- Arrest van 27 maart 2014

27/03/2014 - 53/2014

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 12 van afdeling 2bis (« Regels betreffende de handelshuur in het bijzonder ») van boek III, titel VIII, hoofdstuk II, van het Burgerlijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters A. Alen en J. Spreutels, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Moerman, E. Derycke en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 28 mei 2013 in zake de nv « Europabank » tegen de vzw « Sylva », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 4 juni 2013, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Mechelen de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 12 van de handelshuurwet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet geïnterpreteerd in die zin dat een huurder door de natuurlijke persoon-verkrijger van het onroerend goed uit het gehuurde goed kan worden gezet om het persoonlijk in gebruik te nemen, of het op die wijze te doen in gebruik nemen door zijn afstammelingen, aangenomen kinderen of bloedverwanten in de opgaande lijn, door zijn echtgenoot, of diens afstammelingen, bloedverwanten in de opgaande lijn of aangenomen kinderen, of het te doen in gebruik nemen door een personenvennootschap waarvan de werkende vennoten of de vennoten die ten minste drie vierden van het kapitaal bezitten, in dezelfde betrekking van bloedverwantschap, aanverwantschap of aanneming staan tot de verhuurder of tot zijn echtgenoot, daar waar de rechtspersoon-verkrijger zich niet op dit artikel zou kunnen beroepen om het goed in gebruik te laten nemen door een andere rechtspersoon dan de hiervoor genoemde personenvennootschap of door een feitelijke vereniging waarmee hij nauwe banden heeft ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1.1. De prejudiciële vraag betreft artikel 12 van afdeling 2bis (« Regels betreffende de handelshuur in het bijzonder ») van boek III, titel VIII, hoofdstuk II, van het Burgerlijk Wetboek (hierna : de Handelshuurwet), dat bepaalt :

« Zelfs wanneer het huurcontract het recht voorbehoudt om de huurder uit het goed te zetten in geval van vervreemding, mag hij die het verhuurde goed om niet of onder bezwarende titel verkrijgt, de huurder slechts eruit zetten in de gevallen vermeld onder 1°, 2°, 3° en 4° van artikel 16, en mits hij de huur opzegt, één jaar vooraf, en binnen drie maanden na de verkrijging, met duidelijke opgave van de reden waarop de opzegging gegrond is, alles op straffe van verval.

Hetzelfde geldt wanneer de huur geen vaste dagtekening heeft verkregen vóór de vervreemding, ingeval de huurder het verhuurde goed sinds ten minste zes maanden in gebruik heeft ».

B.1.2. Artikel 16 van de Handelshuurwet, waarnaar de in het geding zijnde bepaling verwijst, bepaalt onder meer :

« I. De verhuurder kan de hernieuwing van de huur weigeren om een van de volgende redenen :

1° Zijn wil om persoonlijk en werkelijk het verhuurde goed in gebruik te nemen, of het op die wijze te doen in gebruik nemen door zijn afstammelingen, zijn aangenomen kinderen of zijn bloedverwanten in de opgaande lijn, door zijn echtgenoot, door diens afstammelingen, bloedverwanten in de opgaande lijn of aangenomen kinderen, of het te doen in gebruik nemen door een personenvennootschap waarvan de werkende vennoten of de vennoten die ten minste drie vierden van het kapitaal bezitten, in dezelfde betrekking van bloedverwantschap, aanverwantschap of aanneming staan tot de verhuurder of tot zijn echtgenoot.

[...] ».

B.2. Het Hof wordt gevraagd of artikel 12 van de Handelshuurwet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in de interpretatie dat een natuurlijke persoon die een onroerend goed verkrijgt, de handelshuurder uit dat goed kan zetten om het in gebruik te laten nemen door één van de in artikel 16, I, 1°, van de Handelshuurwet opgesomde personen, terwijl een rechtspersoon die een onroerend goed verkrijgt de handelshuurder niet uit dat goed kan zetten om het in gebruik te laten nemen door een andere rechtspersoon - die geen personenvennootschap is - of een feitelijke vereniging waarmee de verkrijgende rechtspersoon « nauwe banden » heeft.

B.3.1. Zoals de Ministerraad opmerkt, is het antwoord op de gestelde prejudiciële vraag voor het oplossen van het geschil dat het verwijzende rechtscollege moet beslechten, klaarblijkelijk slechts nuttig in zoverre die vraag betrekking heeft op de situatie van een rechtspersoon die de handelshuurder uit een onroerend goed wenst te zetten om het in gebruik te laten nemen door een feitelijke vereniging waarmee die rechtspersoon « nauwe banden » heeft. De zaak die hangende is voor het verwijzende rechtscollege betreft immers een uitzetting door een rechtspersoon ten voordele van een feitelijke vereniging en dus niet ten voordele van een andere rechtspersoon.

B.3.2. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat het verwijzende rechtscollege het bestaan van « nauwe banden » tussen de rechtspersoon en de desbetreffende feitelijke vereniging afleidt uit het feit dat de rechtspersoon is opgericht door de feitelijke vereniging, die eveneens instaat voor de financiering van de rechtspersoon, het feit dat het enige maatschappelijk doel van de rechtspersoon bestaat in het steunen van de feitelijke vereniging, het feit dat het lidmaatschap van de rechtspersoon het lidmaatschap van de feitelijke vereniging vereist, het feit dat beide entiteiten door dezelfde personen worden bestuurd en dezelfde btw-eenheid vormen, het feit dat het vermogen van de rechtspersoon bij ontbinding overgaat op de feitelijke vereniging en het feit dat beide entiteiten dezelfde maatschappelijke zetel en hetzelfde logo hebben.

B.3.3. Het Hof beperkt zijn onderzoek van de prejudiciële vraag bijgevolg tot de situatie van een rechtspersoon die de handelshuurder uit een onroerend goed wenst te zetten ten voordele van een feitelijke vereniging met wie de rechtspersoon « nauwe banden » heeft zoals vermeld in B.3.2.

B.4. In tegenstelling tot wat de Ministerraad beweert, zijn de in de prejudiciële vraag vermelde categorieën van personen ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling voldoende vergelijkbaar, vermits het in beide gevallen gaat om personen die de lopende handelshuurovereenkomst wensen op te zeggen ten voordele van een persoon of een vereniging met wie of waarmee zij banden hebben die als nauw zouden kunnen worden omschreven.

B.5.1. Krachtens de in het geding zijnde bepaling, in samenhang gelezen met artikel 16, I, 1°, van de Handelshuurwet, mag hij die het verhuurde goed om niet of onder bezwarende titel verkrijgt, de huurder uit dat goed zetten om het persoonlijk in gebruik te nemen of om het « te doen in gebruik nemen door zijn afstammelingen, zijn aangenomen kinderen of zijn bloedverwanten in de opgaande lijn, door zijn echtgenoot, door diens afstammelingen, bloedverwanten in de opgaande lijn of aangenomen kinderen, of het te doen in gebruik nemen door een personenvennootschap waarvan de werkende vennoten of de vennoten die ten minste drie vierden van het kapitaal bezitten, in dezelfde betrekking van bloedverwantschap, aanverwantschap of aanneming staan tot de verhuurder of tot zijn echtgenoot ».

B.5.2. Uit de voormelde opsomming kan worden afgeleid dat de wetgever de opzegging van de handelshuur mogelijk heeft willen maken wanneer er sprake is van een familiale verwantschap tussen de persoon die het onroerend goed verkrijgt of zijn echtgenoot en de persoon ten voordele van wie de huur wordt opgezegd. Ook wanneer het gaat om een opzegging van de handelshuur ten voordele van een personenvennootschap, is een familiale band van verwantschap bepalend, zij het dat in dat geval de verwantschap wordt beoordeeld ten aanzien van de werkende vennoten of de vennoten die ten minste drie vierden van het kapitaal bezitten.

B.6. De in het geding zijnde bepaling laat een rechtspersoon die een onroerend goed verkrijgt evenwel niet toe de handelshuur op te zeggen ten voordele van een feitelijke vereniging waarmee die rechtspersoon nauwe banden heeft zoals vermeld in B.3.2.

B.7. Het in het geding zijnde verschil in behandeling berust op een objectief criterium, meer bepaald het al dan niet bestaan van een band van verwantschap in de familierechtelijke betekenis van het woord tussen, enerzijds, de persoon die het onroerend goed verkrijgt of zijn echtgenoot en, anderzijds, de natuurlijke persoon of de vennoten van de personenvennootschap ten voordele van wie of waarvan de handelshuur wordt opgezegd. Bovendien bestaat er een objectief verschil tussen, enerzijds, natuurlijke personen en vennootschappen, en, anderzijds, feitelijke verenigingen, die niet beschikken over rechtspersoonlijkheid.

B.8.1. Uit de parlementaire voorbereiding van de Handelshuurwet blijkt dat de wetgever de huurder van een handelszaak een zekere stabiliteit wilde verzekeren en tegelijkertijd een evenwicht wilde vinden tussen de belangen van de huurder en die van de verhuurder.

Er werd uiteengezet dat de opzet van de wet beantwoordde « aan het streven om de gewettigde economische en sociale belangen van de Middenstand te vrijwaren tegen de onvastheid en de aanleidingen tot misbruiken die gepaard gaan met het stelsel van de volledige vrijheid van de huurovereenkomsten » en dat het « [doel] drievoudig [was] : 1° aan de handeldrijvende huurder waarborgen van duur en initiatief te verschaffen; 2° hem de hernieuwing van de huurovereenkomst te verzekeren wanneer de eigenaar geen gegronde redenen heeft om anders over de plaatsen te beschikken en, bij gelijk aanbod, de voorkeur ten opzichte van elk opbiedend[e] derde; 3° te zijnen bate verschillende vergoedingen in te voeren als waarborg hetzij tegen ontduiking van de wet, hetzij tegen ongeoorloofde mededinging of toeëigening van cliëntele bij gelegenheid van het verstrijken van een huurovereenkomst, hetzij, ten slotte, tegen verrijking zonder oorzaak » (Parl. St., Kamer, 1947-1948, nr. 20, pp. 2, 4 en 5).

Er werd onderstreept dat « een evenwicht gevonden [moest] worden tussen de bescherming van de handelszaak, in de ruime zin genomen, en de eerbiediging van de wettige belangen van de eigenaars » en dat het betaamde « de tegenover elkaar staande belangen te verzoenen » (Parl. St., Senaat, 1948-1949, nr. 384, pp. 2 en 3).

B.8.2. De mogelijkheid voor de persoon die het verhuurde goed verkrijgt om de huurder uit dat goed te zetten met de bedoeling het persoonlijk in gebruik te nemen of het in gebruik te laten nemen door één van zijn verwanten of door een personenvennootschap waarvan de werkende vennoten of de vennoten die ten minste drie vierden van het kapitaal bezitten verwant met hem zijn, werd tijdens de parlementaire voorbereiding omschreven als een « uitvloeisel van het eigendomsrecht » (Parl. St., Kamer, 1947-1948, nr. 20, p. 31).

B.8.3. De parlementaire voorbereiding doet in het algemeen ervan blijken dat de wetgever, bij het zoeken naar een evenwicht tussen, enerzijds, de bescherming van de handelszaak en, anderzijds, de wettige belangen van de eigenaar, ervan is uitgegaan dat die laatste vanwege zijn eigendomsrecht in bepaalde omstandigheden de mogelijkheid moet hebben om de handelshuur op te zeggen, maar eveneens dat die opzeggingsmogelijkheid, in het belang van de bescherming van de handelszaak, strikt dient te worden begrensd. Hij is daarbij uiteindelijk van oordeel geweest dat van de bescherming van de handelszaak kan worden afgeweken wanneer de verkrijger het onroerend goed zelf in gebruik wenst te nemen of dat goed in gebruik wenst te laten nemen door personen die - op de in artikel 16, I, 1°, van de Handelshuurwet omschreven wijze - met hem of met zijn echtgenoot verwant zijn in de familierechtelijke betekenis van het woord.

B.9.1. Ten aanzien van de door de wetgever nagestreefde doelstellingen, en rekening houdend met de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover hij beschikt bij het tegen elkaar afwegen van de te dezen in het geding zijnde belangen, is het niet zonder redelijke verantwoording dat de verkrijger van een goed de lopende handelshuur met het oog op een ingebruikname door een andere persoon dan de huurder slechts kan opzeggen wanneer hij het goed zelf in gebruik wenst te nemen of wanneer hij het in gebruik wenst te laten nemen door personen met wie hij een bepaalde verwantschapsband in de familierechtelijke betekenis van het woord heeft. Het hanteren van het criterium van de familierechtelijke verwantschapsband laat overigens toe de personen ten voordele van wie de handelshuur kan worden opgezegd op een duidelijke en een beperkende wijze te omschrijven, wat bijdraagt tot het bereiken van de doelstelling betreffende de bescherming van de handelszaak.

B.9.2. De wetgever vermocht redelijkerwijze ervan uit te gaan dat een opzeggingsmogelijkheid ten voordele van feitelijke verenigingen waarmee de verkrijger op één of andere manier een « nauwe band » zou hebben, aanleiding zou kunnen geven tot misbruiken - een feitelijke vereniging heeft immers geen rechtspersoonlijkheid en kan te allen tijde op een informele wijze worden opgericht - en afbreuk zou kunnen doen aan de door hem nagestreefde doelstelling betreffende de bescherming van de handelszaak.

B.10. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 12 van afdeling 2bis (« Regels betreffende de handelshuur in het bijzonder ») van boek III, titel VIII, hoofdstuk II, van het Burgerlijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 27 maart 2014.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

A. Alen

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag over artikel 12 van afdeling 2bis (« Regels betreffende de handelshuur in het bijzonder ») van boek III, titel VIII, hoofdstuk II, van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Mechelen. Burgerlijk recht

  • Handelshuur

  • Overdracht van het gehuurde goed

  • Opzegging van de handelshuur door de verkrijger

  • 1. Voorwaarde

  • Familiale verwantschap tussen de verkrijger en de natuurlijke persoon of de vennoten van de personenvennootschap ten voordele van wie of waarvan de huur wordt opgezegd

  • 2. Uitsluiting

  • Opzegging ten voordele van een feitelijke vereniging.