- Arrest van 8 mei 2014

08/05/2014 - 72/2014

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof verwerpt de beroepen.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters A. Alen en J. Spreutels, de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût en T. Giet, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter M. Bossuyt, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van emeritus voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging

a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 20 februari 2013 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 21 februari 2013, is beroep tot vernietiging ingesteld van de wet van 19 juli 2012 houdende verscheidene wijzigingen van het Kieswetboek, van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken, van de wet van 3 juli 1971 tot indeling van de leden van de Wetgevende Kamers in taalgroepen en houdende diverse bepalingen betreffende de cultuurraden voor de Nederlandse cultuurgemeenschap en voor de Franse cultuurgemeenschap en van de wet van 23 maart 1989 betreffende de verkiezing van het Europese Parlement (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 22 augustus 2012), door Bart Laeremans, Joris Van Hauthem, Philip Claeys en Marleen Fannes, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. De Roo, advocaat bij de balie te Antwerpen.

b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 20 februari 2013 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 22 februari 2013, is beroep tot vernietiging ingesteld van dezelfde wet van 19 juli 2012 door Dominiek Lootens-Stael, Louis Bogemans en Frederic Erens, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. De Roo, voornoemd.

Die zaken, ingeschreven onder de nummers 5583 en 5588 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.

(...)

II. In rechte

(...)

Ten aanzien van de situering van de wet van 19 juli 2012

B.1.1. De beroepen in de zaken nrs. 5583 en 5588 zijn gericht tegen de wet van 19 juli 2012 houdende verscheidene wijzigingen van het Kieswetboek, van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken, van de wet van 3 juli 1971 tot indeling van de leden van de Wetgevende Kamers in taalgroepen en houdende diverse bepalingen betreffende de cultuurraden voor de Nederlandse cultuurgemeenschap en voor de Franse cultuurgemeenschap en van de wet van 23 maart 1989 betreffende de verkiezing van het Europese Parlement.

B.1.2. Die wet regelt in essentie de splitsing van de voormalige kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde bij de verkiezingen voor de Kamer van volksvertegenwoordigers en voor het Europees Parlement.

Artikel 87 van het Kieswetboek, zoals vervangen bij artikel 2 van de bestreden wet, bepaalt dat de verkiezingen voor de Kamer van volksvertegenwoordigers worden gehouden per kieskring, dat elke provincie een kieskring vormt en dat het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad eveneens een kieskring vormt. Aldus voorziet die bepaling « voor de verkiezingen van de Kamer van volksvertegenwoordigers in de instelling van drie kieskringen in de voormalige provincie Brabant : een kieskring Vlaams-Brabant en een kieskring Waals-Brabant waarvan de grenzen samenvallen met de provincies, en een specifieke kieskring Brussel-Hoofdstad, waarvan het grondgebied samenvalt met het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad » (Parl. St., Senaat, 2011-2012, nr. 5-1560/1, p. 3).

Artikel 26 van de bestreden wet wijzigt artikel 9 van de wet van 23 maart 1989 betreffende de verkiezing van het Europese Parlement in die zin dat « het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde bij de Vlaamse kieskring [wordt] gevoegd, zodat het grondgebied van de Vlaamse kieskring de administratieve arrondissementen van het Vlaams Gewest omvat » en dat er « een kieskring Brussel-Hoofdstad [wordt] ingesteld, waarvan het grondgebied samenvalt met het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad » (ibid., p. 5).

B.1.3. Artikel 4 van de bestreden wet voegt in het Kieswetboek een artikel 89ter in, dat bepaalt :

« Voor de verkiezing van de Kamer van volksvertegenwoordigers hebben de kiezers die zijn ingeschreven op de kiezerslijst van de gemeenten van het kieskanton Sint-Genesius-Rode de mogelijkheid te stemmen hetzij voor een lijst van de kieskring Vlaams-Brabant, hetzij voor een lijst van de kieskring Brussel-Hoofdstad ».

Overeenkomstig de bij de wet gevoegde bijlage 1, wordt het kieskanton Sint-Genesius-Rode gevormd door de gemeenten Sint-Genesius-Rode, Drogenbos, Linkebeek, Wemmel, Kraainem en Wezembeek-Oppem (de randgemeenten), die deel uitmaken van de provincie Vlaams-Brabant. De kiezers in die gemeenten « zullen [...] in het stembureau van hun gemeente een stembiljet ontvangen met daarop de lijsten van de kieskring Vlaams-Brabant en de lijsten van de kieskring Brussel-Hoofdstad » (ibid., p. 4) en kunnen, ongeacht of zij Franstalig, dan wel Nederlandstalig zijn, hun stem uitbrengen hetzij op een lijst van de kieskring Vlaams-Brabant, hetzij op een lijst van de kieskring Brussel-Hoofdstad.

Artikel 27 van de bestreden wet, dat artikel 10 van de wet van 23 maart 1989 betreffende de verkiezing van het Europese Parlement wijzigt, voorziet in een gelijksoortige maatregel voor de verkiezingen van het Europees Parlement : de kiezers van het kieskanton Sint-Genesius-Rode kunnen een stem uitbrengen hetzij voor het Nederlandse kiescollege, hetzij voor het Franse kiescollege.

B.2. De parlementaire voorbereiding van de bestreden wet vermeldt :

« De wet van 13 december 2002 tot wijziging van het Kieswetboek en zijn bijlage heeft in heel het land provinciale kieskringen ingesteld, met uitzondering van de kieskringen Brussel-Halle-Vilvoorde en Leuven.

In zijn arrest 73/2003 heeft het Arbitragehof uitspraak gedaan over de grondwettigheid van de voormelde kieshervorming. Het Hof oordeelde met name dat door de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde te handhaven binnen een electoraal landschap gebaseerd op provinciale kieskringen, de wetgever de kandidaten van de provincie Vlaams-Brabant op een andere wijze behandelde dan de kandidaten van de andere provincies vermits, enerzijds, zij die kandidaat waren in de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde in concurrentie moesten treden met de kandidaten die elders dan in die provincie kandidaat waren, en, anderzijds, zij die kandidaat waren in de kieskring Leuven niet op dezelfde wijze werden behandeld als zij die kandidaat waren in de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde (overweging B.9.5).

Het Arbitragehof heeft weliswaar erkend dat de maatregel uitging van de bekommernis om te zoeken naar een onontbeerlijk evenwicht tussen de belangen van de verschillende gemeenschappen en gewesten binnen de Belgische Staat (overweging B.9.6). Het was echter van mening dat de gegevens van dat evenwicht niet onveranderlijk waren. Daaraan heeft het Hof toegevoegd dat het in de plaats van de wetgever zou oordelen indien het zou beslissen dat onmiddellijk een einde zou moeten worden gemaakt aan een situatie die tot op heden de goedkeuring van de wetgever had, terwijl het Hof niet alle problemen kan beheersen waaraan de wetgever het hoofd moet bieden om de communautaire vrede te handhaven (overweging B.9.6). Het Hof onthield er zich bijgevolg van de betwiste wetgevende bepalingen te vernietigen en stelde dat het aan de wetgever toekwam om de kieswetgeving te herzien overeenkomstig de grondwettelijke eisen waarvoor hij moet zorgen en inzonderheid de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Om de wetgever te begeleiden in zijn taak, geeft het arrest 73/2003 de volgende aanwijzing van fundamenteel belang :

' In geval van behoud van provinciale kieskringen voor de verkiezing van de Kamer van volksvertegenwoordigers, kan een nieuwe samenstelling van de kieskringen in de vroegere provincie Brabant gepaard gaan met bijzondere modaliteiten die kunnen afwijken van degene die gelden voor de andere kieskringen, teneinde de gewettigde belangen van de Nederlandstaligen en de Franstaligen in die vroegere provincie te vrijwaren. Het komt niet aan het Hof, maar aan de wetgever toe die modaliteiten nader te bepalen ' (overweging B.9.7).

Het Hof wijst er dus uitdrukkelijk op dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet verschillen in behandeling toelaten die voortvloeien uit bijzondere bepalingen die de uniformiteit van de kieswetgeving doorbreken als, ' om de communautaire vrede te handhaven ', deze bepalingen ernaar streven om de ' gewettigde belangen van de Nederlandstaligen en de Franstaligen in de vroegere provincie Brabant te vrijwaren '.

Dit wetsvoorstel biedt een oplossing voor de gevolgen van het arrest nr. 73/2003 van het Arbitragehof. De kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde (BHV) wordt gesplitst waarbij erover gewaakt wordt dat de fundamentele rechten van de burgers worden geconsolideerd en de nationale politieke problemen worden opgelost » (ibid., pp. 2-3).

Ten aanzien van het belang van de verzoekende partijen

B.3. De Ministerraad betwist het belang van de verzoekende partijen in de zaak nr. 5583. Hij voert meer bepaald aan dat hun beroep uitsluitend is gericht tegen artikel 89ter van het Kieswetboek, zoals ingevoegd bij artikel 4 van de bestreden wet, dat betrekking heeft op de kiezers van de gemeenten Sint-Genesius-Rode, Drogenbos, Linkebeek, Wemmel, Kraainem en Wezembeek-Oppem, en dat de verzoekende partijen niet woonachtig zijn in één van die gemeenten.

B.4. Om hun belang te staven, beroepen de verzoekende partijen in de zaak nr. 5583 zich, als inwoners van de gemeenten Grimbergen, Lennik, Overijse en Kampenhout, onder meer op hun hoedanigheid van kiezer en van mogelijke kandidaat in de kieskring Vlaams-Brabant bij de verkiezingen van de Kamer van volksvertegenwoordigers. Zij menen dat zij in die hoedanigheden belang hebben bij hun beroep omdat de bestreden wet hun stem of kandidatuur op een ongunstige wijze zou kunnen beïnvloeden.

B.5.1. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt.

B.5.2. Het kiesrecht is het fundamentele politieke recht in de representatieve democratie. Elke kiezer of kandidaat doet blijken van het vereiste belang om de vernietiging te vorderen van bepalingen die zijn stem of zijn kandidatuur ongunstig kunnen beïnvloeden.

B.6. Ofschoon artikel 89ter van het Kieswetboek, zoals ingevoegd bij artikel 4 van de bestreden wet, voor de verkiezingen van de Kamer van volksvertegenwoordigers voorziet in een « bijzondere modaliteit » die uitsluitend geldt voor de kiezers van de gemeenten Sint-Genesius-Rode, Drogenbos, Linkebeek, Wemmel, Kraainem en Wezembeek-Oppem, kan die bepaling mogelijkerwijze een ongunstige invloed hebben op de kandidatuur bij de verkiezingen in de kieskring Vlaams-Brabant. Artikel 89ter van het Kieswetboek laat de kiesgerechtigde inwoners van de voormelde randgemeenten immers toe hun stem uit te brengen op een lijst van de kieskring Brussel-Hoofdstad, waardoor die stem verloren gaat voor de kandidaten in de kieskring Vlaams-Brabant.

Ten aanzien van de aangevoerde middelen en de omvang van de beroepen

B.7. Het Hof dient de omvang van de beroepen tot vernietiging te bepalen aan de hand van de inhoud van de verzoekschriften.

B.8.1. In het verzoekschrift in de zaak nr. 5583 wordt één middel aangevoerd, afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 63 van de Grondwet, van artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en van artikel 3 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, al dan niet in samenhang gelezen, doordat artikel 89ter van het Kieswetboek, zoals ingevoegd bij artikel 4 van de bestreden wet,

- voor de kiezers van het kieskanton Sint-Genesius-Rode voorziet in een regeling die afwijkt van die welke geldt voor de kiezers in de andere gemeenten van de kieskring Vlaams-Brabant en in de andere faciliteitengemeenten (eerste onderdeel);

- de kandidaten in de kieskring Vlaams-Brabant, zonder redelijke verantwoording, verschillend behandelt van de kandidaten in andere kieskringen omdat de eersten, in tegenstelling tot de laatsten, in concurrentie moeten treden met de kandidaten in de kieskring Brussel-Hoofdstad (tweede onderdeel);

- de onzekerheid voor de kandidaten in de kieskring Vlaams-Brabant met betrekking tot hun verkiesbaarheid verhoogt en aldus hun recht op vrije verkiezingen beperkt (derde onderdeel);

- met zich meebrengt dat het in de kieskring Vlaams-Brabant onmogelijk wordt om vooraf de kiesdrempel van 5 pct. te bepalen, terwijl dat in andere kieskringen niet het geval is (vierde onderdeel); en

- met zich meebrengt dat de kiezers in de zes randgemeenten de keuze om hun stem in de ene dan wel in de andere kieskring uit te brengen, minstens gedeeltelijk op ideologische en filosofische gronden zullen baseren, wat tot gevolg heeft dat die ideologische of filosofische overtuiging minder vertegenwoordigd zal zijn in de kieskring waar zij hun stem niet hebben uitgebracht (vijfde onderdeel).

In hun memorie van antwoord voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 5583 nog aan dat artikel 89ter van het Kieswetboek niet bestaanbaar is met artikel 63, § 2, van de Grondwet, doordat bepaalde inwoners van de zes randgemeenten hun stem zullen uitbrengen op kieslijsten van de kieskring Brussel-Hoofdstad, zonder dat zij worden meegerekend bij het bepalen van het aantal zetels dat aan de kieskring Brussel-Hoofdstad toekomt.

B.8.2. Het verzoekschrift in de zaak nr. 5588 bevat twee middelen.

Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 63 van de Grondwet, van artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en van artikel 3 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, al dan niet in samenhang gelezen, doordat de bestreden wet bij de verkiezingen voor de Kamer van volksvertegenwoordigers voor de Nederlandstalige lijsten in de kieskring Brussel-Hoofdstad niet voorziet in een systeem van « poolvorming » van de stemmen per taalgroep, terwijl in zulk een systeem wel is voorzien bij de verkiezingen van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement en van het Europees Parlement.

Het tweede middel in de zaak nr. 5588 is afgeleid uit de schending, door artikel 89ter van het Kieswetboek, zoals ingevoegd bij artikel 4 van de bestreden wet, van de artikelen 4, 10, 11 en 63 van de Grondwet en van artikel 3 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, al dan niet in samenhang gelezen, doordat de taalminderheid in Brussel-Hoofdstad anders wordt behandeld dan de taalminderheid in de zes randgemeenten.

B.9. In zoverre de verzoekende partijen in de zaak nr. 5583 in hun memorie van antwoord voor het eerst uiteenzetten in welke zin artikel 89ter van het Kieswetboek niet bestaanbaar zou zijn met artikel 63, § 2, van de Grondwet, voeren zij een nieuw middel aan, dat om die reden niet ontvankelijk is.

B.10. Zoals de Ministerraad opmerkt, zijn het enige middel in de zaak nr. 5583 en het tweede middel in de zaak nr. 5588 uitsluitend gericht tegen de in artikel 89ter van het Kieswetboek vervatte « bijzondere modaliteit » voor de kiezers van het kieskanton Sint-Genesius-Rode bij de verkiezingen voor de Kamer van volksvertegenwoordigers.

Het eerste middel in de zaak nr. 5588 betreft evenwel het niet toepasselijk zijn van een systeem van « poolvorming » in de kieskring Brussel-Hoofdstad bij de verkiezingen voor de Kamer van volksvertegenwoordigers.

B.11. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die aspecten van de bestreden wet.

Ten gronde

B.12. Volgens de Ministerraad zou, gelet op artikel 63, § 4, van de Grondwet, artikel 89ter van het Kieswetboek in overeenstemming zijn met de Grondwet en zou het niet aan het Hof toekomen die beoordeling door de Grondwetgever tegen te spreken.

B.13.1. Artikel 63, § 4, van de Grondwet, dat betrekking heeft op de samenstelling van de Kamer van volksvertegenwoordigers, bepaalt :

« De wet bepaalt de kieskringen; zij bepaalt eveneens de voorwaarden waaraan men moet voldoen om kiezer te zijn, alsmede het verloop van de kiesverrichtingen.

Teneinde de gewettigde belangen van de Nederlandstaligen en de Franstaligen in de vroegere provincie Brabant te vrijwaren, voorziet de wet echter in bijzondere modaliteiten.

Aan de regels die deze bijzondere modaliteiten vaststellen, kan geen wijziging worden aangebracht dan bij een wet aangenomen met de in artikel 4, laatste lid, bepaalde meerderheid ».

B.13.2. Het tweede en het derde lid van die paragraaf werden toegevoegd bij de « herziening van artikel 63 van de Grondwet » van 19 juli 2012.

De parlementaire voorbereiding van die grondwetsherziening vermeldt :

« Dit voorstel tot herziening van de Grondwet moet worden gelezen in samenwerking [lees : samenhang] met het hiermee gelijktijdig in het Parlement ingediende wetsvoorstel houdende verscheidene wijzigingen van het Kieswetboek en van de wet van 23 maart 1989 betreffende de verkiezing van het Europese Parlement voor de verkiezingen van de Kamer van volksvertegenwoordigers en van het Europees Parlement en tot wijziging van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken (stuk Senaat, nr. 5-1560/1 - 2011/2012).

[...]

Dit voorstel tot herziening van de Grondwet bepaalt dat de wetgever voor de verkiezingen van de Kamer van volksvertegenwoordigers in bijzondere modaliteiten voorziet ' teneinde de gewettigde belangen van de Nederlandstaligen en de Franstaligen in de vroegere provincie Brabant te vrijwaren '.

Met het oog op het uitvoeren van dit voorstel tot herziening van de Grondwet, laat het hiermee gelijktijdig in het Parlement ingediende wetsvoorstel tot wijziging van het Kieswetboek de kiezers van de zes gemeenten bedoeld in artikel 7 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken, toe bij de verkiezing van de Kamer van volksvertegenwoordigers, hun stem uit te brengen hetzij voor de kandidatenlijsten die zijn ingediend in de kieskring Vlaams-Brabant, hetzij voor de kandidatenlijsten die zijn ingediend in de kieskring Brussel-Hoofdstad. Deze laatste kieskring heeft dus een specifiek karakter, in die zin dat de kandidatenlijsten die er worden voorgedragen, eveneens in de in artikel 7 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken bedoelde gemeenten worden voorgedragen. In dat opzicht wordt bepaald dat de kiezers van de betrokken gemeenten op de dag van de verkiezingen in het kiesbureau van hun respectieve gemeente een stembiljet zullen ontvangen met daarop de lijsten die zijn ingediend in de kieskring Vlaams-Brabant en de lijsten die zijn ingediend in de kieskring Brussel-Hoofdstad. Om die redenen worden die gemeenten samengebracht in een kieskanton met als hoofdplaats Sint-Genesius-Rode.

Deze bijzondere modaliteit is van toepassing in de gemeenten bedoeld in artikel 7 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966. De genoemde gemeenten hebben inzake het gebruik der talen in bestuurszaken een eigen taalregeling. Net zoals dat momenteel het geval is, zullen deze kiezers dus de mogelijkheid hebben om een stem uit te brengen voor de kandidaten van de kieskring Brussel-Hoofdstad.

De grondwetsherziening die het voorwerp uitmaakt van het onderhavige voorstel heeft enkel tot doel, met het oog op de rechtszekerheid, de conclusies van de voorgaande analyse juridisch te consolideren en de communautaire vrede te bestendigen.

Juridisch consolideren. De nieuwe grondwettelijke bepaling beperkt zich tot het bevestigen van de toelaatbaarheid van de invoering van bijzondere modaliteiten ter vrijwaring van de gewettigde belangen van de Nederlandstaligen en de Franstaligen in de vroegere provincie Brabant, in de wetgeving betreffende de verkiezing van de Kamer van volksvertegenwoordigers. Deze bevestiging gebeurt in dezelfde termen als deze die in het arrest van het Grondwettelijk Hof zijn gebruikt. Deze grondwetsherziening getuigt van een zekere en onbetwistbare eenheid van opzet tussen wat de Grondwetgever onderneemt enerzijds en het hiermee gelijktijdig in het Parlement ingediende wetsvoorstel tot wijziging van het Kieswetboek anderzijds. Onder bijzondere modaliteiten, waarop de nieuwe grondwettelijke bepaling betrekking heeft, moet met name worden verstaan deze die voorzien worden door dat wetsvoorstel. Bijgevolg omvat het bedoelde wetsvoorstel een keuze van de Grondwetgever zelf. Door de wetgever uitdrukkelijk toe te laten om bijzondere modaliteiten te voorzien teneinde de gewettigde belangen van de Nederlandstaligen en Franstaligen in de vroegere provincie Brabant te vrijwaren, en door te voorzien dat de regels die deze bijzondere modaliteiten vastleggen, namelijk deze die deel uitmaken van voormeld wetsvoorstel, in de toekomst slechts zullen kunnen worden gewijzigd door een wet aangenomen bij bijzondere meerderheid, heeft de voorgestelde herziening van de grondwet als effect dat de Grondwetgever van oordeel is dat de andere grondwettelijke principes, om de woorden van het Arbitragehof in het arrest nr. 18/90 van 23 mei 1990 te hernemen, het aannemen van de bepalingen van voormeld wetsvoorstel niet in de weg staan.

Bestendigen. De vaststelling van de ' bijzondere modaliteiten ' die de gewettigde belangen van de Nederlandstaligen en de Franstaligen in de vroegere provincie Brabant garanderen, raakt aan de kern van de grote evenwichten die ten grondslag liggen aan de communautaire vrede. Dit rechtvaardigt - naar analogie van wat voorzien is in de andere bepalingen van de Grondwet die betrekking hebben op die grote evenwichten (zie bijvoorbeeld artikel 129, § 2) - dat de ' bijzondere modaliteiten ' waarop de voorgestelde grondwetstekst betrekking heeft, in de toekomst slechts kunnen worden gewijzigd bij de bijzondere meerderheid bedoeld in artikel 4, laatste lid, van de Grondwet » (Parl. St., Senaat, 2011-2012, nr. 5-1561/1, pp. 1-5).

B.13.3. Daaruit blijkt dat de Grondwetgever zich de in artikel 89ter van het Kieswetboek vervatte « bijzondere modaliteit » voor de kiezers van het kieskanton Sint-Genesius-Rode bij de verkiezingen voor de Kamer van volksvertegenwoordigers eigen heeft gemaakt en dat hij van oordeel is geweest dat de andere grondwettelijke principes het aannemen van die modaliteit niet in de weg staan.

De in artikel 89ter van het Kieswetboek vervatte « bijzondere modaliteit » blijkt bijgevolg te berusten op een keuze van de Grondwetgever.

B.13.4. Hoewel die keuze, zoals de verzoekende partijen in de zaak nr. 5588 aanvoeren, in beginsel uit de tekst van de Grondwet dient te blijken, kan de parlementaire voorbereiding ervan te dezen volstaan om duidelijkheid te hebben over die keuze, nu uit de voormelde toelichting onomstotelijk en zonder dat hieromtrent tegenspraak bestond, blijkt dat de Grondwetgever niet alleen kennis had van de voormelde « bijzondere modaliteit », maar zich die modaliteit ook eigen heeft gemaakt.

Bovendien voegt de Grondwetgever op deze wijze geen regel toe aan de tekst van de Grondwet, wat enkel kan middels de in artikel 195 van de Grondwet voorgeschreven procedure. Hij spreekt zich enkel uit over de bestaanbaarheid van de voormelde modaliteit met de Grondwet zelf.

B.14.1. Het Hof is niet bevoegd zich uit te spreken over een verschil in behandeling of een beperking van een grondrecht dat voortvloeit uit een door de Grondwetgever zelf gemaakte keuze.

Aangezien de in het bestreden artikel 89ter van het Kieswetboek vervatte maatregel berust op een keuze die door de Grondwetgever zelf is gemaakt, staat het niet aan het Hof die maatregel te toetsen aan de Grondwet.

B.14.2. Vermits de Grondwetgever uitdrukkelijk van oordeel is geweest dat de andere grondwettelijke principes het aannemen van de betwiste « bijzondere modaliteit » niet in de weg staan, kan uit de artikelen 10 en 11 van de Grondwet voor de wetgever geen verplichting worden afgeleid om, wanneer hij voorziet in bijzondere modaliteiten voor de kiezers in de zes randgemeenten, eveneens te voorzien in bijzondere modaliteiten voor de Nederlandstalige kiezers en kandidaten in de kieskring Brussel-Hoofdstad.

B.15. Het enige middel in de zaak nr. 5583 en het tweede middel in de zaak nr. 5588 zijn niet gegrond.

B.16. Zoals in herinnering is gebracht in B.8.2, betreft het eerste middel in de zaak nr. 5588 een vergelijking, op het vlak van de toepasselijkheid van een systeem van « poolvorming » in Brussel-Hoofdstad, tussen de kiezers en de kandidaten bij de verkiezingen voor de Kamer van volksvertegenwoordigers, enerzijds, en bij de verkiezingen voor het Brussels Hoofdstedelijk Parlement en voor het Europees Parlement, anderzijds.

B.17. Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld in zijn arrest nr. 86/2012 van 28 juni 2012 (B.6.7 en B.13.6), gebiedt het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie niet dat de verkiezingen op de diverse beleidsniveaus zouden geschieden volgens dezelfde modaliteiten wat de verdeling van de toe te wijzen zetels onder de deelnemende partijen of lijsten betreft.

Uit de omstandigheid dat voor de verkiezingen van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement en van het Europees Parlement zou zijn voorzien in een systeem van « poolvorming », kan bijgevolg geen verplichting voor de wetgever worden afgeleid om voor de verkiezingen van de Kamer van volksvertegenwoordigers eveneens te voorzien in zulk een systeem.

B.18. Het eerste middel in de zaak nr. 5588 is niet gegrond.

Om die redenen,

het Hof

verwerpt de beroepen.

Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 8 mei 2014.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

M. Bossuyt

Vrije woorden

  • Beroepen tot vernietiging van de wet van 19 juli 2012 houdende verscheidene wijzigingen van het Kieswetboek, van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken, van de wet van 3 juli 1971 tot indeling van de leden van de Wetgevende Kamers in taalgroepen en houdende diverse bepalingen betreffende de cultuurraden voor de Nederlandse cultuurgemeenschap en voor de Franse cultuurgemeenschap en van de wet van 23 maart 1989 betreffende de verkiezing van het Europese Parlement, ingesteld door Bart Laeremans en anderen en door Dominiek LootensStael en anderen. Grondwettelijk recht

  • Verkiezingen

  • 1. Splitsing van de voormalige kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde

  • 2. Kamer van volksvertegenwoordigers

  • a. Bijzondere modaliteiten voor de kiezers in de zes randgemeenten

  • b. Kieskring Brussel-Hoofdstad

  • Verdeling van de zetels tussen de deelnemende partijen of lijsten

  • Afwezigheid van een systeem van poolvorming.