- Arrest van 20 maart 2014

20/03/2014 - 46/2014

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 318, § 2, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek schendt niet de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre de moeder de vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap moet instellen binnen een jaar na de geboorte van het kind.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters A. Alen en J. Spreutels, de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût en T. Giet, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter M. Bossuyt, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van emeritus voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

Bij vonnis van 15 april 2013 in zake N.W. tegen P.J., G.H. en Mr. Nathalie Van de Merlen, advocaat, in haar hoedanigheid van voogd ad hoc over T.J., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 25 april 2013, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen de volgende prejudiciële vragen gesteld :

« Schendt artikel 318, § 2, van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet en de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, waar het mogelijk een ongelijkheid creëert tussen de betwisting van het vaderschap van de echtgenoot door de moeder (startpunt termijn geboorte van het kind) en de betwisting van het vaderschap van de echtgenoot door de echtgenoot (startpunt ontdekking van het feit dat hij niet vader is) en de biologische vader (startpunt ontdekking van het feit dat hij de vader is) ?

Schendt artikel 318, § 2, van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet en de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in zoverre die bepaling het de moeder onmogelijk maakt, gelet op het verstrijken van de vervaltermijn van één jaar sinds de geboorte, om op te komen tegen de juridische afstamming van haar kind ten aanzien van haar echtgenoot en dit zonder dat enig concreet en daadwerkelijk belang een dergelijke inmenging kan verantwoorden nu :

- het vermoeden van vaderschap van de echtgenoot niet overeenstemt met de socio-affectieve werkelijkheid,

- in dezelfde procedure wordt gevraagd om het juridische vaderschap van de biologische vader vast te stellen, ten aanzien van wie de biologische afstammingsband reeds bewezen is,

- geen der partijen aanvankelijk het verstrijken van de vervaltermijn had ingeroepen en zich verzette tegen de betwisting van het vaderschap van de echtgenoot en de juridische vaststelling van het vaderschap van de biologische vader ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1.1. Artikel 318 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt :

« § 1. Tenzij het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de echtgenoot, kan het vermoeden van vaderschap worden betwist door de moeder, het kind, de man ten aanzien van wie de afstamming vaststaat en de persoon die het vaderschap van het kind opeist.

§ 2. De vordering van de moeder moet worden ingesteld binnen een jaar na de geboorte. De vordering van de echtgenoot moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat hij niet de vader van het kind is, die van de man die het vaderschap van het kind opeist moet worden ingesteld binnen het jaar na de ontdekking van het feit dat hij de vader van het kind is en die van het kind moet worden ingesteld op zijn vroegst op de dag waarop het de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt en uiterlijk op de dag waarop het de leeftijd van tweeëntwintig jaar heeft bereikt of binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat de echtgenoot zijn vader niet is.

Indien de echtgenoot overleden is zonder in rechte te zijn opgetreden, terwijl de termijn om zulks te doen nog niet verstreken is, kan zijn vaderschap binnen een jaar na zijn overlijden of na de geboorte, worden betwist door zijn bloedverwanten in de opgaande en in de neerdalende lijn.

[...] ».

B.1.2. Het vermoeden van vaderschap vindt zijn grondslag in artikel 315 van het Burgerlijk Wetboek, dat bepaalt dat het kind dat geboren is tijdens het huwelijk of binnen 300 dagen na de ontbinding of de nietigverklaring van het huwelijk, de echtgenoot tot vader heeft.

B.2. De verwijzende rechter stelt aan het Hof twee prejudiciële vragen over artikel 318, § 2, van het Burgerlijk Wetboek.

De eerste vraag betreft de bestaanbaarheid van die bepaling met de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat de termijn binnen welke een vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap moet worden ingediend, voor de moeder begint te lopen bij de geboorte van het kind, terwijl die termijn voor de echtgenoot van de moeder begint te lopen bij de ontdekking van het feit dat hij niet de vader van het kind is en, voor de man die het vaderschap van het kind opeist, bij de ontdekking van het feit dat hij de vader van het kind is.

De tweede vraag betreft in essentie de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat de moeder na het verstrijken van de termijn binnen welke een vordering tot betwisting van het vaderschap moet worden ingediend, in de onmogelijkheid verkeert om de wettelijke afstamming van haar kind ten aanzien van haar echtgenoot te betwisten, ook in situaties waarin die onmogelijkheid voor de moeder geen enkel concreet en daadwerkelijk belang dient.

Beide prejudiciële vragen worden samen behandeld.

B.3.1. De wet van 31 maart 1987 heeft, zoals het opschrift ervan aangeeft, verscheidene wetsbepalingen betreffende de afstamming gewijzigd.

Volgens de memorie van toelichting bestond de bedoeling van die wet onder meer erin « de waarheid zoveel mogelijk te benaderen », dat wil zeggen de biologische afstamming (Parl. St., Senaat, 1977-1978, nr. 305/1, p. 3). In verband met de vaststelling van de afstamming van vaderszijde is erop gewezen dat « de wil om de regeling van de vaststelling van de afstamming zo dicht mogelijk de waarheid te doen benaderen [...] het openstellen van de mogelijkheden tot betwisting tot gevolg [behoorde] te hebben » (ibid., p. 12). Uit dezelfde parlementaire voorbereiding blijkt echter dat de wetgever tevens de « rust der families » in overweging heeft willen nemen en heeft willen beschermen door, indien hiertoe nodig, het zoeken naar de biologische waarheid te temperen (ibid., p. 15). Hij heeft ervoor geopteerd niet af te stappen van het adagium « pater is est quem nuptiae demonstrant » (ibid., p. 11).

Evenwel kon het vermoeden van vaderschap toen enkel worden betwist door de echtgenoot, door de moeder en door het kind, overeenkomstig het toenmalige artikel 332 van het Burgerlijk Wetboek.

B.3.2. Bij gebrek aan een specifieke termijnregeling voor het instellen van de vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap, diende toepassing te worden gemaakt van artikel 332 van het Burgerlijk Wetboek, dat bepaalde :

« Het vaderschap dat vaststaat krachtens artikel 315, kan worden betwist door de echtgenoot, door de moeder en door het kind.

[...]

De rechtsvordering van de moeder moet worden ingesteld binnen een jaar na de geboorte en die van de echtgenoot of van de vorige echtgenoot binnen een jaar na de geboorte of na de ontdekking ervan.

[...] ».

Aangaande de termijnbepaling heeft de wetgever geoordeeld dat het belang van het kind prioritair is en dat het « onaanvaardbaar [is] dat een ontkenning van vaderschap nog zou kunnen plaatshebben na verloop van een zekere tijd, m.a.w. nadat redelijkerwijze mag aangenomen worden dat bezit van staat is tot stand gekomen » (Parl. St., Senaat, 1984-1985, nr. 904/2, p. 115).

Hoewel de wetgever de mogelijkheid tot betwisting van het vermoeden van vaderschap niet volledig heeft willen verhinderen, heeft hij aldus de wil geuit de rechtszekerheid omtrent de familiale relaties en het belang van het kind als prioritair te beschouwen en heeft hij bijgevolg voorzien in een vaste vervaltermijn van één jaar voor het instellen van een vordering tot betwisting van het vaderschap.

B.4. Het afstammingsrecht is evenwel diepgaand hervormd door de aanneming van de wet van 1 juli 2006 tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan.

Ingevolge die wetswijziging kan het vermoeden van vaderschap thans niet alleen worden betwist door de moeder, het kind en de (ex-)echtgenoot van de moeder, maar eveneens door de persoon die het vaderschap van het kind opeist.

In artikel 318, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek werd bepaald dat « de [...] vordering moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van de geboorte ». In artikel 318, § 2, van dat Wetboek werd dan weer bepaald :

« De vordering van de echtgenoot moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat hij niet de vader van het kind is, die van de man die het vaderschap van het kind opeist moet worden ingesteld binnen het jaar na de ontdekking van het feit dat hij de vader van het kind is en die van het kind moet worden ingesteld op zijn vroegst op de dag waarop het de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt en uiterlijk op de dag waarop het de leeftijd van tweeëntwintig jaar heeft bereikt.

[...] ».

B.5. Bij de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (I) werd het tweede lid van artikel 318, § 1, van het Burgerlijk Wetboek evenwel opgeheven en werd paragraaf 2 van dat artikel gewijzigd in de zin van de huidige versie van die bepaling.

De parlementaire voorbereiding van de wet van 27 december 2006 vermeldt dienaangaande :

« De Raad van State merkt op dat het naast elkaar bestaan van artikel 318, § 1, tweede lid en § 2, eerste lid, moeilijkheden doet rijzen.

[...]

Artikel 318, § 1, tweede lid bepaalt dat de vordering tot betwisting van het vaderschap moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van de geboorte.

Het eerste lid van § 2 somt evenwel uitzonderingen hierop : namelijk de vordering van de echtgenoot moet worden vastgesteld [lees : ingesteld] binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat hij niet de vader is van het kind; die van de man die het vaderschap opeist moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat hij de vader is van het kind en die van het kind moet worden ingesteld op zijn vroegst wanneer het twaalf jaar is en uiterlijk tweeëntwintig is.

De algemene regel dat de vordering tot betwisting van het vaderschap moet worden ingesteld binnen het jaar na de ontdekking van de geboorte geldt dus enkel voor de moeder van het kind.

Met het oog op duidelijkheid verplaatst dit amendement artikel 318, § 1, tweede lid naar het eerste lid van § 2. Vermits de moeder steeds op de hoogte is van de geboortedatum, kan men dan bovendien stellen dat haar vordering tot vaderschapsbetwisting moet worden ingesteld binnen het jaar na de geboorte in plaats van de ontdekking ervan » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2760/033, pp. 18-19).

B.6. Het Hof dient artikel 318, § 2, eerste lid, eerste zin, van het Burgerlijk Wetboek te toetsen aan de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Artikel 22 van de Grondwet bepaalt :

« Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald.

De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht ».

Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt :

« 1. Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling.

2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van 's lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen ».

Uit de parlementaire voorbereiding van artikel 22 van de Grondwet blijkt dat de Grondwetgever een zo groot mogelijke concordantie heeft willen nastreven met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 997/5, p. 2).

B.7. Het recht op de eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven, zoals het door de voormelde bepalingen wordt gewaarborgd, beoogt in wezen de personen te beschermen tegen inmengingen in hun privéleven en hun gezinsleven.

Artikel 22, eerste lid, van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens sluiten een overheidsinmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven niet uit, maar vereisen dat zij wordt toegestaan door een voldoende precieze wettelijke bepaling, dat zij beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte en dat zij evenredig is met de daarmee nagestreefde wettige doelstelling. Die bepalingen houden voor de overheid bovendien de positieve verplichting in om maatregelen te nemen die een daadwerkelijke eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven verzekeren, zelfs in de sfeer van de onderlinge verhoudingen tussen individuen (EHRM, 27 oktober 1994, Kroon e.a. t. Nederland, § 31; grote kamer, 12 oktober 2013, Söderman t. Zweden, § 78).

B.8. De procedures met betrekking tot het vaststellen of betwisten van de vaderlijke afstamming, raken het privéleven omdat de materie van de afstamming belangrijke aspecten van iemands persoonlijke identiteit omvat (EHRM, 28 november 1984, Rasmussen t. Denemarken, § 33; 24 november 2005, Shofman t. Rusland, § 30; 12 januari 2006, Mizzi t. Malta, § 102; 16 juni 2011, Pascaud t. Frankrijk, § § 48-49; 21 juni 2011, Kruskovic; t. Kroatië, § 20; 22 maart 2012, Ahrens t. Duitsland, § 60; 12 februari 2013, Krisztissn Barnabsss Tóth t. Hongarije, § 28).

De in het geding zijnde regeling voor de betwisting van het vermoeden van vaderschap valt derhalve onder de toepassing van artikel 22 van de Grondwet en van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

B.9.1. De wetgever beschikt bij de uitwerking van een regeling die een overheidsinmenging in het privéleven inhoudt, over een appreciatiemarge om rekening te houden met een billijk evenwicht tussen de tegenstrijdige belangen van het individu en de samenleving in haar geheel (EHRM, 26 mei 1994, Keegan t. Ierland, § 49; 27 oktober 1994, Kroon e.a. t. Nederland, § 31; 2 juni 2005, Znamenskaya t. Rusland, § 28; 24 november 2005, Shofman t. Rusland, § 34; 20 december 2007, Phinikaridou t. Cyprus, §§ 51 tot 53; 25 februari 2014, Ostace t. Roemenië, § 33).

Die appreciatiemarge van de wetgever is evenwel niet onbegrensd : om te oordelen of een wettelijke regeling verenigbaar is met het recht op de eerbiediging van het privéleven, moet worden nagegaan of de wetgever een billijk evenwicht heeft gevonden tussen alle rechten en belangen die in het geding zijn. Zulks vereist dat de wetgever niet alleen een afweging maakt tussen de belangen van het individu tegenover die van de samenleving in haar geheel, maar tevens tussen de tegenstrijdige belangen van de betrokken personen (EHRM, 6 juli 2010, Backlund t. Finland, § 46; 15 januari 2013, Laakso t. Finland, § 46; 29 januari 2013, Röman t. Finland, § 51).

Bij het uitwerken van een wettelijke regeling inzake afstamming dient de wetgever de bevoegde overheden de mogelijkheid te bieden om in concreto een afweging te maken tussen de belangen van de verschillende betrokken personen, op gevaar af anders een maatregel te nemen die niet evenredig zou zijn met de nagestreefde wettige doelstellingen.

B.9.2. In het bijzonder voor wat de termijnen in het afstammingsrecht betreft, wordt door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens het invoeren van termijnen op zich niet strijdig geacht met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens; enkel de aard van een dergelijke termijn kan als strijdig worden beschouwd (EHRM, 6 juli 2010, Backlund t. Finland, § 45; 15 januari 2013, Laakso t. Finland, § 45; 29 januari 2013, Röman t. Finland, § 50).

B.9.3. Bovendien wordt door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aanvaard dat de appreciatiemarge van de nationale wetgever groter is wanneer er bij de lidstaten van de Raad van Europa geen consensus bestaat omtrent het belang dat in het geding is, noch omtrent de manier waarop dat belang dient te worden beschermd (EHRM, 22 maart 2012, Ahrens t. Duitsland, § 68). Daarnaast benadrukt het Europees Hof dat het niet zijn taak is om, in de plaats van de nationale overheden, beslissingen te nemen (EHRM, 15 januari 2013, Laakso t. Finland, § 41).

B.10.1. De rust der families en de rechtszekerheid van de familiale banden, enerzijds, en het belang van het kind, anderzijds, zijn legitieme doelstellingen waarvan de wetgever kan uitgaan om een onbeperkte mogelijkheid tot betwisting van het vaderschap te verhinderen, zodat de wetgever vervaltermijnen kon invoeren (zie EHRM, 28 november 1984, Rasmussen t. Denemarken, § 41; 12 januari 2006, Mizzi t. Malta, § 88; 6 juli 2010, Backlund t. Finland, § 45; 15 januari 2013, Laakso t. Finland, § 45; 29 januari 2013, Röman t. Finland, § 50).

B.10.2. In die optiek is het pertinent om de biologische werkelijkheid niet a priori te laten prevaleren op de juridische werkelijkheid.

B.11.1. De wetgever vermocht te oordelen dat de vrouw die huwt in beginsel aanvaardt dat haar echtgenoot wordt beschouwd als de vader van haar tijdens het huwelijk of binnen 300 dagen na de ontbinding of de nietigverklaring van het huwelijk geboren kinderen. Rekening houdend met de bekommernissen van de wetgever en met de waarden die hij heeft willen verzoenen, komt het in beginsel niet onredelijk voor dat hij de moeder slechts een korte termijn heeft willen toekennen om de vordering tot vaderschapsbetwisting in te stellen.

B.11.2. De in het geding zijnde bepaling stelt niet een absolute grond van niet-ontvankelijkheid in voor de vordering tot betwisting van een vermoeden van vaderschap, maar stelt een termijn vast voor het instellen van zulk een vordering, wat wordt verantwoord door de zorg om de rechtszekerheid en een definitief karakter van de familiale relaties te waarborgen.

B.12. Er dient eveneens te worden gewezen op het feit dat de wetgever in artikel 318 van het Burgerlijk Wetboek ook voor de kinderen in de mogelijkheid voorziet om, onder de in dat artikel vermelde voorwaarden, een vordering tot ontkenning en onderzoek van vaderschap in te stellen en in de mogelijkheid voor de echtgenoot en de persoon die beweert de biologische vader te zijn, om een vordering tot betwisting en vaststelling van vaderschap in te stellen.

B.13. Het verschil in behandeling dat voortvloeit uit het feit dat de termijn binnen welke een vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap moet worden ingediend, voor de moeder begint te lopen bij de geboorte van het kind, terwijl die termijn voor de echtgenoot van de moeder begint te lopen bij de ontdekking van het feit dat hij niet de vader van het kind is en, voor de man die het vaderschap van het kind opeist, bij de ontdekking van het feit dat hij de vader van het kind is, wordt redelijkerwijze verantwoord door het feit dat de moeder op het ogenblik van de geboorte noodzakelijkerwijze op de hoogte is, enerzijds, van de geboorte van haar kind en, anderzijds, van de mogelijkheid dan wel van het gegeven dat haar echtgenoot niet de biologische vader van haar kind is.

B.14. De prejudiciële vragen dienen ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 318, § 2, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek schendt niet de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre de moeder de vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap moet instellen binnen een jaar na de geboorte van het kind.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof op de openbare terechtzitting van 20 maart 2014.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

M. Bossuyt

Vrije woorden

  • Prejudiciële vragen betreffende artikel 318, § 2, van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen. Burgerlijk recht

  • Afstamming van vaderszijde

  • Vermoeden van vaderschap

  • Betwisting door de moeder

  • Vervaltermijn van één jaar

  • Startpunt

  • Geboorte van het kind. # Rechten en vrijheden

  • Recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven

  • Beperkingen

  • Belangenafweging.