- Arrest van 6 februari 2014

06/02/2014 - 25/2014

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

- In die zin geïnterpreteerd dat het de verkeersongevallen waarbij een voertuig is betrokken dat rijdt op een spoorweg die volledig is afgezonderd van het verkeer op de plaatsen bedoeld in artikel 2, § 1, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, wanneer het slachtoffer van het ongeval een passagier van dat voertuig is, uitsluit van de regeling inzake automatische schadevergoeding, schendt artikel 29bis, § 1, tweede lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 19 januari 2001, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

- In die zin geïnterpreteerd dat het de verkeersongevallen waarbij een voertuig is betrokken dat rijdt op een spoorweg die volledig is afgezonderd van het verkeer op de plaatsen bedoeld in artikel 2, § 1, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, wanneer het slachtoffer van het ongeval een passagier van dat voertuig is, niet uitsluit van de regeling inzake automatische schadevergoeding, schendt artikel 29bis, § 1, tweede lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 19 januari 2001, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en A. Alen, de rechters L. Lavrysen, E. Derycke, P. Nihoul en T. Giet, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter M. Bossuyt, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 8 maart 2013 in zake « Ethias Arbeidsongevallen » en de nv « De Post » tegen de NMBS Holding, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 19 maart 2013, heeft de Politierechtbank te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 29bis, § 1, tweede lid, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, indien het in die zin wordt geïnterpreteerd dat enkel automatisch schadeloos kunnen worden gesteld de passagiers van een voertuig dat aan spoorstaven is gebonden wanneer het ongeval zich voordoet op een plaats bedoeld in artikel 2, § 1, van diezelfde wet, dat wil zeggen op de openbare weg, op een voor het publiek toegankelijk terrein of op een terrein dat slechts toegankelijk is voor een zeker aantal personen die het recht hebben om er te komen of op een plaats die niet volledig is afgezonderd van de voormelde plaatsen, en niet de passagiers van een dergelijk voertuig wanneer dat ongeval gebeurt op een plaats die volledig is afgezonderd van de plaatsen bedoeld in artikel 2, § 1, van de voormelde wet van 21 november 1989 ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 29bis, § 1, van de wet van 21 november 1989 « betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen », zoals gewijzigd bij de wet van 19 januari 2001 « tot wijziging van diverse bepalingen betreffende de regeling inzake automatische vergoeding van de schade, geleden door zwakke weggebruikers en passagiers van motorrijtuigen », dat bepaalt :

« Bij een verkeersongeval waarbij een of meer motorrijtuigen betrokken zijn, op de plaatsen bedoeld in artikel 2, § 1, wordt, met uitzondering van de stoffelijke schade en de schade geleden door de bestuurder van elk van de betrokken motorrijtuigen, alle schade geleden door de slachtoffers en hun rechthebbenden en voortvloeiend uit lichamelijke letsels of het overlijden, met inbegrip van de kledijschade, hoofdelijk vergoed door de verzekeraars die de aansprakelijkheid van de eigenaar, de bestuurder of de houder van de motorrijtuigen overeenkomstig deze wet dekken. Deze bepaling is ook van toepassing indien de schade opzettelijk werd veroorzaakt door de bestuurder.

Bij een verkeersongeval waarbij een motorrijtuig is betrokken dat aan spoorstaven is gebonden, rust de verplichting tot schadevergoeding die in het voorgaande lid is bepaald, op de eigenaar van het motorrijtuig.

[...] ».

De vraag heeft meer bepaald betrekking op het tweede lid van die bepaling.

B.2. De prejudiciële vraag heeft betrekking op een ongeval dat zich heeft voorgedaan binnen een aan een spoorweg gebonden voertuig. Het slachtoffer van dat ongeval was een passagier van dat voertuig. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die hypothese.

B.3. Het Hof wordt verzocht de bestaanbaarheid na te gaan, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 29bis, § 1, tweede lid, van de wet van 21 november 1989, in de interpretatie volgens welke die bepaling de ongevallen die zich voordoen binnen een aan een spoorweg gebonden motorrijtuig, terwijl het voertuig zich bevindt op een plaats die volledig afgezonderd is van het verkeer, uitsluit van de daarin bepaalde regeling van de automatische vergoeding.

B.4.1. Bij zijn arrest nr. 35/2012 van 8 maart 2012 heeft het Hof voor recht gezegd dat de in het geding zijnde bepaling, in zoverre zij de verkeersongevallen waarbij een trein is betrokken die rijdt op een spoorweg die volledig is afgezonderd van het verkeer op de plaatsen bedoeld in artikel 2, § 1, van de wet van 21 november 1989, niet uitsluit van de regeling inzake automatische schadevergoeding, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt.

B.4.2. De zaak die aanleiding heeft gegeven tot dat arrest, had betrekking op een ongeval met een voetganger die zich op of in de nabijheid van een spoorweg bevond en die door een trein is aangereden, terwijl die laatste reed op een plaats waar de spoorweg volledig afgezonderd was van de voor het verkeer opengestelde wegen.

De hypothese van het ongeval waarvan het slachtoffer een passagier van het voertuig is, verschilt fundamenteel van dat van het ongeval met een voetganger die zich bevindt op of in de nabijheid van de weg. Het antwoord van het Hof op de in het arrest nr. 35/2012 gestelde vraag kan in de onderhavige zaak dus niet worden gevolgd.

B.5.1. Wat de spoorvoertuigen betreft, vermocht de wetgever rekening te houden met het risico dat zij voor de andere weggebruikers veroorzaken wanneer die spoorvoertuigen rijden op plaatsen die niet volledig zijn afgezonderd van de plaatsen bedoeld in artikel 2, § 1, van de in het geding zijnde wet, omdat dat risico vergelijkbaar is met het risico dat wordt veroorzaakt door andere voertuigen. Dat geldt zelfs wanneer het verkeer op de openbare weg tijdelijk verboden is door het neerlaten van veiligheidsbarrières of door verkeerslichten bestemd om treinen te laten doorrijden.

B.5.2. Bij zijn voormelde arrest nr. 35/2012 heeft het Hof evenwel geoordeeld dat, wanneer de trein op een spoorweg rijdt die volledig afgezonderd is van het verkeer op de plaatsen bedoeld in het voormelde artikel 2, § 1, het risico dat door dat voertuig wordt veroorzaakt voor de zwakke weggebruiker, diende te worden beschouwd als wezenlijk verschillend van het risico dat voor diezelfde weggebruiker wordt veroorzaakt door voertuigen die op de in het voormelde artikel 2, § 1, bedoelde plaatsen rijden.

Het heeft daaruit besloten dat, in zoverre zij de eigenaars van treinen ertoe verplicht de schade te vergoeden die voortvloeit uit een ongeval dat zich in die omstandigheden heeft voorgedaan, de in het geding zijnde bepaling niet redelijk verantwoord is.

B.5.3. Zoals het Hof heeft geoordeeld bij zijn arrest nr. 116/2013 van 31 juli 2013 heeft het feit dat het aan een spoorweg gebonden voertuig zich bevindt op een plaats die volledig afgezonderd is van de rest van het verkeer evenwel geen enkel gevolg voor het risico dat dat voertuig inhoudt voor de passagiers die zich daarbinnen bevinden. Er is derhalve geen enkele redelijke verantwoording om de verkeersongevallen waarbij een voertuig is betrokken dat op een spoorweg rijdt die volledig afgezonderd is van het verkeer op de plaatsen bedoeld in artikel 2, § 1, van de wet van 21 november 1989, wanneer het slachtoffer van het ongeval een passagier van het betrokken voertuig is, uit te sluiten van de regeling van de automatische schadevergoeding die is ingevoerd bij artikel 29bis van dezelfde wet.

B.5.4. In de interpretatie volgens welke artikel 29bis, § 1, tweede lid, van de wet van 21 november 1989 de verkeersongevallen waarbij een voertuig is betrokken dat rijdt op een spoorweg die volledig is afgezonderd van het verkeer op de plaatsen bedoeld in artikel 2, § 1, van dezelfde wet, wanneer het slachtoffer van het ongeval een passagier van het betrokken voertuig is, uitsluit van de regeling van de automatische schadevergoeding, dient de prejudiciële vraag bevestigend te worden beantwoord.

B.6.1. Het Hof stelt evenwel vast dat de in het geding zijnde bepaling anders kan worden geïnterpreteerd.

B.6.2. Bij zijn arrest nr. 93/2006 van 7 juni 2006 heeft het Hof immers geoordeeld dat, in tegenstelling tot artikel 29bis, § 1, eerste lid, het in het geding zijnde tweede lid van die bepaling de vergoedingsregeling waarin het voorziet, niet beperkt tot de plaatsen bedoeld in artikel 2, § 1, van dezelfde wet.

Zoals is aangegeven in B.4 en B.5, heeft het arrest nr. 35/2012 alleen betrekking op een zwakke weggebruiker die zich bevindt op of in de nabijheid van een spoorweg die volledig afgezonderd is van het verkeer op de plaatsen bedoeld in artikel 2, § 1, van dezelfde wet, en niet op een passagier die zich bevindt binnen het voertuig dat op die spoorweg rijdt.

Artikel 29bis, § 1, tweede lid, van de wet van 21 november 1989 kan immers in die zin worden geïnterpreteerd dat het de verkeersongevallen waarbij een voertuig is betrokken dat rijdt op een spoorweg die volledig is afgezonderd van het verkeer op de plaatsen bedoeld in artikel 2, § 1, van dezelfde wet, wanneer het slachtoffer van het ongeval een passagier van het betrokken voertuig is, niet uitsluit van de regeling inzake automatische schadevergoeding.

B.6.3. In die interpretatie is de in het geding zijnde bepaling niet discriminerend en dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

- In die zin geïnterpreteerd dat het de verkeersongevallen waarbij een voertuig is betrokken dat rijdt op een spoorweg die volledig is afgezonderd van het verkeer op de plaatsen bedoeld in artikel 2, § 1, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, wanneer het slachtoffer van het ongeval een passagier van dat voertuig is, uitsluit van de regeling inzake automatische schadevergoeding, schendt artikel 29bis, § 1, tweede lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 19 januari 2001, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

- In die zin geïnterpreteerd dat het de verkeersongevallen waarbij een voertuig is betrokken dat rijdt op een spoorweg die volledig is afgezonderd van het verkeer op de plaatsen bedoeld in artikel 2, § 1, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, wanneer het slachtoffer van het ongeval een passagier van dat voertuig is, niet uitsluit van de regeling inzake automatische schadevergoeding, schendt artikel 29bis, § 1, tweede lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 19 januari 2001, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 6 februari 2014.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

J. Spreutels

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag over artikel 29bis, § 1, tweede lid, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, zoals dat artikel werd gewijzigd bij artikel 2 van de wet van 19 januari 2001 tot wijziging van diverse bepalingen betreffende de regeling inzake automatische vergoeding van de schade, geleden door zwakke weggebruikers en passagiers van motorrijtuigen, gesteld door de Politierechtbank te Luik. Verzekeringsrecht

  • Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen

  • Automatische vergoeding van de slachtoffers van verkeersongevallen

  • Toepassingsgebied

  • Ongevallen die zich voordoen binnen een aan een spoorweg gebonden motorrijtuig terwijl het voertuig zich bevindt op een plaats volledig afgezonderd van het verkeer.