van de decreetgever dienaangaande in herinnering gebracht.

In het laatstvermelde arrest omschrijft het Hof die doelstelling als volgt :

« B.3. Bij decreet van 4 juni 2003 ' houdende wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, wat het handhavingsbeleid betreft ' heeft de Vlaamse decreetgever, met het oog op de coherentie van het herstelbeleid bij inbreuken op de regelgeving inzake ruimtelijke ordening, een gewestelijke adviesraad voor de handhavingsmaatregelen opgericht - de Hoge Raad voor het Herstelbeleid - omdat de behoefte werd aangevoeld ' aan een autonoom en onafhankelijk orgaan, los van politieke beïnvloeding, dat de beslissingen van de gewestelijke stedenbouwkundig inspecteur evalueert en toetst aan het gelijkheids- en redelijkheidsbeginsel ' (Parl. St., Vlaams Parlement, 2002-2003, nr. 1566/1, p. 7).

[...]

B.4.3. In de fase na een rechterlijke veroordeling, meer bepaald wanneer de stedenbouwkundige inspecteur tot ambtshalve uitvoering van de door de rechter bevolen herstelmaatregel wenst te doen overgaan bij ontstentenis van uitvoering door de veroordeelde zelf, heeft het vereiste eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid onder meer betrekking op het tijdstip en de nadere uitvoeringsmaatregelen van die maatregel (Parl. St., Vlaams Parlement, 2002-2003, nr. 1566/7, pp. 8-9).

Het was de bedoeling van de wetgever om ' een uniforme en billijke ambtshalve uitvoering van arresten en vonnissen ' te verwezenlijken (Parl. St., Vlaams Parlement, 2002-2003, nr. 1566/7, p. 39) en de Hoge Raad voor het Herstelbeleid te laten evalueren en onderzoeken of het gebruik dat de stedenbouwkundige inspecteur beoogt te maken van de hem door de rechter gegeven machtiging, geschiedt met inachtneming van de beginselen van gelijkheid en redelijkheid (ibid., p. 7).

Die bevoegdheid van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid gaat niet zover dat zij de uitvoering als zodanig van rechterlijke beslissingen in de weg zou kunnen staan, wat in strijd zou zijn zowel met het fundamenteel beginsel van de Belgische rechtsorde volgens hetwelk de rechterlijke beslissingen alleen door de aanwending van rechtsmiddelen kunnen worden gewijzigd, als met de bevoegdheidverdelende regels ».

B.2.2. Bij het decreet van 27 maart 2009 tot aanpassing en aanvulling van het ruimtelijke plannings-, vergunningen- en handhavingsbeleid werd bepaald dat, naast de stedenbouwkundige inspecteur, ook het college van burgemeester en schepenen eerst na het verkrijgen van het positieve advies van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid - de hervormde Hoge Raad voor het Herstelbeleid - tot het opstarten van een ambtshalve uitvoering kan overgaan.

De parlementaire voorbereiding vermeldt dienaangaande :

« De Hoge Raad is belast met het uitbrengen van een verplicht advies op verzoek van hetzij de stedenbouwkundige inspecteur, hetzij een college van burgemeester en schepenen, voorafgaand aan het instellen van een herstelvordering of het ambtshalve uitvoeren van een herstelmaatregel door de stedenbouwkundige inspecteur of het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waarbinnen het betreffende misdrijf werd gepleegd.

Deze bevoegdheid sluit aan bij de huidige bevoegdheden van de Hoge Raad, met dien verstande dat voor de ambtshalve uitvoering op gemeentelijk niveau vandaag géén advies nodig is (cfr. artikel 153, tweede lid, DRO). [...]

Het is [...] vanuit het oogpunt van het subsidiariteitsbeginsel niet in te zien waarom gemeenten niet zouden (kunnen of moeten) overgaan tot de ambtshalve uitvoering van herstelvonnissen. De (gemeentelijke) overheid heeft dan wel een beoordelingsmarge om al dan niet over te gaan tot ambtshalve uitvoering, in functie van wat in het algemeen belang en de plaatselijke ordening nodig lijkt, toch moet die beleidsvrijheid op een redelijke manier worden uitgeoefend. Het is bijgevolg niet ondenkbaar dat de beslissing de ambtshalve uitvoering uit te stellen, onrechtmatig kan zijn of worden omdat zo een uitstel niet te verzoenen valt met enige redelijke opvatting over wat het algemeen belang in dat concrete geval vereist.

In het licht van het gelijkheidsbeginsel is het dan ook evident om de ambtshalve uitvoering van herstelvonnissen door de gemeenten aan de toetsing door de Hoge Raad te onderwerpen. Zulks kan de transparantie van het herstelbeleid slechts ten goede komen » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2008-2009, nr. 2011/1, p. 256).

B.3. De prejudiciële vraag heeft betrekking op het verschil in behandeling tussen, enerzijds, een veroordeelde die geen eigenaar meer is van het betrokken onroerend goed en, anderzijds, de stedenbouwkundige inspecteur of het college van burgemeester en schepenen. In tegenstelling tot die laatsten, dient de veroordeelde die geen eigenaar meer is van het betrokken onroerend goed, niet over een voorafgaand positief advies van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid te beschikken, alvorens een door een rechter uitgesproken herstelmaatregel uit te voeren.

B.4.1. Met de in het geding zijnde bepalingen beoogde de decreetgever, zoals in B.2 in herinnering is gebracht, een uniforme en billijke ambtshalve uitvoering van rechterlijke beslissingen door de stedenbouwkundige inspecteur en het college van burgemeester en schepenen die ambtshalve herstelmaatregelen kunnen uitvoeren aan een voorafgaande adviesverplichting van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid te onderwerpen. Aldus kan de wil van de voormelde administratieve overheden om tot ambtshalve uitvoering van de herstelmaatregel over te gaan, vooraf door een onafhankelijk adviesorgaan van het actief bestuur afhankelijk worden gemaakt van een voorgaande toetsing aan het gelijkheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel.

Het verplichte voorafgaande positieve advies van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid is evenwel niet ingevoerd als een bijkomende voorwaarde voor een beklaagde die door de strafrechter tot een herstelmaatregel is veroordeeld om tot uitvoering ervan over te gaan. De veroordeelde dient de herstelmaatregel wegens een rechterlijke beslissing uit te voeren en niet, zoals in het geval van de stedenbouwkundige inspecteur of het college van burgemeester en schepenen, wegens een ambtshalve genomen initiatief waaraan de inachtneming van het algemeen belang, de goede ruimtelijke ordening, het gelijkheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel ten grondslag liggen.

B.4.2. Daaraan wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat degene die tot een herstelmaatregel werd veroordeeld, - op het ogenblik van de uitvoering van de herstelmaatregel - niet de eigenaar is van het onroerend goed waarop die herstelmaatregel betrekking heeft. De omstandigheid dat de veroordeelde al dan niet nog eigenaar is, is te dezen niet relevant : degene die tot een herstelmaatregel werd veroordeeld, dient geen voorafgaand positief advies van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid te verkrijgen alvorens tot uitvoering van de herstelmaatregel te kunnen overgaan, ongeacht het feit of de betrokkene op het ogenblik van de uitvoering van de herstelmaatregel al dan niet de eigenaar is. De stedenbouwkundige inspecteur en het college van burgemeester en schepenen daarentegen dienen wel een voorafgaand positief advies van de Hoge Raad te verkrijgen, ongeacht het feit of degene die tot de herstelmaatregel werd veroordeeld, al dan niet de huidige eigenaar is.

In voorkomend geval kan, zoals in het bodemgeschil, de huidige eigenaar worden geconfronteerd met de gevolgen van de herstelmaatregel die tegen een vroegere eigenaar werd uitgesproken. Zulks vloeit evenwel niet voort uit de in het geding zijnde bepalingen, maar uit de aard van de herstelvordering, die een zakelijk karakter heeft, zoals het Hof bij zijn arrest nr. 2/2011 van 13 januari 2011 heeft geoordeeld.

B.4.3. Het in het geding zijnde verschil in behandeling is derhalve niet zonder redelijke verantwoording.

B.5. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

De artikelen 6.1.7 en 6.1.46 van de bij besluit van de Vlaamse Regering van 15 mei 2009 gecoördineerde Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 29 januari 2014.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

M. Bossuyt

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag betreffende de artikelen 6.1.7 en 6.1.46 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Turnhout. Bestuursrecht

  • Ruimtelijke ordening en stedenbouw

  • Vlaams Gewest

  • Niet-uitvoering van door een rechter uitgesproken herstelmaatregelen

  • Ambtshalve uitvoering

  • 1. Door de stedenbouwkundig inspecteur en het college van burgemeester en schepenen

  • Voorafgaand positief advies van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid

  • 2. Door de veroordeelde

  • Afwezigheid van voorafgaand positief advies van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid.