- Arrest van 6 maart 2014

06/03/2014 - 39/2014

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en A. Alen, en de rechters J.-P. Snappe, E. Derycke, P. Nihoul, T. Giet en R. Leysen, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest van 6 juni 2012 in zake de Belgische Staat tegen L.D., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 15 juni 2012, heeft het Arbeidshof te Bergen de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Brengt artikel 8, § 1, vierde lid, van de wet van 27 februari 1987 geen vorm van discriminatie teweeg door te bepalen dat enkel de aanvraag voor een integratietegemoetkoming of voor een inkomensvervangende tegemoetkoming ingediend door een persoon die op het ogenblik van de indiening van de aanvraag de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt (eerste categorie), ambtshalve of automatisch wordt beschouwd als een aanvraag voor een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden (THAB) ? Roept de wet, door enkel in een automatisch of ambtshalve onderzoek inzake THAB te voorzien voor de aanvragers van een inkomensvervangende tegemoetkoming en/of van een integratietegemoetkoming die de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt op het ogenblik van de indiening van de aanvraag, zonder erin te voorzien voor diegenen (tweede categorie) die die leeftijd nog niet hebben bereikt, ook al zijn zij hem erg nabij, en die die leeftijd pas korte tijd later zullen bereiken, of tijdens de procedure wanneer bij het bevoegde rechtscollege een beroep is ingesteld, zodoende immers geen onverantwoorde discriminatie in het leven die het gelijkheidsbeginsel kan schenden dat is gewaarborgd door de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 22, 23 en 191 ervan, alsook met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, dat het recht op een eerlijk proces waarborgt, een discriminatie die des te minder is verantwoord daar artikel 582, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de arbeidsgerechten kennis nemen van de geschillen over de rechten ten aanzien van tegemoetkomingen aan personen met een handicap en zodoende een bevoegdheid van volle rechtsmacht invoert die te dezen niet in acht zou kunnen worden genomen ten aanzien van de betrokken bepaling (artikel 8, § 1, vierde lid, van de wet van 27 februari 1987) ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1.1. De artikelen 2 en 5 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap bepalen :

« Art. 2. § 1. De inkomensvervangende tegemoetkoming wordt toegekend aan de persoon met een handicap die ten minste 21 jaar is en op het ogenblik van het indienen van de aanvraag minder dan 65 jaar is, van wie is vastgesteld dat zijn lichamelijke of psychische toestand zijn verdienvermogen heeft verminderd tot een derde of minder van wat een gezonde persoon door het uitoefenen van een beroep op de algemene arbeidsmarkt kan verdienen.

De algemene arbeidsmarkt omvat niet de beschutte tewerkstelling.

§ 2. De integratietegemoetkoming wordt toegekend aan de persoon met een handicap die ten minste 21 jaar is en op het ogenblik van het indienen van de aanvraag minder dan 65 jaar is, van wie een gebrek aan of een vermindering van zelfredzaamheid is vastgesteld.

§ 3. De tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden wordt toegekend aan de persoon met een handicap die ten minste 65 jaar oud is en van wie een gebrek aan of een vermindering van zelfredzaamheid is vastgesteld.

De tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden wordt niet toegekend aan de persoon met een handicap die een inkomensvervangende of een integratietegemoetkoming geniet ».

« Art. 5. Het recht op een inkomensvervangende tegemoetkoming of een integratietegemoetkoming blijft bestaan na de leeftijd van 65 jaar voor zover het zonder onderbreking betaalbaar blijft ».

B.1.2. Het in het geding zijnde artikel 8, § 1, van diezelfde wet bepaalt :

« § 1. De tegemoetkomingen bedoeld in artikel 1 worden toegekend op aanvraag.

De Koning bepaalt hoe, door wie, vanaf wanneer en op welke wijze de aanvraag wordt ingediend, alsook de ingangsdatum van de beslissing.

Elke aanvraag tot een inkomensvervangende tegemoetkoming geldt als aanvraag tot een integratietegemoetkoming en omgekeerd.

De aanvraag tot een integratietegemoetkoming of tot een inkomensvervangende tegemoetkoming ingediend door een persoon die op het ogenblik van de indiening van de aanvraag de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, wordt beschouwd als een aanvraag tot een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden.

De Koning kan bepalen in welke gevallen de aanvraag ingediend met het oog op het verkrijgen van een sociale uitkering die onder een stelsel van sociale zekerheid of sociale bijstand valt, geldt als aanvraag tot het verkrijgen van een tegemoetkoming bedoeld in artikel 1 ».

B.2. Met de prejudiciële vraag wordt aan het Hof gevraagd of artikel 8, § 1, van de wet van 27 februari 1987 bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 22, 23 en 191 ervan, alsook met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, in zoverre enkel een aanvraag voor een integratietegemoetkoming of voor een inkomensvervangende tegemoetkoming die is ingediend door een persoon die op het ogenblik van de indiening van de aanvraag de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, automatisch of ambtshalve wordt beschouwd als een aanvraag voor een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden, terwijl dat niet het geval is wanneer een integratietegemoetkoming of een inkomensvervangende tegemoetkoming wordt gevraagd door een persoon die op het ogenblik van de aanvraag de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt, maar die leeftijd wel bereikt tijdens de procedure voor de arbeidsgerechten waarbij over zijn aanvraag wordt beslist.

B.3.1. De tegemoetkomingen die op grond van de wet van 27 februari 1987 kunnen worden toegekend aan personen met een handicap hebben als gemeenschappelijk kenmerk dat ze enkel kunnen worden verkregen nadat daartoe een aanvraag werd gedaan. De datum van de indiening van de aanvraag is bepalend voor de soort tegemoetkoming die kan worden toegekend en tevens voor het ontstaan van het recht op de tegemoetkoming, aangezien dat recht ten vroegste ingaat op de eerste dag van de maand die de indiening van de aanvraag volgt.

B.3.2. Op grond van artikel 2 van de wet van 27 februari 1987, kan een persoon die op het ogenblik van de aanvraag de leeftijd van 65 jaar reeds heeft bereikt en geen inkomensvervangende tegemoetkoming of een integratietegemoetkoming geniet, geen aanspraak maken op een dergelijke uitkering, doch enkel op een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden. Wanneer de betrokkene per vergissing een aanvraag indient voor een van de twee eerstgenoemde tegemoetkomingen, wordt zijn aanvraag automatisch beschouwd als een aanvraag tot het verkrijgen van een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden, zonder dat hij een nieuwe aanvraag moet indienen (artikel 8, § 1).

B.3.3. Uit de parlementaire voorbereiding van de programmawet (I) van 24 december 2002, waarvan artikel 122 artikel 8 van de wet van 27 februari 1987 heeft vervangen, blijkt dat de wetgever de betrekkingen tussen de burger en de administratie heeft willen vereenvoudigen (Parl. St., Kamer, 2002-2003, DOC 50-2124/001 en 50-2125/001, p. 95). Hij heeft daarenboven gewild dat « het criterium om als persoon ouder dan 21 jaar een inkomensvervangende tegemoetkoming of een integratietegemoetkoming te kunnen ontvangen dan wel een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden, de datum van de aanvraag is » (ibid., p. 89).

B.4. In het licht van de door de wetgever nagestreefde doelstelling om de betrekkingen tussen de burger en de administratie te vereenvoudigen is het een pertinente maatregel dat een aanvraag die op verkeerde wettelijke gronden werd ingediend en in beginsel onontvankelijk is, door de administratie automatisch moet worden beschouwd als een aanvraag tot een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden. Aldus wordt de burger immers de indiening van een nieuwe aanvraag bespaard.

B.5. Uit de verwijzingsbeslissing en uit de bij het Hof ingediende stukken blijkt dat in de zaak voor de verwijzende rechter, de persoon die aanspraak maakt op een uitkering voor gehandicapten, een eerste maal op de leeftijd van 63 jaar en een tweede keer op de leeftijd van 64 jaar, een aanvraag voor een integratietegemoetkoming of een inkomensvervangende tegemoetkoming heeft ingediend. Die tegemoetkoming werd haar niet toegekend omdat zij niet voldeed aan de door de wet gestelde vereisten. Tegen die weigering heeft zij een procedure ingeleid bij de arbeidsrechtbank, die - nadat de betrokkene inmiddels de leeftijd van 65 jaar had bereikt - besliste dat ze wel recht had op de gevraagde tegemoetkoming vanaf een datum na het bereiken van de leeftijd van 65 jaar. Nadat de administratie tegen deze beslissing hoger beroep had aangetekend bij het Arbeidshof, heeft de betrokkene dat Hof in de loop van de procedure verzocht om haar een tegemoetkoming voor bejaarden toe te kennen. Het Arbeidshof heeft die aanvraag beschouwd als een wijziging van de oorspronkelijke vordering en heeft deze ontvankelijk verklaard op grond van de artikelen 807 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek.

B.6. Uit het bovenstaande blijkt dat zich voor de verwijzende rechter niet de vraag stelt of de rechter een aanvraag voor een inkomensvervangende tegemoetkoming of voor een integratietegemoetkoming automatisch of ambtshalve zou moeten kunnen beschouwen als een aanvraag voor een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden, zonder dat de betrokkene dit heeft gevraagd, aangezien de betrokkene zelf uitdrukkelijk een aanvraag daartoe heeft ingediend, die door de verwijzende rechter ontvankelijk werd bevonden.

B.7. Het antwoord op de prejudiciële vraag kan bijgevolg niet dienstig zijn voor de oplossing van het geschil voor de verwijzende rechter.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 6 maart 2014.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

J. Spreutels

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag over artikel 8, § 1, vierde lid, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, zoals dat artikel vervangen werd bij artikel 122 van de programmawet (I) van 24 december 2002, gesteld door het Arbeidshof te Bergen. Sociaal recht

  • Sociale zekerheid

  • Tegemoetkomingen aan mindervaliden

  • Inkomensvervangende tegemoetkoming en integratietegemoetkoming

  • 1. Aanvraag die is ingediend door een persoon die op het ogenblik van de indiening van de aanvraag de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt

  • Aanvraag die automatisch of ambtshalve wordt beschouwd als een aanvraag voor een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden

  • 2. Aanvraag die is ingediend door een persoon die op het ogenblik van de indiening van de aanvraag de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt, maar die leeftijd wel bereikt tijdens de procedure voor de arbeidsgerechten waarbij over zijn aanvraag wordt beslist.