- Arrest van 27 februari 2014

27/02/2014 - 32/2014

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 4.8.16, § 1, eerste lid, 6°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, vóór de vervanging ervan bij artikel 5 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 6 juli 2012 « houdende wijziging van diverse bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, wat de Raad voor Vergunningsbetwistingen betreft », schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters A. Alen en J. Spreutels, de rechters E. De Groot, J.-P. Snappe, T. Merckx-Van Goey en F. Daoût, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter M. Bossuyt, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van emeritus voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest van 5 februari 2013 in zake het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge tegen de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar van het « Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed », afdeling West-Vlaanderen, met als tussenkomende partijen de nv « Electrabel », de nv « Aspiravi », de nv « Electrawinds Plus », de nv « Pathoeke Plus » en de nv « Ardesa », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 4 maart 2013, heeft de Raad voor Vergunningsbetwistingen de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 4.8.16, § 1, eerste lid, 6° VCRO in de versie vóór de wijziging ervan bij het decreet van 6 juli 2012 houdende wijziging van diverse bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, wat de Raad voor Vergunningsbetwistingen betreft, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, voor zover het toelaat dat de adviserende instanties behorende tot een Vlaams departement of Vlaams agentschap via de betrokken leidend ambtenaar of bij diens afwezigheid diens gemachtigde, een vordering tot schorsing en/of vernietiging kunnen indienen bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, terwijl die bepaling niet in een vorderingsrecht voorziet voor het College van burgemeester en schepenen dat overeenkomstig artikel 4.7.26, § 4, 2° VCRO wordt aangeduid als adviserend orgaan binnen de bijzondere procedure en in die hoedanigheid ook advies heeft verleend ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

De in het geding zijnde bepaling

B.1.1. Artikel 4.8.16, § 1, eerste lid, 6°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna : VCRO) bepaalde, vóór het werd vervangen bij artikel 4 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 18 november 2011 tot wijziging van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning en van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening inzake de beroepsmogelijkheden :

« § 1. De beroepen bij de Raad kunnen door volgende belanghebbenden worden ingesteld :

[...]

6° de bij het dossier betrokken adviserende instanties aangewezen krachtens artikel 4.7.16, § 1, eerste lid, respectievelijk artikel 4.7.26, § 4, 2°, op voorwaarde dat zij tijdig advies hebben verstrekt of ten onrechte niet om advies werden verzocht ».

B.1.2. Het voormelde artikel 4 van het decreet van 18 november 2011 bepaalt :

« In artikel 4.8.16, § 1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening worden de volgende wijzigingen aangebracht :

punt 5° en 6° worden vervangen door wat volgt :

[...]

' 6° de leidend ambtenaar of bij afwezigheid diens gemachtigde van het departement of agentschap, waartoe de adviserende instantie behoort, aangewezen krachtens artikel 4.7.16, § 1, eerste lid, respectievelijk artikel 4.7.26, § 4, 2°, op voorwaarde dat die instantie tijdig advies heeft verstrekt of ten onrechte niet om advies werd verzocht. ' ».

B.1.3. Vanaf de inwerkingtreding van die bepaling op 29 december 2011 en tot de vervanging ervan bij artikel 5 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 6 juli 2012 « houdende wijziging van diverse bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, wat de Raad voor Vergunningsbetwistingen betreft », bepaalde artikel 4.8.16, § 1, eerste lid, 6°, van de VCRO derhalve :

« § 1. De beroepen bij de Raad kunnen door volgende belanghebbenden worden ingesteld :

[...]

6° de leidend ambtenaar of bij afwezigheid diens gemachtigde van het departement of agentschap, waartoe de adviserende instantie behoort, aangewezen krachtens artikel 4.7.16, § 1, eerste lid, respectievelijk artikel 4.7.26, § 4, 2°, op voorwaarde dat die instantie tijdig advies heeft verstrekt of ten onrechte niet om advies werd verzocht ».

De inhoud van die bepaling werd overgenomen in artikel 4.8.11, eerste lid, 6°, van de VCRO, zoals vervangen bij het voormelde artikel 5 van het decreet van 6 juli 2012.

B.1.4. De artikelen 4.7.16, § 1, eerste lid, en 4.7.26, § 4, 2°, van de VCRO, waarnaar artikel 4.8.16, § 1, eerste lid, 6°, van de VCRO verwees, bepalen :

« Art. 4.7.16. § 1. De Vlaamse Regering wijst de instanties aan die over een vergunningsaanvraag advies verlenen ».

« Art. 4.7.26.

[...]

§ 4. Ten aanzien van ontvankelijke vergunningsaanvragen wordt verder gehandeld overeenkomstig de hiernavolgende regelen :

[...]

2° het vergunningverlenende bestuursorgaan of zijn gemachtigde wint het voorafgaand advies in van de door de Vlaamse Regering aangewezen instanties en van het college van burgemeester en schepenen, rekening houdend met volgende regelingen :

a) indien de vergunningsaanvraag niet onderworpen is aan een openbaar onderzoek, worden alle adviezen uitgebracht binnen een termijn van dertig dagen, ingaand de dag na deze van de ontvangst van de adviesvraag, met dien verstande dat aan de adviesvereiste voorbij kan worden gegaan indien de adviezen niet tijdig worden uitgebracht,

b) indien de vergunningsaanvraag onderworpen is aan een openbaar onderzoek :

1) valt de adviseringstermijn in hoofde van de door de Vlaamse Regering aangewezen instanties samen met de duur van het openbaar onderzoek, met dien verstande dat aan de adviesvereiste voorbij kan worden gegaan indien de adviezen niet tijdig worden uitgebracht;

2) bezorgt het college van burgemeester en schepenen het proces-verbaal van het openbaar onderzoek, de gebundelde bezwaren en opmerkingen en zijn eigen advies aan het vergunningverlenende bestuursorgaan binnen een ordetermijn van dertig dagen, die ingaat de dag na deze waarop het openbaar onderzoek werd afgesloten;

c) zo de vergunningsaanvraag van het college van burgemeester en schepenen uitgaat, brengt het college geen advies uit; ».

B.2. Luidens artikel 4.8.16, § 1, eerste lid, 6°, van de VCRO, vóór het werd vervangen bij artikel 4 van het decreet van 18 november 2011, kon het college van burgemeester en schepenen als een bij het dossier betrokken adviserende instantie aangewezen krachtens artikel 4.7.26, § 4, 2°, van de VCRO, een beroep instellen bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Sinds de inwerkingtreding van het voormelde artikel 4 van het decreet van 18 november 2011, dat artikel 4.8.16, § 1, eerste lid, 6°, van de VCRO verving, kan het college van burgemeester en schepenen, in de interpretatie van het verwijzende rechtscollege, dat niet langer.

Ten gronde

B.3. De prejudiciële vraag betreft de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het Hof wordt ondervraagd over het verschil in behandeling dat zou bestaan tussen twee categorieën van in artikel 4.7.26, § 4, 2°, van de VCRO aangewezen adviserende instanties : enerzijds, de door de Vlaamse Regering aangewezen instanties die tot een Vlaams departement of Vlaams agentschap behoren, die op grond van de in het geding zijnde bepaling een beroep kunnen instellen bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen en, anderzijds, het college van burgemeester en schepenen, die dat niet kan.

B.4.1. Volgens de tussenkomende partijen voor het verwijzende rechtscollege zijn de twee voormelde categorieën niet vergelijkbaar, gelet op de onderscheiden regeling van de adviesbevoegdheid in de bijzondere procedure bepaald in artikel 4.7.26 van de VCRO en de mogelijkheid voor de gemeente om, wanneer het college van burgemeester en schepenen een negatief advies heeft uitgebracht over een bouwaanvraag in de bijzondere procedure, als belanghebbende publieke rechtspersoon een beroep in te stellen.

B.4.2. Uit artikel 4.7.26, § 4, 2°, van de VCRO vloeit voort dat in de bijzondere procedure zowel de door de Vlaamse Regering aangewezen instanties als het college van burgemeester en schepenen advies dienen te verlenen over ontvankelijke vergunningsaanvragen. Vermits beide categorieën in artikel 4.7.26, § 4, 2°, aangewezen adviserende instanties zijn, gaat het ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling om vergelijkbare categorieën. Het feit dat de wijze waarop ze dat advies dienen te verlenen, verschillend is, doet daaraan geen afbreuk.

B.5.1. In de memorie van toelichting bij het ontwerp van decreet dat tot het decreet van 18 november 2011 heeft geleid, werd de bevoegdheid van een leidend ambtenaar om beroep in te stellen bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, als volgt verantwoord :

« De bevoegdheid in hoofde van overheidsinstanties om beroep in te stellen tegen beslissingen van een politieke overheid, wordt toegewezen aan de leidend ambtenaar van dat orgaan (veelal een agentschap) in plaats van aan een toegewezen (' gedelegeerde ') ambtenaar.

Bedoeling is dat een verantwoordelijke op een voldoende hoog niveau, vooraleer beroep in te stellen, steeds een integrale afweging maakt zoals ook de politieke overheid die de beslissing heeft genomen, dat heeft gedaan. Bij de afweging worden niet enkel de eigen sectorale belangen nagekeken, maar wordt ook het belang van het beroep geëvalueerd tegenover het, door het beroep, voor geruime tijd blokkeren, minstens bezwaren van de voorgenomen handelingen of werken.

Uiteraard behoudt de leidend ambtenaar wel de mogelijkheid om zijn bevoegdheid, in geval van afwezigheid of verhindering, te delegeren.

Wijzigingen inzake de bevoegdheid om hoger beroep aan te tekenen worden beperkt tot beroepen ingesteld tegen milieuvergunningen en stedenbouwkundige vergunningen, afgegeven door het college van burgemeester en schepenen of de deputatie » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2010-2011, nr. 1250/1, p. 3).

B.5.2. In verband met wat artikel 4 van dat decreet is geworden, werd daaraan het volgende toegevoegd :

« Dit artikel behandelt de beroepen inzake stedenbouwkundige vergunningen en verkavelingsvergunningen bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen tegen beslissingen getroffen door de deputatie (reguliere procedure) of de Vlaamse Regering, de gedelegeerd of gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar (bijzondere procedure).

In plaats van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar wordt de bevoegdheid om beroep aan te tekenen toegewezen aan de leidend ambtenaar van het departement. Ook voor wat betreft de adviserende instanties wordt verduidelijkt dat de beslissingsbevoegdheid toekomt aan de leidend ambtenaar.

De tabel die geldt voor de ' verschuiving ' van de bevoegdheid om beroep in te stellen tegen beslissingen inzake stedenbouwkundige vergunningen en verkavelingsvergunningen genomen door het college van burgemeester en schepenen (artikel 3) geldt eveneens voor beroepen inzake stedenbouwkundige vergunningen en verkavelingsvergunningen bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen.

Het is ongewenst dat de leidend ambtenaar deze beroepsmogelijkheid verder zou delegeren. Bij afwezigheid (vakantie of ziekte bijvoorbeeld) is de ambtenaar die belast is met de vervanging van de leidend ambtenaar uiteraard wel bevoegd om beroep in te stellen.

Bij de beslissing tot het al dan niet instellen van het beroep, bedoeld in het eerste lid, 5° en 6°, kan de leidend ambtenaar een afweging maken van de belangen van de eigen entiteit tegenover die van andere entiteiten en het maatschappelijk belang van het aangevraagde » (ibid., p. 7).

B.5.3. Tijdens de bespreking in de bevoegde commissie van het Vlaams Parlement, verwees de minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport naar « het ontwerp van decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en van het decreet van 10 maart 2006 houdende de oprichting van de strategische adviesraad Ruimtelijke Ordening - Onroerend Erfgoed, wat betreft de adviesorganen (Parl. St. Vl. Parl., 2010-11, nr. 1186/1), dat gelijktijdig door de commissie wordt behandeld » en verklaarde hij dat « beide wijzigingen kaderen in het versnellen van investeringsprojecten en [...] uitvoering [geven] aan de aanbevelingen die in dat verband werden gedaan » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2010-2011, nr. 1250/4, p. 4). Hij voegde hieraan toe :

« Dit ontwerp van decreet heeft betrekking op de bevoegdheid in hoofde van overheidsinstanties om beroep in te stellen tegen beslissingen van een politieke overheid, met name beslissingen van een schepencollege of van de deputatie.

Deze bevoegdheid wordt in het ontwerp van decreet toegewezen aan de leidend ambtenaar in plaats van aan een toegewezen (gedelegeerde) ambtenaar. Deze wijziging werd voorgesteld in het kader van de vereenvoudiging van procedures en versnelling van investeringsprojecten. De maatregel kan op korte termijn worden gerealiseerd en snel effect hebben. Zonder een ingrijpende administratieve reorganisatie wordt de beroepsmogelijkheid op een hoger niveau getild.

De bedoeling hiervan is dat - vooraleer een beroep wordt ingesteld - een verantwoordelijke op een voldoende hoog niveau steeds een integrale afweging maakt, zoals ook de politieke overheid die de beslissing heeft genomen dat heeft gedaan » (ibid.).

B.5.4. De leden van de bevoegde commissie van het Vlaams Parlement beklemtoonden, enerzijds, dat de leidend ambtenaar een integrale afweging dient te maken van het belang bij het beroep en, anderzijds, dat er nood was aan eenvormigheid. Zo verklaarde een lid

« in het verleden herhaaldelijk [te hebben] gewezen op het probleem van de beroepen en de verschillen tussen de provincies. De minister gaat nu nog een stap verder door te stellen dat er een integrale afweging moet gebeuren door de leidend ambtenaar. Dit laatste is nog niet echt afdwingbaar, maar het is positief dat de leidend ambtenaar wordt gevraagd het belang van het beroep af te wegen tegenover de totaliteit van het dossier » (ibid.).

Dat lid pleitte ervoor dat « de integrale afweging ook wordt opgenomen in de functieprofielen en de evaluatie van de leidend ambtenaren » vermits volgens hem « de integrale afweging [...] geen dode letter [mag] blijven (ibid., p. 5).

Een ander lid voegde daaraan toe dat

« het feit dat enkel de leidend ambtenaar een beroep kan indienen niet alleen een rem kan zijn tegen onbezonnen beroepen, maar ook voor meer eenvormigheid kan zorgen. Nu blijken er verschillen tussen de benadering van de provinciale buitendiensten, bijvoorbeeld inzake de vergunning van windturbines. Er is nood aan meer uniformiteit en dat kan door de voorgestelde wijziging worden bereikt » (ibid.).

B.5.5. Tijdens de bespreking in de plenaire vergadering, verklaarde een lid :

« Voorzitter, het komt erop neer dat enkel nog de leidende ambtenaar of zijn vervanger - deze mogelijkheid werd bij amendement toegevoegd - beroep kan aantekenen. Een van de bedoelingen is dat dit in de toekomst meer geüniformiseerd gebeurt dan in het verleden en dat als de administratie in beroep gaat, er geen verschil is in aanpak tussen bijvoorbeeld de provincies of tussen de verschillende diensten onderling. Als men in beroep gaat, moet men dat weloverwogen doen en op een heel uniforme manier » (Hand., Vlaams Parlement, 2011-2012, nr. 8, 9 november 2011, p. 63).

Een ander lid was de volgende mening toegedaan :

« Het betreft een soort willekeur over de provinciegrenzen heen inzake het aangaan van een beroep. We zijn dan ook bijzonder verheugd dat dit ontwerp van decreet hieraan remedieert. Meer nog, we gaan zelfs een stap verder, want de betrokken ambtenaar die alsnog beroep indient, zal een integrale afweging moeten maken en zal over de beleidsdomeinen heen moeten kijken of zijn beroep wel opweegt tegen de totaliteit van de inhoud van het dossier. Dat is al een eerste stap in de richting van een geïntegreerd Vlaams advies. Dit is dus een hele stap vooruit » (ibid.).

B.6. Het verschil in behandeling tussen de in B.3 vermelde categorieën berust op een objectief criterium, namelijk de aard van de in artikel 4.7.26, § 4, 2°, van de VCRO aangewezen adviserende instanties.

B.7. In zoverre de decreetgever beoogt de beslissingen om beroep in te stellen toe te vertrouwen aan een verantwoordelijke op een voldoende hoog niveau, teneinde een integrale afweging van het belang van het beroep te bewerkstelligen en de uniformiteit te verzekeren van de beslissingen om al dan niet beroep in te stellen, streeft hij een wettig doel na.

B.8. Het feit dat, in de interpretatie van het verwijzende rechtscollege, het college van burgemeester en schepenen niet langer op grond van de in het geding zijnde bepaling beroep kan instellen bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, is pertinent ten aanzien van dat doel. In de parlementaire voorbereiding verklaarde een lid :

« We hebben ervoor gekozen om het in de toekomst mogelijk te maken dat het Vlaamse niveau in beroep gaat tegen een beslissing van een ander niveau » (Hand., Vlaams Parlement, 2011-2012, nr. 8, 9 november 2011, p. 64).

Die doelstelling kan enkel worden bewerkstelligd wanneer het beroepsrecht van het college van burgemeester en schepenen als adviserende instantie wordt uitgesloten. Aldus wordt immers de uniformiteit verzekerd van de beslissingen om al dan niet beroep in te stellen op het niveau van het Vlaamse Gewest.

B.9. Het Hof dient nog na te gaan of het verschil in behandeling dat hieruit voortvloeit, geen gevolgen heeft die onevenredig zijn ten aanzien van het nagestreefde doel.

B.10.1. Vóór het werd vervangen bij artikel 5 van het decreet van 6 juli 2012, bepaalde artikel 4.8.16, § 1, eerste lid, 3°, van de VCRO :

« § 1. De beroepen bij de Raad kunnen door volgende belanghebbenden worden ingesteld :

[...]

3° elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die rechtstreekse of onrechtstreekse hinder of nadelen kan ondervinden ingevolge de vergunnings-, validerings- of registratiebeslissing; »

De inhoud van die bepaling wordt overgenomen in artikel 4.8.11, eerste lid, 3°, van de VCRO, zoals vervangen bij het voormelde artikel 5 van het decreet van 6 juli 2012.

B.10.2. Op grond van de voormelde bepaling kan de gemeente beroep instellen bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen wanneer ze rechtstreeks of onrechtstreeks hinder of nadelen kan ondervinden ingevolge een volgens de bijzondere procedure genomen vergunningsbeslissing. Dat is met name het geval wanneer de bestreden vergunningsbeslissing het beleid van de gemeente doorkruist, wat kan blijken uit het feit dat het college van burgemeester en schepenen, als adviserende instantie in de bijzondere procedure, een ongunstig advies heeft verleend of voorwaarden heeft geformuleerd die niet in de vergunning werden opgenomen.

B.10.3. Artikel 57, § 3, 9°, van het Vlaamse Gemeentedecreet bepaalt :

« Het college van burgemeester en schepenen is bevoegd voor :

[...]

9° het vertegenwoordigen van de gemeente in gerechtelijke en buitengerechtelijke gevallen en beslissingen over het in rechte optreden namens de gemeente, met behoud van artikel 193 ».

Artikel 193 van het Vlaamse Gemeentedecreet, waarnaar die bepaling verwijst, bepaalt :

« § 1. Het college van burgemeester en schepenen vertegenwoordigt de gemeente in gerechtelijke en buitengerechtelijke gevallen en beslist om op te treden in rechte namens de gemeente.

De gemeenteraad kan beslissen om deze bevoegdheden in de plaats van het college uit te oefenen. Wanneer een lid van het college zich bevindt in een situatie als beschreven in artikel 27, § 1, 1°, oefent de gemeenteraad deze bevoegdheden uit.

§ 2. Het college of, in voorkomend geval, de gemeenteraad kan hetzij een lid van het college, hetzij een personeelslid, hetzij een advocaat aanwijzen om namens de gemeente te verschijnen in rechte ».

Uit de combinatie van de voormelde bepalingen vloeit voort dat, wanneer een gemeente een beroep bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen wenst in te stellen, het college van burgemeester en schepenen optreedt als vertegenwoordiger van de gemeente.

B.10.4. Aangezien het college van burgemeester en schepenen, als vertegenwoordiger van de gemeente, een beroep kan instellen bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, heeft het in B.3 vermelde verschil in behandeling geen onevenredige gevolgen ten opzichte van het nagestreefde doel.

Het feit dat de gemeente dient aan te tonen dat ze rechtstreeks of onrechtstreeks hinder of nadelen kan ondervinden ingevolge de beslissing met betrekking tot de bestreden vergunning, doet hieraan geen afbreuk, vermits die hinder of die nadelen onder meer kunnen voortvloeien uit het feit dat het college van burgemeester en schepenen, als adviserende instantie in de bijzondere procedure, een ongunstig advies heeft verleend of voorwaarden heeft geformuleerd die niet in de vergunning werden opgenomen.

B.11. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 4.8.16, § 1, eerste lid, 6°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, vóór de vervanging ervan bij artikel 5 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 6 juli 2012 « houdende wijziging van diverse bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, wat de Raad voor Vergunningsbetwistingen betreft », schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 27 februari 2014.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

M. Bossuyt

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag betreffende artikel 4.8.16, § 1, eerste lid, 6°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, vóór de vervanging ervan bij artikel 5 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 6 juli 2012, gesteld door de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Bestuursrecht

  • Vlaams Gewest

  • Stedenbouw en ruimtelijke ordening

  • Vergunningsbeslissingen

  • Beroep bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen

  • 1. Door de Vlaamse Regering aangewezen adviserende instanties

  • Beroepsrecht

  • 2. College van burgemeester en schepenen

  • a. Als adviserende instantie

  • Afwezigheid van beroepsrecht

  • b. Als vertegenwoordiger van de gemeente

  • Beroepsrecht.