- Arrest van 24 april 2014

24/04/2014 - 66/2014

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 342, § 3, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en A. Alen, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût, T. Giet en R. Leysen, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

Bij vonnis van 19 april 2012 in zake Jean-Luc Bulteau tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 22 februari 2013, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Namen de volgende prejudiciële vragen gesteld :

« - Schendt artikel 41 van de programmawet van 11 juli 2005 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het aan artikel 342 van het WIB 1992 een paragraaf 3 toevoegt die ertoe strekt de in paragraaf 2 van hetzelfde artikel bedoelde belastbare minima, bij niet-aangifte, uit te breiden tot de ondernemingen en beoefenaars van een vrij beroep, en niet tot de andere belastingplichtigen ?

- Schendt artikel 41 van de programmawet van 11 juli 2005 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het aan artikel 342 van het WIB 1992 een paragraaf 3 toevoegt die ertoe strekt de in paragraaf 2 van hetzelfde artikel bedoelde belastbare minima, bij niet-aangifte, uit te breiden tot de ondernemingen en beoefenaars van een vrij beroep zonder bij die laatstgenoemden een onderscheid te maken tussen de in hoofdberoep uitgeoefende activiteiten en de in bijberoep uitgeoefende activiteiten, en door bijgevolg een identieke regel op verschillende categorieën van belastingplichtigen toe te passen ?

- Schendt artikel 41 van de programmawet van 11 juli 2005 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het aan artikel 342 van het WIB 1992 een paragraaf 3 toevoegt die ertoe strekt bij niet-aangifte de in paragraaf 2 vastgestelde belastbare minima die oorspronkelijk enkel zijn geconcipieerd voor de buitenlandse ondernemingen die geen aangifte binnen de toegekende termijn hebben ingediend, tot de ondernemingen en beoefenaars van een vrij beroep uit te breiden, aangezien zodoende een zelfde regel op verschillende categorieën van belastingplichtigen wordt toegepast ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Aan het Hof worden drie prejudiciële vragen gesteld betreffende artikel 342, § 3, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : WIB 1992), ingevoegd bij artikel 41 van de programmawet van 11 juli 2005 (Belgisch Staatsblad, 12 juli 2005).

B.2.1. Artikel 342 van het WIB 1992 bepaalt :

« § 1. Bij gebreke van bewijskrachtige gegevens, geleverd door de belanghebbenden, hetzij door de administratie, worden de in artikel 23, § 1, 1° en 2° vermelde winst of baten voor elke belastingplichtige bepaald naar de normale winst of baten van ten minste drie soortgelijke belastingplichtigen en met inachtneming, volgens het geval, van het aangewende kapitaal, van de omzet, van het aantal werklieden, van de benuttigde drijfkracht, van de huurwaarde van in bedrijf genomen gronden, alsmede van alle andere nuttige inlichtingen.

De administratie kan te dien einde, in overleg met de betrokken beroepsgroeperingen, forfaitaire grondslagen van aanslag vaststellen.

De in vorig lid bedoelde forfaitaire grondslagen van aanslag mogen vastgesteld worden voor drie opeenvolgende aanslagjaren.

De administratie kan eveneens, in overleg met de betrokken beroepsorganisatie, de beroepskosten die doorgaans niet met bewijsstukken kunnen worden gestaafd, op vaste bedragen taxeren.

§ 2. De Koning bepaalt, met inachtneming van de in § 1, eerste lid vermelde gegevens, het minimum van de winst dat belastbaar is ten name van de vreemde firma's die in België werkzaam zijn.

§ 3. Bij niet-aangifte of bij laattijdige overlegging van de aangifte, zijn de belastbare minima die door de Koning in uitvoering van § 2 zijn vastgesteld, eveneens van toepassing op elke onderneming en beoefenaar van een vrij beroep ».

B.2.2. Artikel 182 van het koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van het WIB 1992, genomen met toepassing van de in paragraaf 2 van het voormelde artikel vervatte delegatie, bepaalt :

« § 1. De minimumwinst die belastbaar is ten name van buitenlandse firma's die in België werkzaam zijn en volgens de vergelijkingsprocedure neergelegd in artikel 342, § 1, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 belastbaar zijn, alsmede, bij niet-aangifte of bij laattijdige overlegging van de aangifte, de minimumwinst die belastbaar is ten name van Belgische ondernemingen wordt bepaald als volgt :

1° landbouwbedrijven, tuinbouwbedrijven of boomkwekerijen : forfaitaire schaal vastgesteld voor de Belgische belastingplichtigen die in dezelfde landbouwstreek een soortgelijk beroep uitoefenen;

2° ondernemingen behorend tot de :

a) scheikundige nijverheid : 22.000 EUR per personeelslid (gemiddeld aantal over het beschouwde jaar);

b) voedingsnijverheid : 12.000 EUR per personeelslid (gemiddeld aantal over het beschouwde jaar);

c) metaalnijverheid, fijn mechanische nijverheid en bedrijven, ondernemingen die niet-energetische delfstoffen winnen en verwerken, bouwnijverheid en alle andere niet sub a en b, hierboven vermelde nijverheidsbedrijven en -ondernemingen : 7.000 EUR per personeelslid (gemiddeld aantal over het beschouwde jaar);

3° ondernemingen uit de handelssector en de dienstverlenende sector :

a) groothandel, kleinhandel, vervoer, horeca, ingenieurs- en studiebureaus, informatica en electronica en andere diensten aan ondernemingen : 2,50 EUR per 25 EUR omzet, met een minimum van 7.000 EUR per personeelslid (gemiddeld aantal over het beschouwde jaar);

b) tussenpersonen in handel en vervoer : 2,50 EUR per 25 EUR omzet, met een minimum van 14.500 EUR per personeelslid (gemiddeld aantal over het beschouwde jaar);

c) banken, krediet- en wisselinstellingen : 24.000 EUR per personeelslid (gemiddeld aantal over het beschouwde jaar);

d) verzekeringen : 2,50 EUR per 25 EUR geïnde premies;

e) alle andere bedrijven en ondernemingen uit de handelssector en de dienstverlenende sector : 2,50 EUR per 25 EUR omzet, met een minimum van 7.000 EUR per personeelslid (gemiddeld aantal over het beschouwde jaar).

§ 2. Het bedrag van de overeenkomstig § 1 vastgestelde belastbare winst mag in geen geval lager zijn dan 19.000 EUR.

Bij niet-aangifte of bij laattijdige overlegging van de aangifte is het minimumbedrag vastgelegd in het eerste lid ook van toepassing op de belastbare baten van beoefenaars van een vrij beroep.

§ 3. De overeenkomstig § 1 vastgestelde belastbare inkomsten omvatten niet de in artikel 228, § 2, 9°, g en i, van hetzelfde Wetboek vermelde meerwaarden ».

B.3. In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, maken de drie prejudiciële vragen die aan het Hof zijn gesteld, het voldoende mogelijk de categorieën van personen die het wordt verzocht te vergelijken, te bepalen.

B.4.1. In de eerste vraag wordt het Hof verzocht de bestaanbaarheid van artikel 342, § 3, van het WIB 1992 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet te onderzoeken, in zoverre het van toepassing is op de ondernemingen en beoefenaars van een vrij beroep en niet op de andere belastingplichtigen, in casu de werknemers.

B.4.2. In de tweede prejudiciële vraag wordt het Hof verzocht zich uit te spreken over de gelijkheid van behandeling die uit de in het geding zijnde bepaling voortvloeit tussen de belastingplichtigen die een zelfstandige activiteit in hoofdberoep uitoefenen en die welke een zelfstandige activiteit in bijberoep uitoefenen.

B.4.3. Ten slotte wordt een derde prejudiciële vraag aan het Hof gesteld over het feit dat de ondernemingen en beoefenaars van een vrij beroep, bij niet-aangifte, door de in het geding zijnde bepaling op dezelfde wijze worden behandeld als de buitenlandse ondernemingen bedoeld in artikel 342, § 2, van het WIB 1992.

B.4.4. Het in het geding zijnde artikel 342, § 3, van het WIB 1992 laat de belastingadministratie toe gebruik te maken van het systeem van forfaitaire minimumwinsten, wanneer de betrokken belastingplichtigen geen of een laattijdige aangifte doen van hun inkomsten.

De derde prejudiciële vraag heeft betrekking op de toepassing van het systeem van de forfaitaire minimumwinsten op de betrokken categorie van ondernemingen of personen als dusdanig, terwijl de eerste en de tweede vraag betrekking hebben op de omvang van het toepassingsgebied van de in het geding zijnde bepaling. Om die reden dient de derde prejudiciële vraag eerst te worden beantwoord.

Over de derde prejudiciële vraag

B.5. Het Hof wordt ondervraagd over de bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet van de identieke behandeling die voortvloeit uit het feit dat het systeem van de forfaitaire minimumwinsten dat op grond van artikel 342, § 2, wordt gebruikt ten aanzien van buitenlandse ondernemingen die geen bewijskrachtige gegevens kunnen voorleggen, werd uitgebreid tot de ondernemingen of de beoefenaars van een vrij beroep die geen belastingaangifte doen of deze niet tijdig doen.

B.6.1. Artikel 342 van het WIB 1992 vormt een bewijsmiddel door wettelijke vermoedens waarover de administratie beschikt om het bestaan en het bedrag van de belastingschuld vast te stellen wanneer de belastingplichtige om een of andere reden nalaat die gegevens aan de administratie ter beschikking te stellen. Het toepassingsgebied ervan wordt beperkt tot de beroepsinkomsten die worden gevormd door de winsten of baten bedoeld in artikel 23, § 1, 1° en 2°, van het WIB 1992. De wetgever voorziet in verschillende bewijsmethodes om het belastbaar inkomen te bepalen, onder meer een vergelijking met minstens drie soortgelijke belastingplichtigen, de forfaitaire grondslagen en de minimum belastbare winsten.

B.6.2. Wat de buitenlandse ondernemingen betreft die in België werkzaam zijn, bepaalt artikel 342, § 2, dat de Koning de minimum belastbare winst kan vaststellen wanneer zij geen bewijskrachtige gegevens aan de belastingadministratie voorleggen. De vermelde bepaling werd uitgevoerd door het in B.2.2 vermelde artikel 182 van het koninklijk besluit van 27 augustus 1993.

B.6.3. Door artikel 41 van de programmawet van 11 juli 2005 aan te nemen, heeft de wetgever het bestaande systeem van de forfaitaire minimumwinsten bedoeld in artikel 342, § 2, van het WIB 1992, dat tot dan enkel van toepassing was op buitenlandse ondernemingen die in België werkzaam zijn, uitgebreid tot alle ondernemingen (natuurlijke personen en rechtspersonen) en alle beoefenaars van een vrij beroep die geen fiscale aangifte in de inkomstenbelasting invullen of die ze buiten de termijnen bedoeld in de artikelen 308 tot 311 van het WIB 1992 overleggen.

B.7.1. In de memorie van toelichting bij het ontwerp dat de programmawet is geworden, wordt gepreciseerd :

« Deze bepaling strekt ertoe om het bestaande systeem van de forfaitaire minimumwinsten vermeld in artikel 342, § 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) uit te breiden tot alle ondernemingen (natuurlijke personen en rechtspersonen) en beoefenaars van een vrij beroep die geen fiscale aangifte in de inkomstenbelastingen invullen of die ze buiten de termijnen voorzien in de artikelen 308 tot 311 WIB 92, overleggen.

Dit systeem van minima dat kadert binnen de taxatie bij wettelijke vermoedens, en inzonderheid de taxatie bij vergelijking met minstens drie soortgelijke belastingplichtigen vermeld in artikel 342, § 1, WIB 92, is momenteel inderdaad enkel van toepassing op buitenlandse ondernemingen die in België werkzaam zijn. Voor die ondernemingen bepaalt artikel 182, KB/WIB 92 op forfaitaire wijze en per sector de belastbare minimumwinsten.

De uitbreiding van die minima tot alle ondernemingen en beoefenaars van een vrij beroep zal derhalve toelaten om de struikelsteen te vermijden die er voor de fiscus te vaak in bestaat om een ambtshalve aanslag te moeten vestigen die, bij gebrek aan belastingaangifte, voldoende gemotiveerd is.

De maatregel beoogt bijgevolg om alle ondernemingen en beoefenaars van vrije beroepen er toe aan te zetten hun fiscale verplichtingen inzake het indienen van de aangifte na te komen.

Deze maatregel concretiseert qua principe op die manier het wetsvoorstel dat op 22 juli 2004 is ingediend door [...] (DOC 51-1300/01) waarmee het de doelstellingen deelt, te weten de fiscus in hoofdzaak een meer doelmatig verdedigingsmiddel ter hand stellen wanneer de ondernemingen en de beoefenaars van een vrij beroep geen belastingaangifte indienen of deze laattijdig overleggen » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1820/001, p. 30).

B.7.2. Zoals blijkt uit de tekst van de in het geding zijnde artikel 342, § 3, van het WIB 1992 en uit de parlementaire voorbereiding ervan heeft, wanneer een in België gevestigde onderneming of beoefenaar van een vrij beroep zijn belastingaangifte niet of niet binnen de voorgeschreven termijnen indient, de niet-aangifte die eruit voortvloeit tot gevolg dat aan de administratie de mogelijkheid wordt geboden die categorie van belastingplichtigen te belasten door rekening te houden met de door de Koning vastgestelde minimale forfaitaire grondslag. De vastgestelde minima vormen een wettelijk vermoeden bij vergelijking, niet alleen met drie soortgelijke belastingplichtigen, maar ook met een ganse sector of groep van belastingplichtigen.

B.8.1. Zowel ten aanzien van de buitenlandse ondernemingen bedoeld in artikel 342, § 2, van het WIB 1992 als ten aanzien van de ondernemingen of beoefenaars van een vrij beroep bedoeld in artikel 342, § 3, streeft de wetgever eenzelfde doelstelling na. In beide gevallen gaat het er immers om die categorieën van belastingplichtigen ertoe aan te zetten hun fiscale verplichtingen na te komen door de fiscus een doelmatiger verdedigingsmiddel ter hand te stellen wanneer zij zulks niet doen (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1820/001, p. 30). In beide gevallen maakt de wetgever gebruik van een wettelijk vermoeden teneinde de belastingadministratie toe te laten de belastbare grondslag vast te stellen, wanneer de belastingplichtige daartoe niet de nodige informatie verstrekt, hetzij bij gebrek aan bewijskrachtige gegevens (artikel 342, § 2), hetzij omdat hij geen of geen tijdige aangifte doet (artikel 342, § 3). De doeltreffendheid van fiscale controles vormt een reden van algemeen belang en het nastreven daarvan is een legitieme doelstelling.

B.8.2. Het Hof moet evenwel onderzoeken of de wetgever niet op onevenredige wijze inbreuk heeft gemaakt op de rechten van de in artikel 342, § 3, van het WIB 1992 bedoelde belastingplichtigen door het de administratie mogelijk te maken belastbare minima, zoals vastgesteld bij artikel 182 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het WIB 1992, op hen toe te passen wanneer die belastingplichtigen een belastingaangifte niet of niet tijdig hebben overgelegd.

B.9. Met betrekking tot de in het geding zijnde maatregel is in de parlementaire voorbereiding vermeld :

« De Regering wenst hieromtrent te verduidelijken dat de voorgestelde maatregel kadert binnen de procedure van aanslag van ambtswege bedoeld in de artikelen 351 tot 352bis, WIB 92 waarbij ze er slechts is op gericht de toepassing ervan te versnellen door een forfaitaire raming van de belastbare grondslag. Op die wijze behoudt de belastingplichtige die bij toepassing van die minimumwinsten of -baten is getaxeerd bij niet naleving van zijn fiscale verplichtingen inzake de aangifte, het geheel van rechten dat is bepaald in die procedure, inzonderheid het recht om, overeenkomstig artikel 352, eerste lid, WIB 92, het bewijs te leveren van het juiste cijfer van zijn belastbare inkomsten.

Bovendien maakt de nieuwe regel deel uit van het wettelijk vermoeden van artikel 342, WIB 92, maar enkel voor de belastingplichtigen die geen aangifte hebben ingediend of die het laattijdig hebben gedaan. De aandacht moet tevens worden gevestigd op het feit dat de vastgestelde minima ook een wettelijk vermoeden bij vergelijking vormen maar dan niet alleen met drie soortgelijke belastingplichtigen, maar met een ganse sector of groep van belastingplichtigen » (ibid., p. 31).

B.10.1. Artikel 342, § 3, van het WIB 1992 houdt derhalve verband met de procedure van aanslag van ambtswege bedoeld in de artikelen 351 tot 352bis van hetzelfde Wetboek, en heeft als doel de toepassing ervan te versnellen door een forfaitaire raming van de belastbare grondslag. De procedure van aanslag van ambtswege heeft tot gevolg de bewijslast om te keren, wat de bepaling van het belastbare bedrag betreft.

B.10.2. Vóór de aanslag ambtshalve wordt gevestigd, geeft de administratie aan de belastingplichtige die zijn aangifte niet of niet tijdig heeft gedaan, bij ter post aangetekende brief kennis van de redenen waarom zij van die procedure gebruik maakt, van het bedrag van de inkomsten en andere gegevens waarop de aanslag zal steunen, alsmede van de wijze waarop die inkomsten en gegevens zijn vastgesteld (artikel 351, tweede lid). In beginsel wordt aan de belastingplichtige een termijn van een maand toegestaan om zijn opmerkingen in te brengen en mag de aanslag niet vóór het verstrijken van die termijn worden gevestigd (artikel 351, derde lid).

B.10.3. Overeenkomstig artikel 352 van het WIB 1992 heeft de belastingplichtige bovendien steeds het recht de forfaitaire aanslag te betwisten door het tegenbewijs te leveren van het juiste bedrag van zijn inkomsten.

B.10.4. Uit het voorgaande blijkt dat de in het geding zijnde bepaling een relevant middel is om de in B.8.1 in herinnering gebrachte doelstelling die erin bestaat de administratie de noodzakelijke elementen te bezorgen om de belastingaanslag te kunnen vestigen, te bereiken. Zij heeft evenmin onevenredige gevolgen omdat het wettelijk vermoeden dat uit die bepaling volgt, door de in gebreke blijvende belastingplichtige kan worden weerlegd door het bewijs te leveren van het juiste bedrag van de inkomsten die door de uitoefening van zijn beroep zijn gegenereerd. Overigens kan de belastingplichtige bij een niet-tijdige aangifte zich op overmacht beroepen indien aan de voorwaarden daartoe is voldaan.

B.11. De derde prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag

B.12. In de eerste vraag wordt het Hof verzocht de bestaanbaarheid van artikel 342, § 3, van het WIB 1992 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet te onderzoeken, in zoverre het van toepassing is op de ondernemingen en beoefenaars van een vrij beroep en niet op de andere belastingplichtigen, in casu de werknemers.

B.13.1. Er bestaan fundamentele verschillen tussen zelfstandigen en werknemers inzake de belastingstelsels die op hen van toepassing zijn. Door die verschillen is het niet mogelijk die categorieën van personen in alle opzichten te vergelijken.

B.13.2. Het vastleggen van bijzondere wijzen van bewijsvoering om de belastbare grondslag te bepalen die van toepassing is op de inkomsten van de ondernemingen of beoefenaars van een vrij beroep, kan worden verantwoord door het feit dat het voor de belastingadministratie moeilijker is om het bedrag van de inkomsten die de beoefenaars van een vrij beroep ontvangen, vast te stellen, aangezien die inkomsten uit diverse bronnen afkomstig zijn en van jaar tot jaar sterk kunnen variëren, terwijl de bezoldigingen van de werknemers in beginsel vooraf worden bepaald en niet aan schommelingen onderhevig zijn.

B.13.3. De in het geding zijnde bepaling is een relevant middel om de in B.8.1 in herinnering gebrachte doelstelling, die erin bestaat de belastingplichtigen ertoe aan te zetten tijdig hun verplichtingen na te komen, te bereiken.

Zij heeft geen onevenredige gevolgen omdat, zoals is uiteengezet in B.10, het wettelijk vermoeden dat voor de belastingadministratie daaruit volgt, door de in gebreke blijvende belastingplichtige kan worden weerlegd door het bewijs te leveren van het juiste bedrag van de inkomsten die door de uitoefening van zijn beroep zijn gegenereerd.

B.14. De eerste prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag

B.15. In de tweede prejudiciële vraag wordt het Hof ondervraagd over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 342, § 3, van het WIB 1992 in zoverre het, bij niet-aangifte of niet-tijdige aangifte, de belastingplichtigen die een zelfstandige activiteit in hoofdberoep uitoefenen en die welke een zelfstandige activiteit in bijberoep uitoefenen, op identieke wijze behandelt.

B.16. In tegenstelling met de werknemers, die meestal per uur worden bezoldigd, worden de inkomsten gegenereerd door beroepen zoals die welke te dezen worden beoogd, niet zozeer gemeten per uur gepresteerde activiteit als wel ten aanzien van de prestatie of de realisatie van een contract waarbij een beroep wordt gedaan op een kwaliteit van diensten die berust op een kunde waarbij de factor tijd slechts een van de parameters is om het inkomen te bepalen. De diversiteit van de beschouwde activiteiten van ondernemers en beoefenaars van vrije beroepen is zodanig dat een forfait invoeren waarbij rekening wordt gehouden met de effectieve activiteitsduur, nog meer ongelijkheden had kunnen veroorzaken.

Aldus zal eenzelfde belastbaar inkomen kunnen zijn verworven in een verschillend aantal uren naar gelang van de kwaliteit van de beroepsbeoefenaar, de aangewende middelen, de omgeving van zijn vrij beroep en de modaliteiten van het contract dat hem aan zijn begunstigde bindt.

B.17. De tweede prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

Het Hof

zegt voor recht :

Artikel 342, § 3, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 24 april 2014.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

J. Spreutels

Vrije woorden

  • Prejudiciële vragen betreffende artikel 41 van de programmawet van 11 juli 2005 (wijziging van artikel 342 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992), gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Namen. Fiscaal recht

  • Inkomstenbelastingen

  • Vestiging en invordering

  • Niet-aangifte of laattijdige aangifte

  • Aanslag van ambtswege

  • Forfaitaire minimumwinsten

  • Toepassingsgebied

  • 1. Ondernemers en beoefenaars van vrije beroepen

  • 2. Werknemers

  • 3. Buitenlandse ondernemingen

  • 4. Belastingplichtigen die een zelfstandige activiteit in hoofdberoep uitoefenen

  • 5. Belastingplichtigen die een zelfstandige activiteit in bijberoep uitoefenen.