- Arrest van 3 april 2014

03/04/2014 - 64/2014

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof

verwerpt het beroep, onder voorbehoud van de in B.8.2 vermelde interpretatie en rekening houdend met hetgeen in B.9 is gezegd.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters A. Alen en J. Spreutels, en de rechters E. De Groot, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet en R. Leysen, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 19 juni 2013 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 20 juni 2013, heeft L.L. beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 9 van de wet van 17 maart 2013 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 19 maart 2013), waarbij artikel 31, § 5, van de voormelde wet van 17 mei 2006 wordt opgeheven.

(...)

II. In rechte

(...)

Ten aanzien van de bestreden bepaling

B.1.1. De verzoekende partij vordert de vernietiging van artikel 9 van de wet van 17 maart 2013 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, dat bepaalt :

« In artikel 31 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 27 december 2006, wordt § 5 opgeheven ».

B.1.2. De wet waarnaar de bestreden bepaling verwijst, is de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten.

Het thans opgeheven artikel 31, § 5, van die wet luidde :

« Indien het advies van de directeur niet wordt meegedeeld binnen de in de artikelen 29, § 3 en 30, § 2, voorziene termijn kan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg op schriftelijk verzoek van de veroordeelde, de minister op straffe van een dwangsom veroordelen tot het uitbrengen van zijn advies, via de directeur, binnen de termijn voorzien door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg en om aan de veroordeelde een afschrift van dit advies ter kennis te brengen.

De Voorzitter doet uitspraak na de veroordeelde en de minister of zijn gemachtigde te hebben gehoord, op advies van het openbaar ministerie, binnen vijf dagen na ontvangst van het verzoek.

Tegen deze beslissing staat geen enkel rechtsmiddel open ».

B.1.3. Artikel 30 van de wet van 17 mei 2006, sinds de wijziging ervan bij de wet van 17 maart 2013, bepaalt :

« § 1. De voorwaardelijke invrijheidstelling en de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering worden toegekend door de strafuitvoeringsrechter op schriftelijk verzoek van de veroordeelde.

§ 1/1. Het schriftelijk verzoek wordt ingediend op de griffie van de gevangenis.

De griffie van de gevangenis zendt het schriftelijk verzoek binnen vierentwintig uur over aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en bezorgt een afschrift aan de directeur.

§ 2. De directeur brengt een advies uit uiterlijk vier maanden na de ontvangst van het schriftelijk verzoek van de veroordeelde. De artikelen 31 en 32 zijn van toepassing ».

B.1.4. Artikel 31 van de wet van 17 mei 2006, sinds de wijziging ervan bij de wet van 17 maart 2013, bepaalt :

« § 1. Om zijn advies op te stellen, stelt de directeur een dossier samen en hoort hij de veroordeelde. Dit dossier omvat :

- een afschrift van de opsluitingsfiche;

- een afschrift van de vonnissen en arresten;

- de uiteenzetting van de feiten waarvoor de betrokkene werd veroordeeld;

- een uittreksel uit het strafregister;

- de datum waarop de veroordeelde kan worden toegelaten tot de desbetreffende strafuitvoeringsmodaliteit;

- het verslag van de directeur dat wordt opgesteld overeenkomstig de door de Koning bepaalde regels;

- in voorkomend geval, het met redenen omkleed advies van een dienst of persoon die gespecialiseerd is in de diagnostische expertise van seksuele delinquenten;

- de opmerkingen van het personeelscollege indien de veroordeelde overeenkomstig § 2 heeft verzocht door deze instantie te worden gehoord;

- de memorie van de veroordeelde of van zijn raadsman.

§ 2. De veroordeelde kan, op zijn verzoek, tevens worden gehoord door het personeelscollege van de strafinrichting, waarvan de samenstelling en de werking door de Koning worden bepaald. De schriftelijke opmerkingen van het personeelscollege worden bij het dossier gevoegd.

§ 3. Het advies van de directeur omvat een gemotiveerd voorstel tot toekenning of afwijzing van de strafuitvoeringsmodaliteit en, in voorkomend geval, de bijzondere voorwaarden die hij nodig acht op te leggen aan de veroordeelde.

§ 4. Het advies van de directeur wordt overgezonden aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en een afschrift ervan wordt meegedeeld aan het openbaar ministerie en aan de veroordeelde ».

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep tot vernietiging

B.2.1. De Ministerraad betoogt in hoofdorde dat het beroep tot vernietiging niet ontvankelijk is omdat de verzoekende partij niet doet blijken van het rechtens vereiste belang.

B.2.2. De verzoekende partij werd op 14 augustus 2008, na drie maanden en tien dagen in voorarrest te hebben doorgebracht, door de Correctionele Rechtbank te Leuven veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, met probatie-uitstel voor het gedeelte van die straf dat de duur van de voorlopige hechtenis overschreed. Op 27 april 2010 heeft dezelfde Rechtbank het probatie-uitstel herroepen wegens niet-naleving van de probatievoorwaarden, zodat de verzoekende partij op ieder ogenblik kan worden opgeroepen om de nog resterende straf te ondergaan.

B.2.3. De bestreden bepaling past in het kader van de regeling van de toekenning van bepaalde strafuitvoeringsmodaliteiten, met name de beperkte detentie, het elektronische toezicht, de voorwaardelijke invrijheidsstelling en de voorlopige invrijheidsstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering. Doordat het bij de bestreden bepaling opgeheven artikel 31, § 5, van de wet van 17 mei 2006 moest waarborgen, dat in het kader van die regeling, het advies van de directeur van de strafinrichting tijdig wordt meegedeeld en doordat dit advies een element is in de totstandkoming van de beslissing tot toekenning van de vermelde strafuitvoeringsmodaliteiten, kan de verzoekende partij door de opheffing van de vermelde wetsbepaling rechtstreeks en ongunstig worden geraakt. Zij doet derhalve blijken van het vereiste belang om de bestreden bepaling aan te vechten.

B.2.4. De exceptie wordt verworpen.

Ten gronde

B.3.1. Op grond van de artikelen 21 en volgende van de wet van 17 mei 2006 kan de veroordeelde vóór het einde van de opgelegde straf worden vrijgelaten of een alternatieve modaliteit van strafuitvoering ondergaan. De wet bepaalt vanaf welk ogenblik de veroordeelde aanspraak kan maken op die modaliteiten van strafuitvoering en binnen welke termijn de procedure daartoe moet worden gestart.

B.3.2. Uit het verzoekschrift blijkt dat de bezwaren van de verzoekende partij betrekking hebben op de procedure tot voorwaardelijke invrijheidstelling, zoals geregeld in de artikelen 30 en volgende van de wet van 17 mei 2006, in het geval waarin de gedetineerde werd veroordeeld tot een vrijheidsstraf van drie jaar of minder, zodat het Hof zijn onderzoek tot die bepalingen beperkt.

De beslissing tot voorwaardelijke invrijheidstelling wordt genomen door de strafuitvoeringsrechter op advies van de directeur van de strafinrichting en van het openbaar ministerie. Het advies van de directeur omvat een gemotiveerd voorstel tot toekenning of afwijzing van de strafuitvoeringsmodaliteit en, in voorkomend geval, de bijzondere voorwaarden die hij nodig acht op te leggen aan de veroordeelde (artikel 31, § 3).

B.4.1. Het enige middel is afgeleid uit een schending van de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6.1, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces.

B.4.2. Volgens het eerste onderdeel van het middel wordt het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie geschonden doordat aan de veroordeelde de mogelijkheid wordt ontnomen om via gerechtelijke weg het advies van de directeur van de strafinrichting af te dwingen wanneer dit niet tijdig wordt verleend, terwijl andere rechtsonderhorigen wel een beroep kunnen doen op de kortgedingrechter wanneer een overheidsinstantie de haar opgelegde termijnen om een beslissing te nemen niet naleeft.

In het tweede onderdeel van het middel voert de verzoekende partij aan dat haar recht op een eerlijk proces is geschonden wanneer zij het advies van de directeur niet in rechte kan afdwingen, waardoor ook het advies van het personeelscollege van de strafinrichting niet in aanmerking zou kunnen worden genomen door de strafuitvoeringsrechter.

B.5. De opheffing van artikel 31, § 5, van de wet van 17 mei 2006 bij de bestreden bepaling werd door de wetgever als volgt verantwoord :

« Dit artikel beoogt de opheffing van de § 5 van het artikel 31 dat voorziet in een proceduremogelijkheid voor de veroordeelde voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg indien de directeur zijn advies niet binnen de gestelde termijn zou uitbrengen teneinde de minister op straffe van een dwangsom te laten veroordelen om via de directeur het advies te laten uitbrengen.

In de praktijk moet worden vastgesteld dat sinds de inwerkingtreding van de wet, deze bepaling zelden toegepast is geweest. Dit geeft aan dat de adviezen steeds binnen de gestelde termijn en dus tijdig worden afgeleverd. Dergelijke procedure is trouwens ook niet voorzien voor laattijdige adviezen van het openbaar ministerie.

Tot slot moet worden vastgesteld dat de procedure voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg niet de meest geschikte procedure is om in te grijpen indien zeer uitzonderlijk toch een laattijdig advies zou worden afgeleverd. Dit is een probleem van interne organisatie dat ingeval van niet naleving van termijnen intern kan en zal worden aangepakt.

Hoewel de Raad van State zich niet kan vinden in de opheffing van deze paragraaf omwille van waarborgen inzake rechtshandhaving die deze zou bieden, behoudt de Regering de opheffing ervan en wel omwille van de volgende redenen.

Het opzet van deze regering is te streven, doorheen de hele strafprocedurele keten, naar procedurele vereenvoudiging. Bovendien moet worden vastgesteld dat de burgerlijke rechter niet het best geplaatst is om tussen te komen in deze specifieke materie.

De regering meent dat het mogelijk is om aan de bezorgdheid van de Raad van State tegemoet te komen zonder deze procedure opnieuw te moeten voeren. [...]

De regering voorziet hiertoe in het wetsontwerp tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en tot wijziging van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende modaliteiten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, een wijziging van de artikelen 34, § 1, en 52, § 1 teneinde in te schrijven dat de zaak d'office op zitting wordt behandeld ten laatste zes maanden na de indiening van het verzoek door de veroordeelde, ongeacht of aan de adviesverplichtingen zijn voldaan. De huidige regeling dat bij laattijdigheid het openbaar ministerie zijn advies moet uitbrengen voor of tijdens de zitting wordt behouden, volgend op het advies van de Raad van State » (Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-2603/001 en 53-2604/001, pp. 21-22).

B.6.1. Uit het bovenstaande blijkt dat de wetgever voor de opheffing van artikel 31, § 5, van de wet van 17 mei 2006 heeft geopteerd omdat die bepaling in de praktijk zelden zou zijn toegepast, omdat hij streeft naar procedurele vereenvoudiging en omdat hij van oordeel was dat de procedure in kort geding voor de rechtbank van eerste aanleg niet de meest geschikte weg is in die specifieke materie.

B.6.2. Vóór de wijziging van de wet van 17 mei 2006 bij de bestreden wet van 17 maart 2013, was voor de gedetineerde veroordeelde het advies van de directeur van de strafinrichting noodzakelijk om de procedure tot voorwaardelijke invrijheidstelling voor de strafuitvoeringsrechter op gang te brengen. Aldus was het belangrijk dat dit advies op het bij de wet bepaalde tijdstip werd uitgebracht en dat, wanneer dat niet geval was, de gedetineerde beschikte over de mogelijkheid om het in voorkomend geval langs gerechtelijke weg af te dwingen op grond van artikel 31, § 5, van de wet van 17 mei 2006, zoals het van toepassing was vóór de afschaffing ervan bij de bestreden bepaling.

B.6.3. Sinds de wijziging ervan bij de wet van 17 maart 2013 bepaalt artikel 30 van de wet van 17 mei 2006 evenwel dat de voorwaardelijke invrijheidstelling kan worden toegekend door de strafuitvoeringsrechter op schriftelijk verzoek van de gedetineerde, en niet zoals voorheen, na advies van de directeur van de strafinrichting. Het schriftelijke verzoek wordt ingediend op de griffie van de strafinrichting, die het binnen vierentwintig uur overzendt aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en een afschrift bezorgt aan de directeur, die binnen vier maanden na ontvangst van het verzoek een advies moet uitbrengen.

Binnen een maand na de ontvangst van het advies van de directeur zendt het openbaar ministerie zijn advies tot toekenning of afwijzing van de strafuitvoeringsmodaliteit over aan de strafuitvoeringsrechter en deelt het in afschrift mee aan de gedetineerde en aan de directeur (artikel 33).

B.7.1. Gezien het belang van de mogelijkheid tot voorwaardelijke invrijheidstelling voor de gedetineerde veroordeelde, moet ervan worden uitgegaan dat de directeur van de strafinrichting de hem opgelegde adviesverplichting nakomt binnen de in artikel 30, § 2, van de wet van 17 mei 2006 bepaalde termijn.

Uit het bovenstaande blijkt evenwel dat, in tegenstelling tot wat het geval was vóór de wijziging van artikel 30, § 1, van de wet van 17 mei 2006 bij de bestreden wet van 17 maart 2013, het eventueel ontbreken van het advies van de gevangenisdirecteur de aanvang van de procedure tot voorwaardelijke invrijheidstelling niet kan belemmeren.

B.7.2. Bovendien zal, volgens het eveneens gewijzigde artikel 34 van de wet van 17 mei 2006, de strafuitvoeringsrechter voortaan uiterlijk zes maanden na de indiening van het verzoek van de veroordeelde tot voorwaardelijke invrijheidstelling, de zaak moeten behandelen, ook indien de directeur zijn advies niet tijdig heeft verleend.

Zoals is uiteengezet in B.5, heeft de wetgever die waarborg ingevoerd teneinde de veroordeelde te verzekeren dat het uitblijven van het advies van de directeur de voortgang van de procedure voor de strafuitvoeringsrechter niet zou hypothekeren.

B.7.3. Uit het bovenstaande blijkt derhalve dat de wetgever de mogelijkheid heeft afgeschaft voor de veroordeelde om op grond van artikel 31, § 5, van de wet van 17 mei 2007 het advies van de directeur van de strafinrichting bij beslissing van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg af te dwingen, maar tegelijk maatregelen heeft genomen die ertoe strekken te waarborgen dat de niet-tijdige afgifte van dat advies de voortgang van de procedure tot voorwaardelijke invrijheidstelling niet hypothekeert.

B.8.1. Wanneer het advies van het openbaar ministerie niet wordt toegezonden binnen de bij artikel 33 bepaalde termijn, dient het openbaar ministerie zijn advies schriftelijk uit te brengen vóór of tijdens de zitting van de strafuitvoeringsrechter. Deze hoort de veroordeelde en zijn raadsman, het openbaar ministerie en de directeur van de strafinrichting (artikel 35). Aldus heeft die laatste steeds de mogelijkheid een advies uit te brengen op de zitting. De strafuitvoeringsrechter kan de behandeling van de zaak bovendien uitstellen met toepassing van artikel 37, zodat de directeur een schriftelijk advies kan opstellen.

B.8.2. Teneinde de rechten van de veroordeelde te vrijwaren, moet het in B.1.4 aangehaalde artikel 31, § 1, van de wet van 17 mei 2006 aldus worden begrepen dat het feit dat de directeur van de strafinrichting in voorkomend geval zijn advies niet heeft uitgebracht binnen de in artikel 30, § 2, van die wet bepaalde termijn, hem niet ontslaat van de verplichting om het dossier samen te stellen en het aan de strafuitvoeringsrechter over te zenden. Artikel 34, § 2, van die wet bepaalt immers dat het dossier van de veroordeelde gedurende ten minste vier dagen vóór de datum waarop de zitting van de strafuitvoeringsrechter is vastgesteld, voor inzage ter beschikking wordt gesteld van de veroordeelde en zijn raadsman op de griffie van die rechtbank of, indien de veroordeelde gedetineerd is, op de griffie van de gevangenis waar de veroordeelde zijn straf ondergaat. De veroordeelde kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier krijgen.

B.8.3. Volgens artikel 2 van het koninklijk besluit van 29 januari 2007 tot bepaling van de inhoud van het verslag van de directeur en tot bepaling van de samenstelling en de werkwijze van het personeelscollege bevat het in artikel 31, § 1, van de wet van 17 mei 2006 bedoelde verslag van de directeur de analyse van de persoonlijke situatie van de veroordeelde die de directeur heeft uitgevoerd in het licht van de te beoordelen strafuitvoeringsmodaliteit. Die analyse heeft betrekking op de tijdsvoorwaarden en de inhoudelijke voorwaarden, op de tegenaanwijzingen die de wet aan die maatregel verbindt en op de middelen die toelaten om de eventuele tegenaanwijzingen tegen te gaan. Om zijn analyse te onderbouwen, hoort de directeur de veroordeelde en steunt hij op het onderzoek van de stukken van het dossier zoals opgesomd in artikel 31 van de wet. De directeur kan bovendien aan de psychosociale dienst van de inrichting of aan de Dienst Justitiehuizen een verslag vragen over de punten die hij aangeeft.

B.8.4. Zoals blijkt uit artikel 31, § 1, moet het dossier, naast het verslag van de directeur, ook de opmerkingen van het personeelscollege bevatten, indien de veroordeelde gevraagd heeft door dat college te worden gehoord.

B.9. Ten slotte kan de veroordeelde, onder de voorwaarden bepaald in de artikelen 2 en 584, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg een vordering instellen teneinde van de directeur van de strafinrichting te vereisen dat hij het dossier moet overleggen, wanneer hij dat niet heeft gedaan binnen de termijn van vier maanden bepaald in artikel 30, § 2, van de wet van 17 mei 2006, zonder dat het optreden van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg evenwel afbreuk doet aan de bevoegdheid van de strafuitvoeringsrechter en voor zover dat optreden niet onbestaanbaar is met de wettelijke bepalingen en de beginselen die de werking van de strafuitvoeringsgerechten beheersen.

B.10. Rekening houdend met het voorgaande is de bestreden bepaling niet zonder redelijke verantwoording.

B.11. Onder voorbehoud van de in B.8.2 vermelde interpretatie en rekening houdend met hetgeen in B.9 is gezegd, is het middel niet gegrond.

Om die redenen,

het Hof

verwerpt het beroep, onder voorbehoud van de in B.8.2 vermelde interpretatie en rekening houdend met hetgeen in B.9 is gezegd.

Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 3 april 2014.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

A. Alen

Vrije woorden

  • Beroep tot vernietiging van artikel 9 van de wet van 17 maart 2013 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten (opheffing van artikel 31, § 5, van de wet van 17 mei 2006), ingesteld door L.L.. Strafrechtspleging

  • Strafuitvoeringsrechtbank

  • Procedure tot voorwaardelijke invrijheidstelling

  • Advies van de gevangenisdirecteur

  • Ontstentenis van advies

  • Onmogelijkheid voor de veroordeelde om het advies in rechte af te dwingen. # Rechten en vrijheden

  • Recht op een eerlijk proces.