- Arrest van 3 april 2014

03/04/2014 - 60/2014

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel XI.3 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 13 juli 2001 betreffende het onderwijs-XIII-Mozaïek schendt de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet, in zoverre de door de hogescholen gedragen vervoerskosten en fietsvergoedingen worden terugbetaald door de Vlaamse Gemeenschap, terwijl geen dergelijke regeling bestaat voor de universiteiten.

De gevolgen van die bepaling worden gehandhaafd totdat de decreetgever nieuwe bepalingen aanneemt en uiterlijk tot 31 december 2014.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters A. Alen en J. Spreutels, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût, T. Giet en R. Leysen, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest nr. 223.025 van 27 maart 2013 in zake de Vrije Universiteit Brussel en anderen tegen de Vlaamse Gemeenschap, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 11 april 2013, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schenden de artikelen XI.1 tot XI.7 van het decreet van 13 juli 2001 ' betreffende het onderwijs-XIII-Mozaïek ' de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet, in zoverre het in die bepalingen bedoelde systeem van sociale tegemoetkoming niet van toepassing is op de universitaire instellingen in de Vlaamse Gemeenschap, in hun hoedanigheid van werkgever van personeelsleden in de sector van het (hoger) onderwijs, terwijl het wel toepasselijk is op de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap, in hun hoedanigheid van werkgever van personeelsleden in de sector van het (hoger) onderwijs ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. De prejudiciële vraag betreft de bestaanbaarheid van de artikelen XI.1 tot XI.7 van het decreet van 13 juli 2001 betreffende het onderwijs-XIII-Mozaïek (hierna het Mozaïekdecreet) met de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet. Die bepalingen luiden :

« Artikel XI.1. § 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op :

1° de personeelsleden bedoeld bij het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs;

2° de personeelsleden bedoeld bij het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding;

3° de personeelsleden bedoeld bij het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap;

[...]

Artikel XI.2. De personeelsleden genoemd in artikel XI.1 hebben onder de modaliteiten bepaald door de Vlaamse regering recht op de volledige terugbetaling van de kosten openbaar vervoer naar en van het werk en op een maandelijkse fietsvergoeding, ten laste van de werkgever.

Artikel XI.3. Onder de modaliteiten bepaald door de Vlaamse regering worden de door de werkgever gedragen vervoerskosten en fietsvergoedingen terugbetaald door het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.

Artikel XI.4. In artikel 3 van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs, gewijzigd bij de decreten van 28 april 1994 en 21 december 1994, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1° in § 2, vierde lid, worden de woorden ' alsook verminderd met de in § 4 bedoelde bijdrage ', ingevoegd bij het decreet van 21 december 1994, geschrapt;

2° § 4, toegevoegd bij het decreet van 21 december 1994, wordt opgeheven.

Artikel XI.5. De volgende regelingen worden opgeheven :

1° artikel 34 van het decreet van 15 december 1993 betreffende het onderwijs-V, gewijzigd bij het decreet van 21 december 1994;

2° artikel 67, § 3, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, toegevoegd bij het decreet van 14 juli 1998.

Artikel XI.6. De tegemoetkomingen in de vervoerkosten van de personeelsleden bedoeld in artikel 10 van het besluit van de Vlaamse regering van 22 juli 1993 betreffende de tegemoetkoming van de werkgevers in de onderwijssector in de vervoerkosten van hun personeelsleden, worden uitbetaald op hetzelfde tijdstip als het voorschot op de werkingsmiddelen van het volgende schooljaar, voor zover de aanvraag tot terugbetaling niet aangetast is door bedrog en uiterlijk op 10 december na het schooljaar waarop de terugbetaling betrekking heeft, wordt ingediend bij het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.

Artikel XI.7. De bepalingen van dit hoofdstuk treden in werking op 1 januari 2001, behalve

1° artikel XI.6, dat uitwerking heeft met ingang van 1 september 1998;

2° artikel XI.5, dat uitwerking heeft met ingang van 1 maart 2001 ».

B.2. Het verwijzende rechtscollege vraagt of de in het geding zijnde bepalingen bestaanbaar zijn met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie in zoverre overeenkomstig het in het geding zijnde artikel XI.3 het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap de door de hogescholen als werkgever gedragen vervoerskosten en fietsvergoedingen terugbetaalt, terwijl dat niet het geval is voor de door de universiteiten gedragen vervoerskosten en fietsvergoedingen.

B.3. Het Hof wordt gevraagd twee categorieën van werkgevers met elkaar te vergelijken : enerzijds, de hogescholen, aan wie het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap de vervoerskosten en de fietsvergoedingen die ze aan hun personeelsleden dienen te betalen, terugbetaalt en, anderzijds, de universiteiten, die die terugbetalingsregeling niet kunnen genieten.

B.4.1. In de memorie van toelichting bij het ontwerp van decreet dat tot het Mozaïekdecreet heeft geleid, werden de in het geding zijnde bepalingen als volgt verantwoord :

« Ingevolge de onderwijs-CAO V worden de vervoerskosten voor het openbaar vervoer naar en van het werk volledig terugbetaald (in plaats van de helft). Vanaf die datum wordt ook in een fietsvergoeding voorzien. De schoolbesturen krijgen voor deze sociale tegemoetkoming een bedrag boven op het werkingsbudget uitbetaald. Het programmadecreet ter begeleiding van de initiële begroting-2001 voorzag daarvoor reeds in een aparte basisallocatie. Dit hoofdstuk voorziet in een decretale rechtsgrond voor de reglementaire maatregelen omtrent de sociale tegemoetkomingen.

Om de overgang naar het nieuwe systeem op een soepele manier te laten gebeuren, voorziet artikel XI.6 in de mogelijkheid om de aanvragen tot terugbetaling van de werkgeversbijdragen volgens het oude stelsel in te willigen, voor zover er geen sprake is van fraude of bedrog » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2000-2001, nr. 729/1, p. 40).

B.4.2. In de bevoegde commissie van het Vlaams Parlement verklaarde de minister van Onderwijs :

« Het ontwerpdecreet creëert eveneens een decretale onderbouw voor de bepaling in de onderwijs-CAO V inzake vervoerskosten. Door deze bepaling worden de vervoerskosten voor het openbaar vervoer naar en van het werk volledig - in plaats van de helft - terugbetaald. Er wordt ook een fietsvergoeding ingevoerd zoals dit reeds eerder het geval was voor de ambtenaren van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2000-2001, nr. 729/9, p. 5).

B.4.3. Uit de voormelde parlementaire voorbereiding blijkt dat de in het geding zijnde bepalingen uitvoering geven aan het protocol « van de onderhandelingen 1999-2000 die op 19, 22 en 23 mei 2000 gevoerd werden betreffende sectorale sociale programmatie voor de sector ' Onderwijs ' van de Vlaamse Gemeenschap » dat de Vlaamse Regering en de representatieve vakorganisaties op 12 juli 2000 hebben afgesloten, de zogenaamde onderwijs-cao V (Parl. St., Vlaams Parlement, 2000-2001, nr. 729/1, p. 3). Die overeenkomst heeft, luidens punt I ervan, « betrekking op de personeelsleden die krachtens artikel 127, § 1 van de Grondwet onder de bevoegdheid van de Gemeenschappen ressorteren », met inbegrip van « de personeelsleden bedoeld bij het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap ». Het voormelde punt I preciseert evenwel dat « voor de personeelsleden van de universiteiten [...] een afzonderlijk protocol 1999-2000 onderhandeld [zal] worden ».

B.4.4. Punt III.4 van de voormelde overeenkomst bepaalt :

« Voor de personeelsleden bedoeld in punt I wordt de volledige terugbetaling van de vervoerkosten voor het openbaar vervoer van en naar het werk en een tussenkomst voor het vervoer per fiets voorzien met ingang van 1.1.2001.

Hiertoe wordt een bedrag van 110,0 miljoen voorzien waaraan toegevoegd wordt het bedrag van de voorafname 2000 van het gesubsidieerd onderwijs en een evenredig bedrag van de dotaties van het gemeenschapsonderwijs.

De totale middelen van 189,4 miljoen worden in een afzonderlijke basisallocatie in de begroting ingeschreven en verdeeld in functie van het aantal lesuren/lestijden-leerkracht per inrichtende macht ».

B.5. Het verschil in behandeling tussen de in B.3 vermelde categorieën berust op een objectief criterium, namelijk de aard van de onderwijsinstellingen die als werkgever aan hun personeelsleden vervoerskosten en fietsvergoedingen dienen te betalen.

B.6. In zoverre de in het geding zijnde bepalingen beogen te voorzien in de terugbetaling door het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap van de kosten van het openbaar vervoer naar en van het werk en van de fietsvergoeding die werkgevers krachtens de in het geding zijnde bepalingen aan de personeelsleden vermeld in artikel XI.1 van het Mozaïekdecreet dienen te betalen, is het criterium van onderscheid pertinent. De personeelsleden van de universiteiten worden immers niet vermeld in het voormelde artikel XI.1, zodat de universiteiten niet, krachtens de in het geding zijnde bepalingen, de kosten van het openbaar vervoer naar en van het werk en van de maandelijkse fietsvergoeding aan hun personeelsleden dienen te betalen.

B.7.1. Het voorgaande neemt niet weg dat, op het ogenblik van de totstandkoming van de in het geding zijnde bepalingen, de universiteiten eveneens bepaalde kosten van het openbaar vervoer naar en van het werk en van de fietsvergoeding ten laste moesten nemen. Op grond van de artikelen 104 en 120 van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap, zoals van toepassing vóór ze respectievelijk werden vervangen en gewijzigd bij de artikelen 8 en 9 van het decreet van 30 juni 2006 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2006, hadden de personeelsleden recht op dezelfde vergoedingen en toelagen als die welke zijn toegekend aan de personeelsleden van de Vlaamse Gemeenschap, waaronder een vergoeding voor het woon-werkverkeer.

Het protocol « van de onderhandelingen die op 23 januari 2001 werden gevoerd betreffende een akkoord van sectorale programmatie voor de jaren 1997-1998 voor de sector ' Onderwijs ' van de Vlaamse Gemeenschap » dat de Vlaamse Regering en de representatieve vakorganisaties op 2 februari 2001 hebben afgesloten, bepaalt bovendien onder punt 4 :

« Het stelsel van terugbetaling van de kosten voor het openbaar vervoer voor de verplaatsingen van en naar het werk, zoals dit nu reeds geldt voor de ambtenaren van de Vlaamse Gemeenschap, en de uitbetaling van een fietsvergoeding is met ingang van 1 januari 2001 ook van toepassing op de personeelsleden van de universiteiten. De Vlaamse regering stelt hiervoor nodige financiële middelen ter beschikking van de universiteiten ».

B.7.2. In het decreet van 22 december 2000 houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2001 werd onder het programma 71.2 en de basisallocatie 1226 in een niet gesplitst krediet van 383 miljoen voorzien voor de « versterking van de basisfinanciering van de universiteiten ».

In een nota met referentie VR/2001/1901/DOC 0036 van de minister van Onderwijs aan de Vlaamse Regering - die is toegevoegd aan de memorie van de Vlaamse Regering - werd voorgesteld dat de Vlaamse Regering haar goedkeuring zou geven aan het voormelde protocol van 2 februari 2001. Daaruit blijkt dat het hiervoor vermelde bedrag onder meer bestemd was voor de financiering van de kosten voor het openbaar vervoer en de fietsvergoeding. In de nota werd hieromtrent het volgende verklaard :

« Daarnaast legt de Vlaamse gemeenschap ook een aantal maatregelen op die de universiteiten moeten uitvoeren. In de begroting 2001 is de basisfinanciering van de universiteiten verhoogd met 383 miljoen. Dit bedrag wordt toegevoegd aan de globale enveloppe van de universiteiten waaruit zij onder meer de middelen kunnen halen die nodig zijn om de extra kosten te dekken om hun personeel gratis openbaar vervoer aan te bieden. [...]

De financiële weerslag van de overeengekomen punten is zowel voor de universiteiten als voor de Vlaamse gemeenschap beperkt. Zoals reeds vermeld is er in de begroting 2001 een verhoging van de enveloppe van de universiteiten voorzien om onder meer de kosten van de terugbetaling van het openbaar vervoer te dekken ».

B.7.3. Bij decreet van 6 juli 2001 houdende aanpassing van de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2001 werd dat bedrag gedeeltelijk overgeheveld naar het programma 33.2 « Universitair Onderwijs ».

In de parlementaire voorbereiding van het voormelde decreet van 6 juli 2001 werd hieromtrent het volgende verklaard :

« Wat de universiteiten betreft, is er een stijging als gevolg van de herziening van de financiering van de universiteiten, conform de beslissing van de Vlaamse regering van medio juli 2000. Deze stijging wordt evenwel gecompenseerd op de sector van het wetenschappelijk onderzoek » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2000-2001, nr. 17/1-A, p. 64).

In de toelichting bij het programma 33.2 « Universitair Onderwijs » staat onder meer het volgende vermeld :

« De wijzigingen van de werkingsmiddelen tegenover de initiële kredieten zijn te wijten aan de aanpassingen in functie van de nieuwe financieringsregeling. Deze laatste wijzigingen worden gecompenseerd op de in O.A. 71 PR. 2 B.A. 12.26 opgenomen kredieten voor de versterking van de basisfinanciering van de universiteiten. De compensatie op dit krediet slaat niet alleen op de verhoging van de werkingsmiddelen maar eveneens op de verhoogde tussenkomst voor de wettelijke en conventionele werkgeversbijdragen en de subsidiering van sommige instellingen voor postinitieel onderwijs, wetenschappelijk onderzoek en wetenschappelijke dienstverlening.

In de loop van de volgende vier jaar (tot en met 2004) worden de werkingsuitkeringen voor de Vlaamse universiteiten met 250 miljoen Belgische frank verhoogd. Het is de bedoeling dat in 2004 in totaal twee miljard op een aangepaste wijze wordt verdeeld (één miljard van de bestaande werkingsmiddelen en één miljard bijkomende werkingsmiddelen) » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2000-2001, nr. 17/1-A, p. 72).

B.7.4. De herziening van de financiering van de universiteiten, waarvan in de in B.7.3 vermelde parlementaire voorbereiding sprake is, werd geregeld bij het decreet van 7 december 2001 betreffende de herziening van de financiering van de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap en begeleidende bepalingen. Artikel 130 van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap, zoals vervangen bij artikel 6 van het voormelde decreet van 7 december 2001, bepaalt dat voor de jaren 2001, 2002, 2003 en 2004 de werkingsuitkering van de universiteiten uit de volgende componenten bestaat :

« 1° een forfaitair bedrag zoals vastgesteld in § 2;

2° een extra bedrag zoals vastgesteld in § 3 ter aanvulling op het forfaitair bedrag;

3° een bedrag voor de voortgezette academische opleidingen zoals vastgesteld in § 4;

4° aanvullende middelen die toegekend worden bij wijze van convenants tussen de Vlaamse regering en universiteitsbesturen, waarvoor het te verdelen bedrag is vastgesteld in § 5 ».

Het in B.7.2 vermelde krediet, dat zoals blijkt uit hetgeen is vermeld in de B.7.3 werd toegevoegd aan de werkingsmiddelen van de universiteiten, maakt deel uit van de in artikel 130 van het decreet van 12 juni 1991 bepaalde werkingsuitkering.

B.8.1. Uit wat voorafgaat blijkt dat, ofschoon de door de universiteiten gedragen vervoerskosten en fietsvergoedingen niet werden terugbetaald door het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap op grond van de in het geding zijnde bepalingen, er sinds het begrotingsjaar 2001 in een algemene verhoging was voorzien van hun werkingsmiddelen teneinde onder meer de kosten te dragen die voor universiteiten voortvloeien uit de terugbetaling aan hun personeelsleden van de kosten voor het openbaar vervoer en de uitbetaling van een fietsvergoeding.

B.8.2. Rekening houdend met het bovenstaande was het in B.2 vermelde verschil in behandeling bij de totstandkoming van het decreet van 13 juli 2001 redelijk verantwoord.

B.9.1. De verzoekende partijen voor de Raad van State voeren evenwel nog aan dat sinds de aanneming van de in het geding zijnde bepalingen de financieringsregeling voor de universiteiten en de hogescholen grondig werd gewijzigd, wat zou impliceren dat minstens in die gewijzigde context, de in het geding zijnde bepalingen thans niet langer kunnen worden verantwoord.

B.9.2. Bij decreet van 14 maart 2008 « betreffende de financiering van de werking van de hogescholen en de universiteiten in Vlaanderen » heeft de decreetgever een nieuw financieringssysteem voor het hoger onderwijs ingevoerd.

B.9.3. Uit de aan het Hof voorgelegde stukken blijkt dat, in het verlengde van die nieuwe regeling, het verschil in behandeling tussen de hogescholen en de universiteiten inzake de vergoeding van de kosten voor het woon-werkverkeer aan de orde werd gesteld in de Vlaamse Interuniversitaire Raad, die het probleem vervolgens aan de minister van Onderwijs heeft voorgelegd.

B.9.4. In zijn antwoord van 28 juni 2011 aan de Vlaamse Interuniversitaire Raad stelt de bevoegde minister :

« Ik ben het met u eens dat de verschillende behandeling tussen de universiteiten en hogescholen, zeker binnen het hoger onderwijs zoals het nu bestaat, steeds moeilijker te verantwoorden is. U verwijst in uw brief echter zelf al naar de huidige krappe financiële ruimte van de Vlaamse overheid. De beperkte financiële ruimte maakte het niet mogelijk om de problematiek van de terugbetaling van het woon-werkverkeer aan de universiteiten op te nemen bij de bespreking over de cao III hoger onderwijs. Van bij het begin van de besprekingen was het immers duidelijk dat het om een budgetneutrale cao zou gaan.

De problematiek van de terugbetaling van het woon-werkverkeer aan de universiteiten kan aan bod komen bij de onderhandelingen over de cao IV hoger onderwijs ».

B.9.5. Op 13 december 2013 hebben de Vlaamse Regering, de representatieve vakorganisaties en de besturen van het hoger onderwijs voor de jaren 2012, 2013 en 2014 een akkoord van sectorale programmatie gesloten dat betrekking heeft op de sector « Hoger onderwijs » van de Vlaamse Gemeenschap (cao IV). Dat akkoord bevat evenwel geen regeling inzake het woon-werkverkeer van het personeel.

B.10.1. Volgens artikel 6, § 3, van het vermelde decreet van 14 maart 2008 kunnen de uitgaven in verband met de sociale voorzieningen voor het personeel van de hogescholen en de universiteiten, bezoldigd ten laste van de werkingsuitkering, worden aangerekend op de werkingsuitkering.

B.10.2. Doordat evenwel ook het decreet van 13 juli 2001 van toepassing is gebleven, kunnen de hogescholen, in tegenstelling tot de universiteiten, de kosten voor het woon-werkverkeer integraal terugvorderen van de overheid en kunnen zij derhalve een beroep doen op een bijkomende financieringsstroom, naast die welke is vervat in het decreet van 14 maart 2008. In de memorie van toelichting bij het ontwerp van decreet dat tot het decreet van 13 juli 2001 heeft geleid, wordt uitdrukkelijk gesteld dat de schoolbesturen voor de bedoelde sociale voorzieningen een bedrag uitgekeerd krijgen boven op het werkingsbudget (Parl. St., Vlaams Parlement, 2000-2001, nr. 729/1, p. 40).

B.10.3. Er moet worden vastgesteld dat er tussen de universiteiten en de hogescholen verschillen blijven bestaan op het vlak van de betaling van de sociale voorzieningen inzake het woon-werkverkeer. Terwijl het decreet van 13 juli 2001 de hogescholen ertoe verplicht hun personeel volledig te vergoeden voor die kosten, laten de artikelen 104, § 1, en 120bis van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap het aan de universiteitsbesturen over de vergoeding van dergelijke kosten te bepalen. Die vaststelling neemt niet weg dat uit de bij het Hof ingediende stukken blijkt dat de universiteiten verplicht zijn bepaalde kosten voor het woon-werkverkeer te vergoeden. Bovendien voeren de universiteiten aan dat zij uiteraard hun personeel, op dezelfde wijze als het personeel van de hogescholen, integraal willen vergoeden voor de kosten van het woon-werkverkeer, indien de overheid, zoals voor de hogescholen, hun daartoe de nodige middelen ter beschikking stelt. Het ontbreken van die gelijke behandeling is in de huidige context van het hoger onderwijs, waar een verregaande toenadering heeft plaatsgevonden tussen universiteiten en hogescholen, derhalve een concurrentienadeel voor de universiteiten in hun hoedanigheid van werkgever.

B.11. Uit het bovenstaande blijkt dat, hoewel voor het in B.2 bedoelde verschil in behandeling een redelijke verantwoording bestond bij de totstandkoming van het decreet van 13 juli 2001, dit thans niet langer het geval is.

Aldus is artikel XI.3 van het decreet van 13 juli 2001 niet bestaanbaar met de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet, doordat de door de hogescholen gedragen vervoerskosten en fietsvergoedingen worden terugbetaald door de Vlaamse Gemeenschap, terwijl geen dergelijke regeling bestaat voor de universiteiten.

B.12. De handhaving van de gevolgen dient als een uitzondering op de declaratoire aard van het in het prejudiciële contentieux gewezen arrest te worden beschouwd. Ernstige redenen kunnen evenwel verantwoorden dat aan de wetgever een termijn wordt verleend om opnieuw wetgevend op te treden, wat tot gevolg heeft dat een ongrondwettige norm gedurende een overgangsperiode van toepassing blijft.

De complexiteit van het toenaderingsproces tussen de universiteiten en de hogescholen, enerzijds, en de budgettaire gevolgen waarop in B.9.4 werd gewezen, anderzijds, verantwoorden in casu dat aan de decreetgever een redelijke termijn wordt gelaten teneinde de vastgestelde ongrondwettigheid te verhelpen.

B.13. Uit hetgeen voorafgaat vloeit voort dat de prejudiciële vraag bevestigend moet worden beantwoord, maar dat de gevolgen van de in het geding zijnde bepalingen tot uiterlijk 31 december 2014 moeten worden gehandhaafd.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel XI.3 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 13 juli 2001 betreffende het onderwijs-XIII-Mozaïek schendt de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet, in zoverre de door de hogescholen gedragen vervoerskosten en fietsvergoedingen worden terugbetaald door de Vlaamse Gemeenschap, terwijl geen dergelijke regeling bestaat voor de universiteiten.

De gevolgen van die bepaling worden gehandhaafd totdat de decreetgever nieuwe bepalingen aanneemt en uiterlijk tot 31 december 2014.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 3 april 2014.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

A. Alen

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag over de artikelen XI.1 tot XI.7 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 13 juli 2001 betreffende het onderwijs-XIII-Mozaïek, gesteld door de Raad van State. Onderwijs

  • Vlaamse Gemeenschap

  • Hoger onderwijs

  • Door de onderwijsinstellingen gedragen vervoerskosten en fietsvergoedingen

  • 1. Hogescholen

  • Terugbetaling door de Vlaamse Gemeenschap

  • 2. Universiteiten

  • Ontstentenis van terugbetaling door de Vlaamse Gemeenschap.