- Arrest van 6 februari 2014

06/02/2014 - 24/2014

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof verwerpt de beroepen.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit voorzitter J. Spreutels, emeritus voorzitter M. Bossuyt, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Moerman, E. Derycke en F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging

a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 25 februari 2013 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 26 februari 2013, is beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 40 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 12 juli 2012 « houdende wijziging van het decreet van 8 maart 2007 betreffende de algemene inspectiedienst, de dienst voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, de cellen voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde onderwijs en betreffende het statuut van de personeelsleden van de algemene inspectiedienst en van de pedagogische adviseurs » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 30 augustus 2012, tweede editie) door Danielle Mylle, wonende te 3001 Heverlee, Toverberg 1, Ariane Lefebvre, wonende te 5170 Profondeville, Allée des Renards 15, Claire Gillet, wonende te 4890 Thimister, route de Mont 43, Hans Isaac, wonende te 7034 Obourg, rue de Bauval 17, Françoise Massart, wonende te 1410 Waterloo, Clos Limesenrieux 21, en Pascale Schellens, wonende te 6280 Loverval, Allée des Templiers 41.

b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 27 februari 2013 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 28 februari 2013, is beroep tot vernietiging ingesteld van dezelfde decreetsbepaling door Fatima Ben Haddou, wonende te 1030 Brussel, Metsysstraat 53.

Die zaken, ingeschreven onder de nummers 5598 et 5599 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.

(...)

II. In rechte

(...)

Ten aanzien van de bestreden bepaling

B.1.1. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van artikel 40 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 12 juli 2012 « houdende wijziging van het decreet van 8 maart 2007 betreffende de algemene inspectiedienst, de dienst voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, de cellen voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde onderwijs en betreffende het statuut van de personeelsleden van de algemene inspectiedienst en van de pedagogische adviseurs », dat in dat decreet van 8 maart 2007 een artikel 173bis invoegt, dat luidt :

« Bij de eerste oproep tot de kandidaten gedaan overeenkomstig artikel 50 van dit decreet, wordt, voor ieder ambt bedoeld bij artikel 28, 1°, een prioritaire reserve samengesteld waarin de geslaagden van de selectieproef bedoeld bij artikel 50 opgenomen zijn en die aan de volgende voorwaarden voldoen :

1° tijdelijk sinds meer dan twee jaar vanaf de datum van de oproep tot de kandidaten een bevorderingsambt van inspecteur bekleden in hetzelfde ambt als dat waarvoor hij op de reserve van geslaagden opgenomen wordt;

2° de melding ' gunstig ' hebben gekregen bij de evaluatie bedoeld bij artikel 60 van dit decreet.

Wordt geacht hetzelfde ambt te bekleden als dat waarvoor hij op de reserve van geslaagden opgenomen wordt, de geslaagde die het overeenstemmende inspecteurambt bekleedt overeenkomstig de tabel opgenomen als bijlage II bij dit decreet.

Ingeval de tijdelijk aangewezen inspecteur die beroep doet op het vorige lid niet de evaluatie bedoeld bij artikel 60 voor 1 januari 2013 heeft genoten, wordt deze geacht gunstig te zijn.

Om een vacant verklaarde betrekking toe te kennen, wordt tijdelijk een oproep gedaan tot de geslaagden van de reserve bedoeld bij het eerste lid van dit artikel en dit, tot uitputting ervan ».

B.1.2. Artikel 50 van het voormelde decreet van 8 maart 2007, zoals gewijzigd bij artikel 14 van het decreet van 12 juli 2012, bepaalt :

« Om de vier jaar richt de Regering een selectieproef in met als doel de bevordering tot één of meerdere ambten van inspecteur bedoeld bij artikel 28, 1°.

De nadere regels voor deze proef alsook het profiel van generiek ambt van het ambt inspecteur worden door de Regering vastgelegd.

De proef omvat twee luiken : een luik dat toegang verleent tot de institutionele en administratieve basiskennis en een luik ter evaluatie van de generieke bekwaamheid om een ambt van inspecteur uit te oefenen.

De kandidaten moeten minstens 60 % voor ieder luik van de proef behalen, waarbij het luik ter evaluatie van de generieke bekwaamheid om het ambt van inspecteur uit te oefenen minstens voor 70 % van de eindpunten telt.

De examencommissie bedoeld bij artikel 57, § 1, wordt belast met het opstellen van het proces-verbaal van de selectieprocedure en met het vaststellen van de lijst van de gegadigden van de reserves.

Elk ambt bedoeld bij artikel 28, 1°, van dit decreet stemt met een reserve overeen die het eigen is. Bij de oproep tot de kandidaten, preciseren de kandidaten het ambt van inspecteur bedoeld bij artikel 28, 1°, van dit decreet waarvoor ze zich kandidaat wensen te stellen. Eenzelfde kandidaat mag zich voor meerdere ambten kandidaat stellen en op meerdere reserves gerangschikt worden voor zover hij aan de voorwaarden opgesomd in artikel 45 van dit decreet voldoet.

Binnen iedere reserve worden de geslaagden gerangschikt op basis van het totaal behaalde punten bij de proef bedoeld bij het eerste lid van dit artikel. Indien geslaagden van verscheidene selectieproeven in concurrentie worden gebracht voor de toe te kennen betrekking, worden zij gerangschikt volgens de volgorde van de datums van de processen-verbaal van afsluiting van de proeven, te beginnen vanaf de oudste datum en, voor elke proef, in functie van de orde van hun rangschikking. In geval van gelijkheid van punten binnen eenzelfde reserve wordt de voorrang verleend aan de kandidaat die de hoogste dienstanciënniteit heeft. Bij gelijke dienstanciënniteit wordt de voorrang verleend aan de kandidaat die de grootste ambtsanciënniteit geniet. Bij gelijke ambtsanciënniteit krijgt de oudste kandidaat de voorrang ».

B.1.3. Het decreet van 12 juli 2012 heeft met name tot doel de voorwaarden voor de benoeming in het bevorderingsambt van inspecteur te wijzigen. Terwijl het decreet van 8 maart 2007 de bevordering in het ambt van inspecteur afhankelijk maakte van het volgen van aanvullende opleidingen, bekrachtigd door een brevet, omvat de procedure voor de benoeming in de bevorderingsambten van inspecteur die bij het decreet van 12 juli 2012 is ingevoerd, een selectieproef bij de aanvang van de procedure (artikel 50), gevolgd, indien daarvoor geslaagd, door een stage van twee jaar (artikel 51) tijdens welke de stagiair ertoe gehouden is 250 uur opleiding te volgen (artikel 52). De kandidaat-inspecteur wordt tijdens de stage tweemaal geëvalueerd (artikel 53). De stage eindigt met het opstellen en het indienen van een « beroepsdossier » dat een persoonlijk schriftelijk verslag van de stagiair bevat, en met een eindevaluatie door de examencommissie op het einde van de stage (artikel 54). De stagiair wordt vast benoemd in de graad van inspecteur indien de examencommissie op het einde van de stage de vermelding « gunstig » toekent (artikel 55).

B.1.4. Artikel 40 van het decreet van 12 juli 2012, dat het onderwerp van het beroep vormt, bevat een overgangsbepaling voor de inspecteurs die het ambt sinds minstens twee jaar vanaf de datum van de eerste oproep tot de kandidaten volgens de nieuwe procedure tijdelijk uitoefenen. Die inspecteurs genieten, krachtens die bepaling, een prioritaire toegang tot de stage op voorwaarde dat zij zijn geslaagd voor de in artikel 50 bedoelde selectieproef en de vermelding « gunstig » hebben gekregen bij de evaluatie die, met toepassing van artikel 60, zoals het luidde vóór de wijziging ervan bij het bestreden decreet, moest worden uitgevoerd uiterlijk 400 dagen na hun indiensttreding en minstens om de twee jaar. Indien de geslaagde niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een evaluatie overeenkomstig artikel 60 van het decreet vóór 1 januari 2013, wordt hij geacht een gunstige evaluatie te hebben verkregen.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de beroepen

B.2.1. De Franse Gemeenschapsregering betwist het belang van alle verzoekende partijen bij het beroep.

B.2.2. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt.

B.2.3. De verzoekende partijen zijn allen tijdelijk aangesteld in ambten van inspecteur en oefenen die ambten reeds enkele jaren uit. Zij hebben de opleidingen gevolgd die de Franse Gemeenschap organiseert in het kader van de procedure voor de benoeming in het bevorderingsambt van inspecteur zoals geregeld bij het decreet van 8 maart 2007, vóór de wijziging ervan bij het bestreden decreet, en de verzoekende partijen in de zaak nr. 5598 hebben deelgenomen aan en zijn geslaagd voor de enige proef die de Gemeenschap na afloop van een van die opleidingen heeft georganiseerd.

B.2.4. De situatie van de verzoekende partijen die het ambt van inspecteur sinds meer dan twee jaar tijdelijk bekleden, wordt geraakt door de overgangsbepaling vervat in artikel 40 van het decreet van 12 juli 2012. In zoverre zij die overgangsbepaling verwijten onvoldoende rekening te houden met hun bijzondere situatie, doen zij blijken van een belang om de vernietiging ervan te vorderen.

De exceptie van niet-ontvankelijkheid aangevoerd in de zaak nr. 5599 dient voor het overige niet te worden onderzocht, aangezien de in beide zaken aangevoerde middelen identiek zijn.

B.2.5. De beroepen zijn ontvankelijk.

Ten aanzien van het enige middel

B.3. Het enige middel in de twee zaken is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De verzoekende partijen verwijten de decreetgever bij de aanneming van de overgangsbepaling vervat in artikel 40 van het decreet van 12 juli 2012, dat een artikel 173bis in het decreet van 8 maart 2007 invoegt, geen rekening te hebben gehouden met de bijzondere situatie van de kandidaat-inspecteurs die het ambt sinds meer dan twee jaar tijdelijk uitoefenen en die de opleidingen hebben gevolgd die ter uitvoering van het decreet van 8 maart 2007 zijn georganiseerd en in voorkomend geval zijn geslaagd voor de na afloop van een van die opleidingen georganiseerde proef.

Zij zijn van mening dat de bestreden bepaling, door die kandidaat-inspecteurs ertoe te verplichten deel te nemen aan de selectieproef die toegang verleent tot de stage en daarvoor te slagen, hen op onverantwoorde wijze op dezelfde manier behandelt als de kandidaat-inspecteurs die niet dezelfde opleidingen hebben gevolgd en niet voor dezelfde proef zijn geslaagd.

B.4. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dat beginsel verzet er zich overigens tegen dat categorieën van personen die zich ten aanzien van de aangevochten maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat.

Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.

B.5. De aanneming van het decreet van 12 juli 2012 is gemotiveerd door het gegeven, vastgesteld door de decreetgever, dat de bij het decreet van 8 maart 2007 ingevoerde procedure « praktische moeilijkheden met zich meebracht in verband met onder meer het bijeenkomen van de examencommissies en met het organiseren van de opleidingen ». Bovendien heeft de decreetgever ermee rekening gehouden dat een zekere rechtsonzekerheid heerste die was ontstaan uit de onwettigheid, vastgesteld door de Raad van State, van het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 27 mei 2009 tot samenstelling van de examencommissies met toepassing van artikel 53, tweede lid, van het decreet van 8 maart 2007 (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2011-2012, nr. 381/1, p. 3).

Daar die praktische moeilijkheden hebben belet de proeven te organiseren tot bekrachtiging van alle opleidingen die zijn georganiseerd met het oog op het uitreiken van de brevetten van inspecteur, is geen enkel brevet uitgereikt en heeft er geen enkele vaste benoeming in het ambt van inspecteur met toepassing van het decreet van 8 maart 2007 plaatsgehad, met uitzondering van de toepassing van artikel 162 van dat decreet, dat een benoeming mogelijk maakt nadat het ambt tien jaar werd uitgeoefend.

B.6. De categorieën van kandidaat-inspecteurs die het ambt van inspecteur tijdelijk uitoefenen, die door de verzoekende partijen met elkaar worden vergeleken, onderscheiden zich van elkaar door het feit dat de eerstgenoemden de opleidingen hebben gevolgd die in het kader van de uitvoering van het decreet van 8 maart 2007 zijn georganiseerd en in voorkomend geval hebben deelgenomen aan en zijn geslaagd voor de proef die is georganiseerd na afloop van een van de drie opleidingen, terwijl de laatstgenoemden die opleidingen niet hebben gevolgd.

Het Hof moet nagaan of dat verschil tussen de twee categorieën van kandidaat-inspecteurs die in de bestreden bepaling worden beoogd, de decreetgever ertoe verplichtte hen op onderscheiden wijze te behandelen en bijgevolg de kandidaten die behoren tot de eerste categorie vrij te stellen van de deelname aan en het slagen voor de selectieproef teneinde te worden toegelaten tot de stage met het oog op hun vaste benoeming.

B.7. Het behoort tot de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever te beslissen wanneer een beleid dient te worden aangepast. In het bijzonder wanneer hij vaststelt dat een benoemingsprocedure die hij heeft ingevoerd, onwerkzaam blijkt, zou hij niet ertoe kunnen worden gedwongen die te handhaven, bij wijze van overgangsregeling, voor de personen die de stappen hadden gedaan en de opleidingen hadden aangevat teneinde te voldoen aan de vereisten van de wetgeving met het oog op hun vaste benoeming volgens die procedure.

B.8.1. Te dezen heeft de decreetgever gekozen voor een nieuwe procedure voor de vaste benoeming die sterk verschilt van de regeling die hij wilde vervangen. De toegang tot de stage is voortaan afhankelijk van het slagen voor een selectieproef in twee delen : een algemeen administratief deel met betrekking tot de institutionele basiskennis en een deel ter evaluatie van de algemene bekwaamheid om een ambt van inspecteur uit te oefenen, op basis van een door de Regering opgesteld functieprofiel.

De drie opleidingsmodules, die elk hadden moeten worden bekrachtigd door een onderscheiden proef, georganiseerd bij het decreet van 8 maart 2007 vóór de wijziging ervan bij het bestreden decreet, hadden betrekking op de relationele geschiktheid, in het bijzonder het humanresourcesmanagement, op de pedagogische geschiktheid en op de beheersing van wet- en regelgeving en de bekwaamheid inzake administratief beheer. Alleen de proef met betrekking tot die laatste geschiktheid is georganiseerd.

B.8.2. Uit de vergelijking van die twee regelingen blijkt dat het gevolgd hebben van de ter uitvoering van het decreet van 8 maart 2007 georganiseerde opleidingen niet zou kunnen worden beschouwd als een prestatie die gelijkwaardig is aan het slagen voor de selectieproef die toegang verleent tot de bij het decreet van 12 juli 2012 ingevoerde stage. De kandidaat-inspecteurs die die opleidingen hebben gevolgd en in voorkomend geval zijn geslaagd voor de proef tot bekrachtiging van één daarvan, bevinden zich, ten aanzien van de verplichting om deel te nemen aan een selectieproef die toegang verleent tot de stage, bijgevolg niet in een wezenlijk verschillende situatie ten opzichte van de andere kandidaat-inspecteurs. De decreetgever was dus niet ertoe gehouden hen anders te behandelen door hen vrij te stellen van de deelname aan die proef.

Om die redenen,

het Hof

verwerpt de beroepen.

Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 6 februari 2014.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

J. Spreutels

Vrije woorden

  • Beroepen tot vernietiging van artikel 40 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 12 juli 2012 « houdende wijziging van het decreet van 8 maart 2007 betreffende de algemene inspectiedienst, de dienst voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, de cellen voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde onderwijs en betreffende het statuut van de personeelsleden van de algemene inspectiedienst en van de pedagogische adviseurs », ingesteld door Danielle Mylle en anderen en door Fatima Ben Haddou. Publiek recht

  • Onderwijs

  • Franse Gemeenschap

  • Rechtspositie van het personeel

  • Bevorderingsambt van inspecteur

  • Benoemingsvoorwaarden

  • Deelnemen aan en slagen voor de selectieproef die toegang verleent tot de stage

  • Overgangsregeling.