- Arrest van 6 februari 2014

06/02/2014 - 23/2014

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 47, eerste lid, 3°, van de wet van 25 april 2007 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, in samenhang gelezen met artikel 42septies van die wet van 15 december 1980, schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het beginsel van de niet-retroactiviteit van de wetten.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en A. Alen, de rechters L. Lavrysen, J.-P. Snappe, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût en T. Giet, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter M. Bossuyt, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest nr. 221.430 van 20 november 2012 in zake R.K. tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 7 december 2012, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 47, eerste lid, 3°, van de wet van 25 april 2007 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, in samenhang gelezen met artikel 42septies van de wet van 15 december 1980, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het beginsel van de niet-retroactiviteit van de wetten, in zoverre het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het aan de minister of aan zijn gemachtigde de mogelijkheid biedt een einde te maken aan het verblijfsrecht dat is toegekend aan een familielid van een burger van de Unie, of aan een dergelijk vermeend familielid, ingevolge een fraude die door de overheid is vastgesteld vóór de inwerkingtreding van die twee wetsbepalingen op 1 juni 2008, terwijl een dergelijke terugwerkende kracht niet bestaat voor een vreemdeling die geen burger van de Unie is en zijn familieleden, aangezien artikel 11 van de wet van 15 december 1980 de intrekking van het verblijf wegens fraude enkel mogelijk maakt voor een dergelijk feit dat na de inwerkingtreding van die bepaling op 1 juni 2007 is gepleegd ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen

B.1.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 47, eerste lid, 3°, van de wet van 25 april 2007 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, in samenhang gelezen met artikel 42septies van de wet van 15 december 1980 zoals het bij artikel 31 van de wet van 25 april 2007 is ingevoegd, en op artikel 11, § 2, van de wet van 15 december 1980.

B.1.2. Artikel 47, eerste lid, 3°, van de wet van 25 april 2007, zoals van toepassing op het ogenblik van de aan de verwijzende rechter voorgelegde feiten, bepaalt :

« Vanaf de inwerkingtreding van deze wet zijn alle bepalingen van deze wet van toepassing op de burgers van de Unie, hun familieleden en familieleden van Belgen met dien verstande dat :

[...]

3° er onder voorbehoud van schijnhuwelijk, rechtsmisbruik of een andere vorm van fraude die van doorslaggevend belang geweest is voor de erkenning van het verblijfsrecht, slechts een einde gesteld kan worden aan het verblijf van de burgers van de Unie en hun familieleden die op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet, beschikken over een verblijfskaart van onderdaan van een lidstaat van de Europese Gemeenschappen of een identiteitskaart voor vreemdeling, waarbij hun verblijfsrecht werd vastgesteld, conform het door deze wet gewijzigd artikel 45 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen ».

Artikel 42septies van de wet van 15 december 1980, vóór de wijziging ervan bij de wet van 8 juli 2011, bepaalt :

« De minister of zijn gemachtigde kan een einde stellen aan het verblijfsrecht van de burger van de Unie of van zijn familieleden indien deze of dezen valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten hebben gebruikt of fraude gepleegd hebben of ander onwettige middelen gebruikt hebben die van doorslaggevend belang geweest zijn voor de erkenning van dit recht ».

Artikel 11, § 2, van de wet van 15 december 1980, vóór de wijziging ervan bij de wet van 8 juli 2011, liet toe een einde te maken aan het verblijfsrecht van de vreemdeling die op grond van artikel 10 tot het verblijf was toegelaten, met name in het volgende geval :

« 4° de vreemdeling heeft valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten gebruikt, of heeft fraude gepleegd of onwettige middelen gebruikt die van doorslaggevend belang zijn geweest voor de erkenning van het recht op verblijf, of het staat vast dat het huwelijk, het partnerschap of de adoptie uitsluitend afgesloten werden opdat de betrokken vreemdeling het Rijk zou kunnen binnenkomen of er verblijven ».

Ten aanzien van de draagwijdte en de omvang van de prejudiciële vraag

B.2. De verwijzende rechter vraagt het Hof :

« Schendt artikel 47, eerste lid, 3°, van de wet van 25 april 2007 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, in samenhang gelezen met artikel 42septies van de wet van 15 december 1980, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het beginsel van de niet-retroactiviteit van de wetten, in zoverre het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het aan de minister of aan zijn gemachtigde de mogelijkheid biedt een einde te maken aan het verblijfsrecht dat is toegekend aan een familielid van een burger van de Unie, of aan een dergelijk vermeend familielid, ingevolge een fraude die door de overheid is vastgesteld vóór de inwerkingtreding van die twee wetsbepalingen op 1 juni 2008, terwijl een dergelijke terugwerkende kracht niet bestaat voor een vreemdeling die geen burger van de Unie is en zijn familieleden, aangezien artikel 11 van de wet van 15 december 1980 de intrekking van het verblijf wegens fraude enkel mogelijk maakt voor een dergelijk feit dat na de inwerkingtreding van die bepaling op 1 juni 2007 is gepleegd ? ».

B.3. De Ministerraad voert in hoofdorde aan dat het in het geding zijnde verschil in behandeling niet bestaat, omdat tevens dient rekening te worden gehouden met artikel 76 van de wet van 15 september 2006, dat een overgangsregeling bevat met betrekking tot het in de prejudiciële vraag vermelde artikel 11 van de wet van 15 december 1980, die soortgelijk is aan die welke is vervat in artikel 47, eerste lid, 3°, van de wet van 25 april 2007.

B.4.1. Artikel 76 van de wet van 15 september 2006 bepaalt :

« HOOFDSTUK III. - Overgangsbepalingen

Art. 76. § 1. Vanaf haar inwerkingtreding is deze wet van toepassing op alle bij haar bepalingen bedoelde toestanden.

§ 2. In de hierna volgende gevallen wordt evenwel afgeweken van het principe vermeld onder § 1 :

[...]

2° Met uitzondering van zijn punt 4° is artikel 11, § 2, van de wet van 15 december 1980, ingevoegd door artikel 9 van deze wet, van toepassing op de vreemdelingen die na de datum van de inwerkingtreding van deze wet tot een verblijf worden toegelaten.

[...] ».

B.4.2. Wat artikel 47, eerste lid, 3°, van de voormelde wet van 25 april 2007 betreft, die op 1 januari 2008 in werking is getreden, staat in de parlementaire voorbereiding te lezen :

« De mogelijkheid om een einde te maken aan het verblijf van de burger van de Unie, zijn familieleden of de familieleden van een Belg, die wordt ingevoerd in artikelen 42bis, 42ter en 42quater van de wet, is enkel van toepassing op de personen aan wie het recht op verblijf in België na de inwerkingtreding van de huidige wet werd toegekend. De andere burgers van de Unie, hun familieleden en de familieleden van een Belg blijven toegelaten tot een verblijf van onbepaalde duur in het Koninkrijk. De enige uitzondering op deze overgangsbepaling heeft betrekking op de gevallen van fraude die worden bedoeld in artikel 42septies, omdat dit motief voor een beëindiging van het verblijf een toepassing is van het algemeen rechtsprincipe ' Fraus omnia corrumpit ' » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2845/001, p. 76).

B.4.3. Het voormelde artikel 76, § 2, van de wet van 15 september 2006 werd als volgt verantwoord :

« Voor wat betreft de wijzigingen betreffende de gezinshereniging, wordt echter bepaald dat de mogelijkheid om een einde te maken aan het verblijf van een vreemdeling die op grond van artikel 10 tot het verblijf is toegelaten, gedurende een periode van 3 jaar (ingevoerd in artikel 11, § 2, van de wet), slechts van toepassing is op de vreemdelingen die na de datum van inwerkingtreding van deze wet tot het verblijf worden toegelaten, dat wil zeggen de vreemdelingen die na deze datum een BIVR ontvangen op basis van artikel 10. De vreemdelingen die vóór deze datum een dergelijk BIVR ontvingen blijven onbeperkt tot het verblijf in het Rijk toegelaten.

De enige uitzondering op deze overgangsbepaling heeft betrekking op de gevallen van fraude die worden bedoeld in artikel 11, § 2, 4° omdat dit motief voor een beëindiging van het verblijf een toepassing is van het algemeen rechtsprincipe ' Fraus omnia corrumpit ' » (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2478/001, p. 125).

B.5.1. De artikelen 11, § 2, en 42septies van de wet van 15 december 1980 bepalen onder welke voorwaarden een einde kan worden gemaakt aan het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen.

B.5.2. Artikel 47, eerste lid, 3°, van de wet van 25 april 2007 is een overgangsbepaling die de werking in de tijd regelt van artikel 42septies van de wet van 15 december 1980 en is aldus, wat de temporele werking van die laatste bepaling betreft, er onlosmakelijk mee verbonden. In dezelfde zin kan de werking in de tijd van artikel 11, § 2, van de wet van 15 december 1980 niet worden getoetst zonder dat ook rekening wordt gehouden met artikel 76 van de wet van 15 september 2006, dat de temporele werking van die bepaling regelt.

B.5.3. Uit de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepalingen, zoals weergegeven in B.4.2 en B.4.3, blijkt dat de wetgever, zowel wat betreft artikel 42septies van de wet van 15 december 1980, als wat betreft artikel 11, § 2, van die wet, heeft gewild dat de nieuwe regeling inzake de beëindiging van het verblijf van vreemdelingen slechts zou gelden voor vreemdelingen die een verblijfstitel verkrijgen na de inwerkingtreding van die bepalingen, behalve wanneer er sprake is van fraude.

B.5.4. Aldus blijkt dat, wat betreft de beëindiging van het verblijf ten gevolge van fraude, eenzelfde regeling geldt voor familieleden van een burger van de Unie, enerzijds, als voor familieleden van een vreemdeling die geen burger van de Unie is, anderzijds. Hieruit volgt dat, zoals de Ministerraad opmerkt, het verschil in behandeling waarover het Hof wordt ondervraagd, onbestaande is.

B.6. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 47, eerste lid, 3°, van de wet van 25 april 2007 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, in samenhang gelezen met artikel 42septies van die wet van 15 december 1980, schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het beginsel van de niet-retroactiviteit van de wetten.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 6 februari 2014.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

J. Spreutels

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag over artikel 47, eerste lid, 3°, van de wet van 25 april 2007 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, in samenhang gelezen met artikel 42septies van de wet van 15 december 1980, gesteld door de Raad van State. Bestuursrecht

  • Vreemdelingenrecht

  • Verblijfsrecht

  • Fraude

  • Mogelijkheid voor de minister of zijn gemachtigde om een einde te maken aan het verblijfsrecht

  • Terugwerkende kracht

  • 1. Familieleden van een burger van de Europese Unie

  • 2. Familieleden van een vreemdeling die geen burger van de Europese Unie is. # Rechten en vrijheden

  • Rechtsbeginselen

  • Algemene rechtsbeginselen

  • Niet-retroactiviteit van de wetten.