- Arrest van 27 maart 2014

27/03/2014 - 55/2014

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

- In zoverre het het de rechtbank van eerste aanleg niet mogelijk maakt het voordeel van het uitstel te verlenen, schendt artikel 444 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet.

- In zoverre het het de rechtbank van eerste aanleg niet mogelijk maakt een maatregel tot opschorting van de uitspraak van de veroordeling toe te kennen, schendt hetzelfde artikel niet de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en A. Alen, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 6 januari 2014 in zake Benoît Ligot tegen de Belgische Staat, en mede in zake Benoît Ligot en Sophie Petithan tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 15 januari 2014, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 444 van het WIB 1992 de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het het de rechtbank van eerste aanleg niet mogelijk maakt de in die bepaling bedoelde belastingverhogingen gepaard te laten gaan met een uitstel, terwijl de belastingplichtige wettelijke maatregelen tot individualisering van de straf (opschorting, uitstel, probatie) zou kunnen genieten wanneer hij zich voor de correctionele rechtbank blootstelt aan de in het Wetboek van de inkomstenbelastingen bedoelde straffen ? ».

Op 4 februari 2014 hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Snappe en L. Lavrysen, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, het Hof ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht voor te stellen het onderzoek van de zaak af te doen met een arrest van onmiddellijk antwoord.

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. De prejudiciële vraag luidt :

« Schendt artikel 444 van het WIB 1992 de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het het de rechtbank van eerste aanleg niet mogelijk maakt de in die bepaling bedoelde belastingverhogingen gepaard te laten gaan met een uitstel, terwijl de belastingplichtige wettelijke maatregelen tot individualisering van de straf (opschorting, uitstel, probatie) zou kunnen genieten wanneer hij zich voor de correctionele rechtbank blootstelt aan de in het Wetboek van de inkomstenbelastingen bedoelde straffen ? ».

B.2. Artikel 444 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) bepaalt :

« Bij niet-aangifte of in geval van onvolledige of onjuiste aangifte, worden de op het niet aangegeven inkomstengedeelte verschuldigde belastingen vermeerderd met een belastingverhoging die wordt bepaald naar gelang van de aard en de ernst van de overtreding, volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld en gaande van 10 pct. tot 200 pct. van de op het niet aangegeven inkomstengedeelte verschuldigde belastingen.

Bij ontstentenis van kwade trouw kan worden afgezien van het minimum van 10 pct. belastingverhoging.

Het totaal van de op het niet aangegeven inkomstengedeelte verschuldigde belastingen en de belastingverhogingen mag niet hoger zijn dan het bedrag van de niet aangegeven inkomsten.

De verhoging wordt slechts toegepast wanneer de niet aangegeven inkomsten 620 EUR bereiken ».

B.3. Bij zijn arresten nrs. 157/2008 en 13/2013 heeft het Hof twee prejudiciële vragen betreffende, respectievelijk, paragraaf 1, eerste lid, en paragraaf 2, eerste lid, van artikel 70 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna : BTW-Wetboek) bevestigend beantwoord.

In het laatstvermelde arrest heeft het Hof geoordeeld :

« B.3.1. De in artikel 70, § 2, eerste lid, van het BTW-Wetboek bedoelde fiscale geldboeten hebben tot doel de inbreuken begaan door alle belastingschuldigen, zonder enig onderscheid, die de bij dat Wetboek opgelegde verplichtingen niet naleven, te voorkomen en te bestraffen. Zij hebben derhalve een repressief karakter en zijn strafrechtelijk in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

B.3.2. In tegenstelling tot de persoon die wordt gedagvaard om voor de correctionele rechtbank te verschijnen, kan de persoon die voor de rechtbank van eerste aanleg opkomt tegen de beslissing waarbij hem een fiscale geldboete wordt opgelegd, evenwel geen uitstel, dat enkel door een strafgerecht kan worden bevolen, genieten.

B.3.3. Onder voorbehoud dat hij geen maatregel mag nemen die kennelijk onredelijk is, vermag de democratisch gekozen wetgever het repressief beleid zelf vast te stellen en aldus de beoordelingsvrijheid van de rechter te beperken.

De wetgever heeft nochtans meermaals geopteerd voor de individualisering van straffen, met name door de rechter toe te staan maatregelen tot uitstel toe te kennen.

B.3.4. Het staat aan de wetgever te oordelen of het wenselijk is de rechter te dwingen tot gestrengheid wanneer een inbreuk het algemeen belang schaadt, vooral in een aangelegenheid die, zoals te dezen, aanleiding geeft tot een aanzienlijke fraude. Die gestrengheid kan met name betrekking hebben op de maatregelen tot uitstel.

Het Hof zou een dergelijke keuze alleen kunnen afkeuren indien die kennelijk onredelijk zou zijn of indien de in het geding zijnde bepaling ertoe zou leiden aan een categorie van rechtsonderhorigen het recht op een eerlijk proces voor een onafhankelijke en onpartijdige instantie, zoals gewaarborgd bij artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, te ontzeggen.

B.4.1. Het uitstel van de tenuitvoerlegging van de straffen heeft tot doel de nadelen die inherent zijn aan de tenuitvoerlegging van de straffen, te beperken en de re-integratie van de veroordeelde niet in het gedrang te brengen. Het kan worden bevolen met betrekking tot geldboeten. Bovendien blijkt uit artikel 157, § 1, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, hersteld bij artikel 108 van de wet van 13 december 2006 houdende diverse bepalingen betreffende gezondheid, alsook uit artikel 1quater van de wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten, ingevoegd bij artikel 145 van de programmawet van 27 december 2004, dat het uitstel door de wetgever niet onverenigbaar wordt geacht met een geldboete die wordt opgelegd door een andere overheid dan een strafgerecht.

De in het geding zijnde regeling van de fiscale geldboeten kan allicht in diverse bestanddelen verschillen van de regeling van de in het BTW-Wetboek voorgeschreven strafrechtelijke sancties of van de regeling van de in andere aangelegenheden voorgeschreven administratieve sancties, ongeacht of het gaat om de verschillende formulering van de vereiste van het morele bestanddeel, om de mogelijkheid administratieve geldboeten samen te voegen, om de wijze van vaststelling van de straffen of om de toepassing van opdeciemen. Dergelijke verschillen kunnen weliswaar relevant zijn om de toepassing van specifieke regels op bepaalde gebieden te verantwoorden, maar ze zijn dat niet op het gebied dat het voorwerp uitmaakt van de prejudiciële vraag : ongeacht of het uitstel wordt verleend door de correctionele rechtbank of door een ander rechtscollege, zoals de rechtbank van eerste aanleg, kan het de veroordeelde ertoe aanzetten zijn gedrag te wijzigen, door de dreiging om, indien hij zou recidiveren, de veroordeling tot de betaling van een geldboete uit te voeren.

Indien de wet van 29 juni 1964 niet van toepassing is, komt het aan de wetgever toe ter zake te bepalen onder welke voorwaarden een uitstel, net zoals eventueel een probatie-uitstel, kan worden verleend en de voorwaarden en de rechtspleging volgens welke dat uitstel kan worden ingetrokken, vast te stellen.

B.4.2. Uit hetgeen voorafgaat, vloeit voort dat artikel 70, § 2, eerste lid, van het BTW-Wetboek, in zoverre het het de rechtbank van eerste aanleg niet mogelijk maakt het voordeel van het uitstel te verlenen aan de eerste in B.2 bedoelde overtreder, niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

B.4.3. Die vaststelling van gedeeltelijke ongrondwettigheid heeft echter niet tot gevolg dat die bepaling, in afwachting van een optreden van de wetgever, niet meer zou kunnen worden toegepast door de rechtsinstanties wanneer zij vaststellen dat de overtredingen vaststaan, dat het bedrag van de geldboete niet onevenredig is met de ernst van de overtreding en dat er geen reden zou zijn geweest om uitstel te verlenen zelfs indien de wet in die maatregel had voorzien.

B.5.1. De prejudiciële vraag heeft eveneens betrekking op de onmogelijkheid, voor de rechtbank van eerste aanleg, om een maatregel tot opschorting van de uitspraak van de veroordeling toe te kennen.

B.5.2. Een dergelijke maatregel is niet verzoenbaar met een rechtspleging die niet voor een strafgerecht wordt gevoerd. De door de rechtbank van eerste aanleg gewezen beslissing bestaat immers niet erin een veroordeling tot een geldboete uit te spreken, maar de administratieve beslissing waarbij de geldboete wordt opgelegd te controleren.

B.5.3. Daaruit volgt dat, in zoverre het het de rechtbank van eerste aanleg niet mogelijk maakt een maatregel tot opschorting van de uitspraak van de veroordeling toe te kennen, artikel 70, § 2, eerste lid, van het BTW-Wetboek niet onbestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens ».

B.4. Hieruit vloeit voort dat hetzelfde antwoord moet worden gegeven met betrekking tot de in artikel 444 van het WIB 1992 bedoelde belastingverhogingen.

B.5.1. In zoverre het het de rechtbank van eerste aanleg niet mogelijk maakt het voordeel van het uitstel te verlenen, is artikel 444 van het WIB 1992 niet bestaanbaar met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet.

B.5.2. In zoverre het het de rechtbank van eerste aanleg niet mogelijk maakt een maatregel tot opschorting van de uitspraak van de veroordeling toe te kennen, is hetzelfde artikel niet onbestaanbaar met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

- In zoverre het het de rechtbank van eerste aanleg niet mogelijk maakt het voordeel van het uitstel te verlenen, schendt artikel 444 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet.

- In zoverre het het de rechtbank van eerste aanleg niet mogelijk maakt een maatregel tot opschorting van de uitspraak van de veroordeling toe te kennen, schendt hetzelfde artikel niet de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 27 maart 2014.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

J. Spreutels

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag betreffende artikel 444 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Luik. Fiscaal recht

  • Inkomstenbelastingen

  • Belastingverhogingen

  • Beoordelingsvrijheid van de rechtbank van eerste aanleg

  • 1. Geen mogelijkheid van uitstel

  • 2. Onmogelijkheid van opschorting van de uitspraak van de veroordeling.