- Arrest van 3 april 2014

03/04/2014 - 63/2014

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 7, § 1, van de wet van 20 juli 1991 houdende sociale en diverse bepalingen schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters A. Alen en J. Spreutels, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Moerman, E. Derycke en F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest van 14 juni 2013 in zake de publiekrechtelijke coöperatieve vennootschap « Opera voor Vlaanderen », in vereffening, tegen Linda Devis en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 20 juni 2013, heeft het Arbeidshof te Gent de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 7 van de wet van 20 juli 1991 houdende sociale en diverse bepalingen het gelijkheids- en non discriminatiebeginsel van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat geïntimeerden (als statutaire personeelsleden van de overheidssector) wier arbeidsverhouding niet werd beëindigd maar door een eenzijdige beslissing van de tewerkstellende overheid in disponibiliteit werden gesteld wegens ambtsopheffing, vanaf het ogenblik dat zij geen aanspraak meer konden maken op wachtgeld, niet kunnen genieten van de onderwerping aan de sociale zekerheid voor de werkloosheidsverzekering, ziekteverzekering, sector uitkeringen en moederschapsverzekering als bepaald in artikel 9 van deze wet, terwijl dit wel het geval is voor de personeelsleden van de overheidssector wier arbeidsverhouding een einde neemt omdat zij eenzijdig wordt verbroken door de overheid of omdat de benoemingsakte wordt vernietigd, ingetrokken, opgeheven of niet wordt hernieuwd, daar waar beide personeelscategorieën niet meer beschikken over inkomsten uit arbeid dan wel wachtgeld ingevolge een tewerkstelling bij deze overheid ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Artikel 7, § 1, van de wet van 20 juli 1991 houdende sociale en diverse bepalingen maakt deel uit van hoofdstuk II (« Toepassing van de verzekering tegen werkloosheid, de ziekteverzekering (sector uitkeringen) en de moederschapsverzekering op sommige personeelsleden van de overheidssector en van het vrij gesubsidieerd onderwijs ») van titel I (« Openbaar Ambt ») van die wet en bepaalt :

« Dit hoofdstuk is van toepassing op elke persoon :

- wiens arbeidsverhouding in een overheidsdienst of in elke andere publiekrechtelijke instelling een einde neemt omdat zij eenzijdig wordt verbroken door de overheid of omdat de benoemingsakte wordt vernietigd, ingetrokken, opgeheven of niet hernieuwd,

- en die uit hoofde van die arbeidsverhouding niet onderworpen is aan de bepalingen van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, die betrekking hebben op de regeling inzake arbeidsvoorziening en werkloosheid en op de sector uitkeringen van de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit ».

B.2. Het Hof wordt gevraagd of die bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat statutaire personeelsleden van wie de arbeidsverhouding in een overheidsdienst een einde neemt omdat zij eenzijdig wordt verbroken door de overheid of omdat de benoemingsakte wordt vernietigd, ingetrokken, opgeheven of niet hernieuwd, het voordeel kunnen genieten van de sociale zekerheid, wat de werkloosheidsverzekering, de ziekteverzekering, sector uitkeringen, en de moederschapsverzekering betreft, terwijl statutaire personeelsleden in overheidsdienst die in disponibiliteit worden gesteld wegens ambtsopheffing en die geen aanspraak meer kunnen maken op wachtgeld, dat voordeel niet kunnen genieten.

B.3.1. De bepalingen van het voormelde hoofdstuk II van titel I van de wet van 20 juli 1991 regelen in essentie de onderwerping, in afwijking van de algemene regel, van de statutaire personeelsleden in overheidsdienst van wie de arbeidsverhouding in die dienst een einde neemt op de in de in het geding zijnde bepaling beschreven wijze, aan bepaalde takken van de sociale zekerheid voor werknemers, meer bepaald de werkloosheidsverzekering, de ziekteverzekering, sector uitkeringen, en de moederschapsverzekering (artikel 9 van de wet van 20 juli 1991).

B.3.2. Die maatregel wordt in de parlementaire voorbereiding als volgt verantwoord :

« Met hoofdstuk II van titel I van het ontwerp wordt beoogd een regeling te treffen ten behoeve van statutaire ambtenaren wier dienstverband wordt beëindigd door een eenzijdige handeling van de bevoegde (hiërarchische of toeziende) overheid of vernietigd door de toeziende overheid of door een administratief rechtscollege. Die regeling past in het kader van de ' strijd tegen de armoede ' die de Regering heeft opgenomen in haar doelstellingen.

Vastbenoemde ambtenaren zijn niet ingeschakeld in het algemeen stelsel van de sociale zekerheid, dat inzonderheid voorziet in werkloosheidsuitkeringen en in tegemoetkomingen bij ziekte en invaliditeit. Wanneer die ambtenaren om welke reden ook worden ontslagen vooraleer zij pensioengerechtigd zijn, vallen zij samen met hun gezinsleden zonder inkomen. Hun enige uitweg blijft dan een beroep te doen op steun van het O.C.M.W.

Een dergelijke toestand is in een moderne welvaartsstaat onaanvaardbaar. Daarom stelt de Regering thans voor, door middel van een juridische fictie, deze ambtenaren wier dienstverband werd verbroken of vernietigd, in te schakelen in de algemene regeling inzake sociale zekerheid. Aldus zullen zij en hun gezin kunnen rekenen op eventuele werkloosheidsuitkeringen en op uitkeringen inzake ziekte- en invaliditeitsverzekering » (Parl. St., Senaat, 1990-1991, nr. 1374-2, p. 8; Parl. St., Kamer, 1990-1991, nr. 1695/6, pp. 4-5).

B.3.3. Met het oog op de financiering van de voormelde maatregel voorziet artikel 10 van de wet van 20 juli 1991 in een regularisatie van de socialezekerheidsbijdragen voor de periode die overeenstemt met het aantal werkdagen dat de ontslagen persoon, gelet op de leeftijdsgroep waartoe hij behoort, moet bewijzen om gerechtigd te zijn op de werkloosheidsuitkeringen, en van de socialezekerheidsbijdragen, berekend over een periode van zes maanden, om de belanghebbende recht te geven op de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector uitkeringen, en op de moederschapsverzekering.

B.3.4. Krachtens artikel 11 van de wet van 20 juli 1991 bezorgt de werkgever aan de betrokken ambtenaar alle door de socialezekerheidswetgeving vereiste bescheiden, een attest van ontslag en een bericht over de krachtens de bepalingen van artikel 9, a) en b), te vervullen formaliteiten. Tot die formaliteiten behoort onder meer de verplichting om zich binnen 30 dagen na het beëindigen van de arbeidsverhouding bij de subregionale tewerkstellingsdienst als werkzoekende in te schrijven. De werkgever bezorgt bovendien aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid of aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten de gegevens die vereist zijn voor de berekening van de bijdragen.

B.4.1. De feiten van de zaak die hangende is voor het verwijzende rechtscollege doen ervan blijken dat de geïntimeerden voor dat rechtscollege vastbenoemde personeelsleden zijn van een publiekrechtelijke coöperatieve vennootschap die in disponibiliteit werden gesteld wegens ambtsopheffing, met toepassing van de bepalingen van het koninklijk besluit van 26 december 1938 betreffende de pensioenregeling van het gemeentepersoneel.

B.4.2. Krachtens artikel 48 van het koninklijk besluit van 26 december 1938 behouden de ambtenaren die in disponibiliteit zijn gesteld wegens ambtsopheffing hun aanspraken op bevordering en genieten zij een wachtgeld. Krachtens artikel 49 van dat koninklijk besluit genieten die ambtenaren in het eerste en het tweede jaar een wachtgeld dat gelijk is aan de laatste activiteitswedde. Het wachtgeld wordt in de daaropvolgende jaren evenwel verminderd op de wijze geregeld in dat artikel; vanaf een bepaald ogenblik wordt het teruggebracht tot nul.

B.4.3. Het verwijzende rechtscollege stelt vast dat de disponibiliteit wegens ambtsopheffing volgens het koninklijk besluit van 26 december 1938 geen einde maakt aan het dienstverband tussen de tewerkstellende overheid en de betrokken personeelsleden, ook niet wanneer het wachtgeld wordt teruggebracht tot nul. De in disponibiliteit gestelde ambtenaar kan opnieuw in actieve dienst worden geroepen.

B.5. De aan het Hof voorgelegde prejudiciële vraag betreft het verschil in behandeling tussen, enerzijds, personen in overheidsdienst van wie de arbeidsverhouding een einde neemt omdat zij eenzijdig wordt verbroken door de overheid of omdat de benoemingsakte wordt vernietigd, ingetrokken, opgeheven of niet hernieuwd en, anderzijds, personen in overheidsdienst die in disponibiliteit zijn gesteld wegens ambtsopheffing.

B.6. Dat verschil in behandeling berust op een objectief criterium, meer bepaald het al dan niet beëindigd zijn van het dienstverband tussen de tewerkstellende overheid en het betrokken personeelslid, en is ten aanzien van de door de wetgever nagestreefde doelstellingen niet zonder redelijke verantwoording. De wetgever vermocht ervan uit te gaan dat de in het geding zijnde maatregel van onderwerping van statutaire personeelsleden in overheidsdienst aan het werknemersstelsel van de sociale zekerheid slechts aangewezen is wanneer aan het dienstverband tussen de tewerkstellende overheid en de betrokken ambtenaren een einde is gemaakt. Overigens staat het verschil in behandeling in verband met het algemene uitgangspunt van de werkloosheidsuitkering, dat vereist dat een werkloze beschikbaar moet zijn voor de arbeidsmarkt (artikelen 56 en volgende van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering).

B.7. De omstandigheid dat statutaire personeelsleden in overheidsdienst die wegens ambtsopheffing in disponibiliteit worden gesteld vanaf het ogenblik dat zij geen wachtgeld meer ontvangen, geen inkomsten hebben, is niet het gevolg van de in het geding zijnde bepaling, maar van de bepalingen die het statuut beheersen van de betrokken personeelsleden in overheidsdienst. Het staat niet aan het Hof, maar aan het verwijzende rechtscollege, om zich uit te spreken over de grondwettigheid van de bepalingen van het koninklijk besluit van 26 december 1938 betreffende de pensioenregeling van het gemeentepersoneel.

B.8. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 7, § 1, van de wet van 20 juli 1991 houdende sociale en diverse bepalingen schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 3 april 2014.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

A. Alen

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag betreffende artikel 7 van de wet van 20 juli 1991 houdende sociale en diverse bepalingen, gesteld door het Arbeidshof te Gent. Sociaal recht

  • Sociale zekerheid

  • Werkloosheidsverzekering, ziekteverzekering, sector uitkeringen en moederschapsverzekering

  • Toepassingsgebied

  • 1. Werknemers

  • 2. Statutaire personeelsleden in overheidsdienst

  • a.- Personen van wie de arbeidsverhouding een einde neemt

  • b. Personen die in disponibiliteit zijn gesteld wegens ambtsopheffing

  • Uitsluiting.