- Arrest van 27 februari 2014

27/02/2014 - 34/2014

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 22 van de wet van 23 mei 1990 inzake de overbrenging tussen Staten van veroordeelde personen, de overname en de overdracht van het toezicht op voorwaardelijk veroordeelde of voorwaardelijk in vrijheid gestelde personen, en de overname en de overdracht van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters A. Alen en J. Spreutels, de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût en T. Giet, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter M. Bossuyt, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van emeritus voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 6 februari 2013 in zake het openbaar ministerie tegen Cosmin Hangan, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 13 maart 2013, heeft de Correctionele Rechtbank te Dendermonde de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 22 van de wet van 23 mei 1990 inzake de overbrenging tussen Staten van veroordeelde personen, de overname en de overdracht van het toezicht op voorwaardelijk veroordeelde of voorwaardelijk in vrijheid gestelde personen, en de overname en de overdracht van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen, de artikelen 10 en 11 van de Gecoördineerde Grondwet in die zin geïnterpreteerd dat de omzettingsprocedure zoals voorzien in voormeld artikel 22 van de wet van 23 mei 1990 enkel geldt voor vrijheidsbenemende straffen en niet voor geldboeten ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Artikel 22 van de wet van 23 mei 1990 inzake de overbrenging tussen Staten van veroordeelde personen, de overname en de overdracht van het toezicht op voorwaardelijk veroordeelde of voorwaardelijk in vrijheid gestelde personen, en de overname en de overdracht van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen (hierna : wet van 23 mei 1990), zoals ingevoegd bij artikel 14 van de wet van 26 mei 2005, bepaalt :

« § 1. Indien de in het buitenland uitgesproken vrijheidsbenemende straf of maatregel naar aard of duur niet overeenstemt met die welke voor dezelfde feiten in de Belgische wet is bepaald, maakt de procureur des Konings de zaak onverwijld aanhangig bij de rechtbank van eerste aanleg en vordert hij de aanpassing van de vrijheidsbenemende straf of maatregel aan die welke in de Belgische wet is vastgesteld voor een misdrijf van dezelfde aard. De aangepaste vrijheidsbenemende straf of maatregel dient naar aard zoveel mogelijk overeen te stemmen met de vrijheidsbenemende straf of maatregel die bij de in het buitenland uitgesproken veroordeling is opgelegd, en deze laatste mag geenszins worden verzwaard.

§ 2. De rechtbank doet uitspraak binnen een maand met inachtneming van de procedure in strafzaken. Tegen deze beslissing kunnen rechtsmiddelen worden aangewend. Niettemin is ze onmiddellijk uitvoerbaar ».

B.2.1. De verwijzende rechter vraagt of die bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat de erin geregelde procedure tot omzetting van de in het buitenland uitgesproken straffen « enkel geldt voor vrijheidsbenemende straffen en niet voor geldboeten ».

B.2.2. De Ministerraad verzoekt het Hof de prejudiciële vraag te herformuleren in die zin dat ermee wordt gevraagd of de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat de erin geregelde omzettingsprocedure « enkel kan aangewend worden voor de aanpassing van vrijheidsbenemende straffen waartoe personen veroordeeld werden door een buitenlandse rechterlijke beslissing terwijl zij niet kan worden aangewend om tot omzetting over te gaan van een vrijheidsbenemende straf tot een geldboete op grond van het gegeven dat het begane misdrijf in België niet kan worden bestraft met een gevangenisstraf ».

B.2.3. Uit de verwijzingsbeslissing en de motivering ervan blijkt dat de verwijzende rechter, zoals de Ministerraad suggereert, van het Hof wenst te vernemen of de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat de erin bepaalde omzettingsprocedure niet kan worden aangewend om een in het buitenland uitgesproken vrijheidsbenemende straf om te zetten in een geldboete.

Het Hof onderzoekt de prejudiciële vraag in die zin.

B.3. De Ministerraad voert vervolgens aan dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft omdat de in het geding zijnde bepaling niet van toepassing is in de zaak die hangende is voor de verwijzende rechter. Hij is meer bepaald van oordeel dat de wet van 15 mei 2012 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie (hierna : wet van 15 mei 2012) in die zaak van toepassing is, en dus niet de wet van 23 mei 1990. Hij beroept zich daarvoor op artikel 42, § 1, van de voormelde wet van 15 mei 2012.

B.4. Het komt in de regel aan de verwijzende rechter toe te beslissen over de toepassing van de bepalingen die hij aan het Hof ter toetsing voorlegt, op het geschil dat bij hem aanhangig is gemaakt. Het Hof zou de relevantie van de prejudiciële vraag slechts kunnen betwisten indien de beoordeling van de verwijzende rechter klaarblijkelijk niet verantwoord zou zijn.

B.5.1. Artikel 2 van de wet van 15 mei 2012 bepaalt :

« § 1. Deze wet regelt de erkenning van de vonnissen en de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen of maatregelen op het grondgebied van een andere lidstaat van de Europese Unie dan die waar het vonnis is uitgesproken.

Het doel is bij te dragen tot de reclassering en maatschappelijke re-integratie van de gevonniste persoon.

§ 2. Voor de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen of maatregelen en onverminderd artikel 42, vervangt deze wet in de relaties van België met de andere lidstaten van de Europese Unie de bepalingen van de wet van 23 mei 1990 inzake de overbrenging tussen Staten van veroordeelde personen, de overname en de overdracht van het toezicht op voorwaardelijk veroordeelde of voorwaardelijk in vrijheid gestelde personen, en de overname en de overdracht van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen ».

B.5.2. Artikel 42 van de wet van 15 mei 2012 bepaalt :

« § 1. Deze wet is, met ingang van 5 december 2011, van toepassing op de toezending van vonnissen betreffende :

1° iedere in België gevonniste persoon aan een lidstaat van de Europese Unie;

2° iedere in een lidstaat van de Europese Unie gevonniste persoon aan België.

[...]

§ 4. In het kader van de betrekkingen met de lidstaten die kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie, niet hebben omgezet in hun interne rechtsorde en met lidstaten die het hebben omgezet, maar die hebben verklaard dit instrument enkel toe te passen bij strafrechtelijke veroordelingen uitgesproken vanaf een bepaalde datum, blijven de wet van 23 mei 1990 inzake de overbrenging tussen Staten van veroordeelde personen, de overname en de overdracht van het toezicht op voorwaardelijk veroordeelde of voorwaardelijk in vrijheid gestelde personen, en de overname en de overdracht van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen, alsook de bestaande instrumenten op het gebied van de overbrenging, van toepassing ».

B.5.3. Uit de artikelen 2 en 42, § 1, van de wet van 15 mei 2012 volgt dat die wet in beginsel van toepassing is, met ingang van 5 december 2011, op, onder meer, de toezending aan België van vonnissen betreffende in een andere lidstaat van de Europese Unie gevonniste personen.

Artikel 42, § 4, van die wet voorziet evenwel in een uitzondering daarop : de wet van 23 mei 1990 blijft van toepassing in het kader van de betrekkingen met lidstaten van de Europese Unie die het kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 « inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie » niet hebben omgezet in hun interne rechtsorde.

B.5.4. De zaak die hangende is voor de verwijzende rechter betreft de tenuitvoerlegging van een vonnis uitgesproken door een Roemeense rechtbank.

Vermits Roemenië op 6 februari 2013 - datum waarop de verwijzende rechter zijn verwijzingsbeslissing heeft geveld - het voormelde kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 nog niet had geïmplementeerd, blijkt de beoordeling van de verwijzende rechter betreffende de toepasbaarheid van de wet van 23 mei 1990 op het bij hem aanhangig gemaakte geschil niet klaarblijkelijk onverantwoord te zijn.

B.5.5. Het Hof gaat bijgevolg ervan uit dat het antwoord op de gestelde prejudiciële vraag pertinent is voor de oplossing van het geschil dat bij de verwijzende rechter aanhangig is gemaakt.

B.6. Uit de feiten van de zaak die hangende is voor de verwijzende rechter, blijkt dat die rechter door het openbaar ministerie wordt verzocht een in Roemenië uitgesproken vrijheidsbenemende straf, met toepassing van de in het geding zijnde bepaling, aan te passen aan de straf waarin de Belgische wet voor dezelfde feiten voorziet, en dit nadat de kamer van inbeschuldigingstelling te Gent had beslist de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel dat naar aanleiding van het voormelde Roemeense vonnis werd uitgevaardigd, te weigeren op grond van artikel 6, 4°, van de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel, ten gevolge waarvan de strafuitvoering wordt overgenomen door de Belgische Staat.

Het Hof beperkt zijn onderzoek van de in het geding zijnde bepaling tot die situatie.

Het komt daarbij niet toe aan het Hof te beoordelen of de kamer van inbeschuldigingstelling te Gent, zoals de Ministerraad aanvoert, ten onrechte toepassing heeft gemaakt van artikel 6, 4°, van de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel.

B.7. De in het geding zijnde bepaling werd in de wet van 23 mei 1990 ingevoegd bij artikel 14 van de wet van 26 mei 2005 tot wijziging van de wet van 23 mei 1990 inzake de overbrenging tussen Staten van de gevonniste personen en van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.

De parlementaire voorbereiding van die wet vermeldt :

« Overeenkomstig artikel 6, 4°, van de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel (B.S., 22 december 2003) kan de Belgische gerechtelijke overheid de tenuitvoerlegging van een buitenlands Europees aanhoudingsbevel weigeren indien dit bevel de overlevering beoogt van een Belgisch onderdaan of een persoon die in België verblijft, met het oog op de uitvoering van een vrijheidsbenemende straf of maatregel. In dat geval is de Belgische gerechtelijke overheid ertoe gehouden de buitenlandse straf of maatregel ten uitvoer te leggen. Onderhavig ontwerp voert een wettelijke grondslag in voor de overname van de uitvoering van de vrijheidsbenemende straf of maatregel die aan de grondslag ligt van het Europees aanhoudingsbevel » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1555/001, p. 6).

B.8. Het doel van het Europees aanhoudingbevel is de voorheen bestaande uitleveringsprocedure binnen de Europese Unie te versoepelen en te versnellen (preambule bij het kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, overwegingen 1, 5 en 6). De basisgedachte van dat aanhoudingsbevel werd tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel als volgt verwoord :

« Zoals reeds gesteld, is het Europees aanhoudingsbevel de eerste toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning. Dat beginsel [...] vloeit voort uit het denkbeeld van een gemeenschappelijke rechtsruimte, die het grondgebied van de lidstaten van de Unie omvat en waarin rechterlijke beslissingen vrij circuleren. Meer concreet betekent zulks dat zodra een rechterlijke autoriteit die bevoegd is krachtens het recht van de lidstaat waaronder zij ressorteert, een beslissing neemt die overeenstemt met het recht van die staat, hieraan in de gehele Unie volledige en rechtstreekse uitwerking wordt gegeven en dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de beslissing ten uitvoer kan worden gelegd, hun medewerking verlenen aan die tenuitvoerlegging alsof het een beslissing van een bevoegde autoriteit van die staat betrof » (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-279/001, p. 7).

B.9. Uit wat voorafgaat volgt dat de in het geding zijnde bepaling niet los kan worden gezien van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke uitspraken, waarop het Europees aanhoudingsbevel is gebaseerd.

B.10. Ofschoon de in het geding zijnde bepaling, door te voorzien in een mogelijkheid tot aanpassing van een in het buitenland uitgesproken vrijheidsbenemende straf of maatregel, het voormelde beginsel enigszins nuanceert, voorziet die bepaling eveneens erin, en dit ter waarborging van dat beginsel, dat de aangepaste vrijheidsbenemende straf of maatregel naar aard zoveel mogelijk dient overeen te stemmen met de vrijheidsbenemende straf of maatregel die bij de in het buitenland uitgesproken veroordeling is opgelegd.

B.11.1. Bij de interpretatie van de in het geding zijnde bepaling kan redelijkerwijze ervan worden uitgegaan dat een strafrechtelijke geldboete naar aard niet overeenstemt met een vrijheidsbenemende straf of maatregel en dat een omzetting van een in het buitenland uitgesproken vrijheidsbenemende straf of maatregel in een geldboete zou ingaan tegen het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke uitspraken.

B.11.2. Uit de formulering van de in het geding zijnde bepaling blijkt overigens dat zij is geïnspireerd op artikel 10 van de wet van 23 mei 1990, dat betrekking heeft op de regeling betreffende de overbrenging naar België van een gevonniste persoon opgesloten in het buitenland.

Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 23 mei 1990 blijkt dat de wetgever bij de redactie van dat artikel 10 rekening heeft gehouden met het binnen de Raad van Europa aangenomen Verdrag van 21 maart 1983 inzake de overbrenging van gevonniste personen (Parl. St., Kamer, 1988-1989, nr. 608/1, p. 6), waarvan artikel 11, lid 1, b), met betrekking tot de omzetting van een veroordeling uitdrukkelijk erin voorziet dat de bevoegde autoriteit van een Staat een sanctie die vrijheidsbeneming met zich meebrengt, niet in een geldstraf kan omzetten.

B.12. De omstandigheid dat de omzettingsprocedure vervat in de in het geding zijnde bepaling niet kan worden aangewend om tot omzetting over te gaan van een in het buitenland uitgesproken vrijheidsbenemende straf of maatregel in een geldboete, wordt redelijkerwijze verantwoord door het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke uitspraken dat ten grondslag ligt van het Europees aanhoudingsbevel.

B.13. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 22 van de wet van 23 mei 1990 inzake de overbrenging tussen Staten van veroordeelde personen, de overname en de overdracht van het toezicht op voorwaardelijk veroordeelde of voorwaardelijk in vrijheid gestelde personen, en de overname en de overdracht van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 27 februari 2014.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

M. Bossuyt

Vrije woorden

  • prejudiciële vraag betreffende artikel 22 van de wet van 23 mei 1990 inzake de overbrenging tussen Staten van veroordeelde personen, de overname en de overdracht van het toezicht op voorwaardelijk veroordeelde of voorwaardelijk in vrijheid gestelde personen, en de overname en de overdracht van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Dendermonde. Strafrecht

  • Straffen

  • Strafuitvoering

  • Omzetting van een in het buitenland uitgesproken vrijheidsbenemende straf of maatregel

  • Beperking tot vrijheidsbenemende straffen en uitsluiting van geldboeten.