- Arrest van 13 maart 2014

13/03/2014 - 43/2014

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 1022, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 7 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit emeritus voorzitter M. Bossuyt, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, voorzitter J. Spreutels, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Moerman, T. Merckx-Van Goey en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van emeritus voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 18 februari 2013 in zake Urbain Christiaens tegen Albert Hallot en Mr. Dimitri Nagels, advocaat, in zijn hoedanigheid van voorlopig bewindvoerder van Jonathan Hallot, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 6 maart 2013, heeft de Vrederechter van het kanton Tienen de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 1022, lid 1, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 7 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in die interpretatie dat het niet voorziet in de toekenning van een rechtsplegingsvergoeding aan een voorlopig bewindvoerder/advocaat die in het gelijk wordt gesteld in een procedure waarin deze zelf de belangen van de beschermde persoon heeft verdedigd ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. De prejudiciële vraag betreft artikel 1022, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 7 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, dat bepaalt :

« De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij ».

B.2. De verwijzende rechter vraagt of die bepaling bestaanbaar is met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in de interpretatie dat zij niet voorziet in de toekenning van een rechtsplegingsvergoeding aan een advocaat in zijn hoedanigheid van voorlopig bewindvoerder van een beschermde persoon die in het gelijk wordt gesteld in een procedure waarin hij zelf de belangen van de beschermde persoon heeft verdedigd.

B.3. Het Hof dient derhalve te onderzoeken of het verschil in behandeling, wat de tegemoetkoming in de kosten en de erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij betreft, tussen, enerzijds, een partij bijgestaan door een advocaat en, anderzijds, de advocaat die optreedt als voorlopig bewindvoerder met het oog op de behartiging van de belangen van een beschermd persoon, redelijk is verantwoord.

B.4.1. Het in het bodemgeschil aan de orde zijnde artikel 488bis van het Burgerlijk Wetboek (boek I (« Personen »), titel XI (« Meerderjarigheid, voorlopig bewind, onbekwaamverklaring en bijstand van een gerechtelijk raadsman »), hoofdstuk Ibis (« Voorlopig bewind over de goederen toebehorend aan een meerderjarige »)), ingevoegd bij de wet van 18 juli 1991 en gewijzigd bij de wet van 3 mei 2003, bepaalt :

« a) De meerderjarige die, geheel of gedeeltelijk, zij het tijdelijk, wegens zijn gezondheidstoestand, niet in staat is zijn goederen te beheren, kan met het oog op de bescherming ervan, een voorlopige bewindvoerder toegevoegd worden, als hem nog geen wettelijke vertegenwoordiger werd toegevoegd.

b) § 1. Op zijn verzoek, op verzoek van elke belanghebbende of van de procureur des Konings kan aan de te beschermen persoon een voorlopige bewindvoerder worden toegevoegd door de vrederechter van zijn verblijfplaats, of bij gebreke daarvan, van zijn woonplaats.

[...] ».

B.4.2. Wat de eventuele vergoeding van de voorlopig bewindvoerder betreft, bepaalt artikel 488bis, h) :

« § 1. De vrederechter kan aan de voorlopige bewindvoerder, bij een gemotiveerde beslissing, na de overlegging door de voorlopige bewindvoerder van het verslag bedoeld in artikel 488bis, c), § 3, een bezoldiging toekennen waarvan het bedrag niet hoger mag zijn dan drie procent van de inkomsten van de beschermde persoon. Naast de bezoldiging worden de gemaakte kosten vergoed, na door de vrederechter behoorlijk te zijn nagezien. Hij kan hem nochtans, na overlegging van met redenen omklede staten, een bezoldiging toekennen in verhouding tot de vervulde buitengewone ambtsverrichtingen.

Het is de voorlopige bewindvoerder verboden, buiten de in het eerste lid vermelde bezoldigingen, enige bezoldiging of voordeel, van welke aard ook of van wie ook, te ontvangen met betrekking tot het uitoefenen van het gerechtelijk mandaat van voorlopige bewindvoerder.

[...] ».

B.5. Rekening houdend met de bijzondere positie van een advocaat die in een gerechtelijke procedure als voorlopig bewindvoerder optreedt, niet als raadsman van een cliënt die hem heeft verzocht zijn belangen in een gerechtelijke procedure te behartigen, maar krachtens een specifiek mandaat van de vrederechter, en onder diens toezicht, teneinde de goederen te beheren die toebehoren aan een meerderjarige die wegens zijn gezondheidstoestand niet in staat is zelf zijn goederen te beheren, is het redelijk verantwoord dat het niet mogelijk is op grond van artikel 1022, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek een rechtsplegingsvergoeding toe te kennen aan een advocaat in zijn hoedanigheid van voorlopig bewindvoerder die in het gelijk wordt gesteld in een gerechtelijke procedure.

Dat is des te meer het geval nu in artikel 488bis van het Burgerlijk Wetboek is voorzien in een eigen regeling wat de eventuele vergoeding van de voorlopig bewindvoerder betreft, en waarbij uitdrukkelijk is bepaald dat deze, buiten de in dat artikel 488bis, h), eerste lid, vermelde bezoldigingen, geen bezoldiging of voordeel, van welke aard ook of van wie ook, mag ontvangen met betrekking tot het uitoefenen van zijn gerechtelijk mandaat.

Het gegeven dat de advocaat als voorlopig bewindvoerder optreedt ter behartiging van de belangen van de beschermde persoon alleen, en niet zoals de curator die optreedt in het belang van zowel alle schuldeisers als de gefailleerde, doet hieraan geen afbreuk. Ook de curator handelt immers krachtens een specifiek gerechtelijk mandaat en wordt vergoed krachtens de specifieke regeling inzake faillissementen.

B.6. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 1022, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 7 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 13 maart 2014.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

M. Bossuyt

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag betreffende artikel 1022, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek (vóór de wijziging ervan bij de wet van 21 februari 2010), gesteld door de Vrederechter van het kanton Tienen. Gerechtelijk recht

  • Verhaalbaarheid van kosten en honoraria van een advocaat

  • Toepassingsgebied

  • Uitsluiting

  • Voorlopig bewindvoerder.