- Arrest van 8 mei 2014

08/05/2014 - 75/2014

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 4, § 1, tweede lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en A. Alen, de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût en T. Giet, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter M. Bossuyt, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 14 februari 2013 in zake Dietmar Duchâteau tegen Olivier Domb en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 1 maart 2013, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 4, § 1, tweede lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in die zin geïnterpreteerd dat het een rechtzoekende, partij bij een arbitrageprocedure in Brussel, in het Frans, die het Nederlands niet beheerst en ten aanzien van wie de arbiter, wiens woonplaats in het Nederlandse taalgebied is gelegen, maar die afhangt van een arbitragekamer waarvan de zetel zich in Brussel bevindt en waar hij zijn hoorzittingen houdt, op grond van artikel 4, § 1, derde lid, van de wet van 15 juni 1935 ertoe gehouden is voor alle procedurehandelingen en voor alle debatten het Frans te gebruiken, ertoe verplicht de tegen die arbiter ingestelde gerechtelijke procedure tot wraking, die slechts incidenteel is in de lopende arbitrageprocedure en is geregeld bij artikel 1691 van het Gerechtelijk Wetboek, in het Nederlands in te stellen en voort te zetten, zonder te kunnen verzoeken om de taal te wijzigen,

terwijl de verwerende rechtzoekenden in het kader van de gerechtelijke procedure, in tegenstelling tot de eisers, het recht hebben om te verzoeken dat de procedure in een andere taal wordt voorgezet,

en terwijl de rechten van verweer van de rechtzoekende, doordat die laatste ertoe wordt gedwongen de procedure tot wraking voort te zetten in het Nederlands, dat hij niet beheerst, worden geschonden,

en terwijl de arbiter, door de procedure op tussengeschil die de wraking vormt, te willen voortzetten in het Nederlands, de voorschriften schendt van het derde lid van artikel 4 van de wet van 15 juni 1935, daar de debatten worden gevoerd en de akten opgesteld in een andere taal dan die van de akte tot inleiding van de arbitrage ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Artikel 4, § 1, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, vóór het werd gewijzigd bij artikel 47, 1°, van de wet van 19 juli 2012 betreffende de hervorming van het gerechtelijk arrondissement Brussel, bepaalde in de versie die van toepassing is op het bodemgeschil :

« Behoudens de gevallen van artikel 3 wordt het gebruik der talen voor geheel de rechtspleging in betwiste zaken voor de gerechten van eerste aanleg waarvan de zetel in het arrondissement Brussel is gevestigd, en, wanneer de vordering het bedrag vastgesteld in artikel 590 van het Gerechtelijk wetboek overschrijdt, voor de politierechtbank van Brussel die zitting houdt in de aangelegenheden bedoeld in artikel 601bis van hetzelfde Wetboek geregeld als volgt :

De akte tot inleiding van het geding wordt in het Fransch gesteld, indien de verweerder woonachtig is in het Frans taalgebied; in het Nederlandsch, indien de verweerder woonachtig is in het Nederlands taalgebied; in het Fransch of in het Nederlandsch, ter keuze van den eischer, indien de verweerder woonachtig is in eene gemeente van de Brusselsche agglomeratie of geen gekende woonplaats in België heeft.

De rechtspleging wordt voortgezet in de taal der akte tot inleiding van het geding, tenzij de verweerder, voor alle verweer en alle exceptie, zelfs van onbevoegdheid, vraagt dat de rechtspleging in de andere taal wordt voortgezet ».

B.2. Uit de feiten die aan de oorsprong van de verwijzingsbeslissing liggen, uit de motivering van die beslissing en uit de bewoordingen van de prejudiciële vraag blijkt dat aan het Hof een vraag wordt gesteld over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, van artikel 4, § 1, tweede lid, van de wet van 15 juni 1935, in die zin geïnterpreteerd dat het een partij bij een arbitrage die, met toepassing van artikel 1691 van het Gerechtelijk Wetboek (zoals opgesteld vóór de opheffing ervan bij artikel 2 van de wet van 24 juni 2013 « tot wijziging van het zesde deel van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de arbitrage »), voor de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de aanvaarding van de wraking van de arbiter vordert, ertoe verplicht haar dagvaarding in het Nederlands op te stellen omdat de arbiter is gedomicilieerd in het Nederlandse taalgebied, terwijl zowel de overeenkomst die het arbitragebeding bevat als de kennisgeving van de vordering tot arbitrage, de aanvaarding, door de arbiter, van diens opdracht, de kennisgeving van de wraking, alsook de kennisgeving, door de arbiter, van zijn weigering om zich te onthouden, in het Frans zijn opgesteld, terwijl de taal van de arbitrage het Frans is, terwijl de plaats van de arbitrage en de woonplaats van de andere partijen bij de arbitrage zich situeren in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, en terwijl de arbiter in datzelfde taalgebied keuze van woonplaats doet in de zin van artikel 39 van het Gerechtelijk Wetboek.

Ten aanzien van het nut van de prejudiciële vraag

B.3. De in het bodemgeschil gewraakte arbiter betoogt dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft, aangezien zij zou zijn ingegeven door het bestaan van het arrest nr. 98/2010 van 16 september 2010 van het Hof, terwijl de zaak die tot dat arrest heeft geleid, sterk verschilt van het bodemgeschil.

B.4.1. In de regel komt het het rechtscollege dat het Hof een vraag stelt, toe na te gaan of het antwoord op een prejudiciële vraag nuttig is om het aan het rechtscollege voorgelegde geschil te beslechten.

Alleen wanneer dat klaarblijkelijk niet het geval is, vermag het Hof te beslissen dat de vraag geen antwoord behoeft.

B.4.2. Het gegeven dat de beslissing om aan het Hof een prejudiciële vraag te stellen, op niet relevante wijze zou zijn gemotiveerd door het bestaan van een vroeger arrest van het Hof volstaat op zich niet om aan te nemen dat het antwoord op die prejudiciële vraag klaarblijkelijk niet nuttig is om het geschil te beslechten dat hangende is voor het rechtscollege dat de vraag aan het Hof stelt.

B.5. De Ministerraad betoogt dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft, aangezien in het bodemgeschil niet artikel 4, § 1, van de wet van 15 juni 1935, maar artikel 37, tweede lid, van die wet van toepassing zou zijn.

B.6.1. Artikel 37, tweede lid, van de wet van 15 juni 1935 bepaalt :

« De tusschenvorderingen en tegenberoepen worden vervolgd en gevonnist in de taal gebruikt voor de rechtspleging der hoofdzaak ».

B.6.2. Een tussenvordering in de zin van het voormelde artikel 37 is een vordering die in de loop van het rechtsgeding wordt ingesteld en ertoe strekt, hetzij de oorspronkelijke vordering te wijzigen of nieuwe vorderingen tussen de partijen in te stellen, hetzij personen die nog niet in het geding zijn geroepen, erin te betrekken (artikel 13 van het Gerechtelijk Wetboek).

B.6.3. De rechtsvordering bedoeld in artikel 1691.2, van het Gerechtelijk Wetboek, die is ingesteld in de loop van een arbitrageprocedure in de zin van het zesde deel van het Gerechtelijk Wetboek (« Arbitrage »), is geen tussenvordering zoals bedoeld in artikel 37, tweede lid, van de wet van 15 juni 1935.

Die rechtsvordering is een vordering tot inleiding van het geding in de zin van artikel 12 van het Gerechtelijk Wetboek geformuleerd in een « akte tot inleiding van het geding » in de zin van artikel 4, tweede lid, van de wet van 15 juni 1935.

B.6.4. Uit wat voorafgaat blijkt dat het antwoord op de prejudiciële vraag niet klaarblijkelijk nutteloos is voor de beslechting van het bodemgeschil.

Ten gronde

B.7. Artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt :

« Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen [...] heeft eenieder recht op een eerlijke [...] behandeling van zijn zaak [...] door een [...] rechterlijke instantie [...] ».

Het recht van toegang tot een rechter, bijzonder aspect van het door die bepaling erkende recht op een rechter, is niet absoluut. De beperkingen van dat recht, bijvoorbeeld met betrekking tot de voorwaarden inzake de ontvankelijkheid van een rechtsmiddel, mogen evenwel geen afbreuk doen aan de inhoud van dat recht. Zij moeten bovendien redelijk evenredig zijn met het gewettigde doel dat zij nastreven (EHRM, Stagno t. België, 7 juli 2009, § 25; grote kamer, Stanev t. Bulgarije, 17 januari 2012, §§ 229-230). De reglementering inzake het recht van toegang tot een rechter moet steeds de rechtszekerheid en de goede rechtsbedeling nastreven en mag geen soort van belemmering vormen die de rechtzoekende belet dat de inhoud van zijn geschil wordt beslecht door het bevoegde rechtscollege (EHRM, Stagno t. België, 7 juli 2009, § 25; RTBF t. België, 29 maart 2011, § 69).

De verenigbaarheid van die beperkingen met het recht van toegang tot een rechter wordt beoordeeld rekening houdend met de bijzonderheden van de in het geding zijnde procedure en van het hele proces (EHRM, RTBF t. België, 29 maart 2011, § 70).

B.8.1. Bij de regeling van het taalgebruik in gerechtszaken dient de wetgever de individuele vrijheid van de rechtsonderhorige om zich van de taal van zijn keuze te bedienen te verzoenen met de goede werking van de rechtsbedeling. Bovendien dient de wetgever daarbij rekening te houden met de taalverscheidenheid die verankerd is in artikel 4 van de Grondwet, dat vier taalgebieden vastlegt, waarvan er één tweetalig is. Hij vermag dan ook de individuele vrijheid van de rechtsonderhorige ondergeschikt te maken aan de goede werking van de rechtsbedeling.

B.8.2. Dat neemt niet weg dat, wanneer de wetgever, ter uitvoering van artikel 30 van de Grondwet, het gebruik van de talen regelt voor gerechtszaken, hij hierbij het in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet gewaarborgde beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie dient te eerbiedigen.

B.9. Uit de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepaling blijkt dat de regel volgens welke enkel de verweerder, krachtens artikel 4, § 1, derde lid, van de in het geding zijnde wet, kan vragen om de taal te veranderen van de rechtspleging voor een gerecht van eerste aanleg waarvan de zetel in het arrondissement Brussel is gevestigd, in het verlengde ligt van artikel 4, § 1, tweede lid, van dezelfde wet krachtens hetwelk de akte tot inleiding van het geding voor een dergelijk rechtscollege in het Frans wordt gesteld indien de verweerder in het Franse taalgebied woont en in het Nederlands indien de verweerder in het Nederlandse taalgebied woont. Aldus geeft de wetgever « voorrang aan de taal van den verweerder. Deze moet dus vóór alles weten wat men van hem vergt » (Parl. St., Senaat, 1934-1935, nr. 86, p. 14; Hand., Senaat, 11 april 1935, p. 516).

B.10.1. Bij zijn arrest nr. 98/2010 van 16 september 2010 heeft het Hof geoordeeld dat de in het geding zijnde bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt indien zij in die zin wordt geïnterpreteerd dat zij het een werknemer wiens prestaties zijn verbonden aan een exploitatiezetel gelegen op het grondgebied van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, niet mogelijk maakt zijn vordering tegen zijn werkgever in te stellen en voort te zetten in de taal waarin deze laatste zich krachtens artikel 52, § 1, van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken tot hem dient te richten. Het Hof overwoog :

« B.7.1. Met toepassing van het voormelde artikel 52, § 1, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken gebruiken de werkgevers, voor de akten en bescheiden die bij de wet en de reglementen zijn voorgeschreven en voor die welke bestemd zijn voor hun personeel, de taal van het gebied waar ' hun exploitatiezetel of onderscheiden exploitatiezetels ' gevestigd zijn, waarbij die bescheiden, in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, in het Frans of in het Nederlands worden gesteld naargelang het personeel voor wie zij bestemd zijn, Frans of Nederlands spreekt.

B.7.2. Bovendien bepaalt artikel 627, 9°, van het Gerechtelijk Wetboek dat, voor de geschillen inzake arbeidsovereenkomsten, enkel ' de rechter van de plaats waar de mijn, de fabriek, de werkplaats, het magazijn, het kantoor gelegen is en in het algemeen, van de plaats die bestemd is voor de exploitatie van de onderneming, de uitoefening van het beroep of de werkzaamheid van de vennootschap ' bevoegd is om kennis te nemen van de vordering, en het is op diezelfde plaatsen dat de werkgever kan worden gedagvaard of opgeroepen bij verzoekschrift op tegenspraak (artikel 704, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek).

B.8. Indien artikel 4, § 1, tweede lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken in die zin moet worden geïnterpreteerd dat, wanneer de verweerder een rechtspersoon is, de taal van het gedinginleidende exploot wordt bepaald op grond van zijn maatschappelijke zetel, zelfs in de geschillen met betrekking tot het arbeidsrecht, terwijl de partijen er op geen enkele wijze ' sociale betrekkingen ' hebben aangeknoopt, brengt het, ten nadele van de werknemers die hun prestaties in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad verrichten, een verschil in behandeling teweeg dat niet redelijk is verantwoord.

Niets verantwoordt immers dat het proces waarin een werknemer en een werkgever tegenover elkaar staan die, overeenkomstig hun wettelijke verplichtingen, het Frans of het Nederlands hebben gebruikt in hun sociale betrekkingen - ook in de geschillenfase van die betrekkingen -, in de andere taal dient plaats te vinden, waarbij de maatschappelijke zetel van de vennootschap die de werknemer tewerkstelt als lokalisatiecriterium wordt genomen, terwijl zij er geen sociale betrekkingen hebben aangeknoopt. Die verplichting om die rechtspleging in een andere taal te voeren dan die van de arbeidsverhoudingen is niet in overeenstemming met de rechten van de verdediging van de werknemer, die zich zal moeten verantwoorden in een taal die niet de zijne is, noch met de goede werking van het gerecht, aangezien de rechters de zaak in een andere taal zullen moeten behandelen dan die van de stukken die hun worden voorgelegd, en zij riskeert kosten en onnodige traagheid met zich mee te brengen, aangezien zij het noodzakelijk kan maken dat een beroep wordt gedaan op beëdigde vertalers en tolken, zoals de artikelen 8 en 30 van de in het geding zijnde wet bepalen.

De maatregel is des te minder verantwoord daar de werkgever, rechtspersoon, per definitie heeft aangetoond dat hij in staat is om de taal van de werknemer te begrijpen en te gebruiken door zich in die taal tot hem te richten, zoals bij artikel 52 van de voormelde gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 wordt vereist. »

B.10.2. Het Hof oordeelde eveneens dat de in het geding zijnde bepaling de artikelen 10, 11 en 30 van de Grondwet schendt doordat die bepaling het een werknemer wiens prestaties zijn verbonden aan een exploitatiezetel gelegen op het grondgebied van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad en die het slachtoffer van een arbeidsongeval is, niet mogelijk maakt zijn vordering tegen de door zijn werkgever gekozen wetsverzekeraar in te stellen en voort te zetten in de taal waarin die wetsverzekeraar zich krachtens de artikelen 41, § 1, 42 en 46, § 1, van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken tot hem dient te richten (arrest nr. 11/2014 van 23 januari 2014).

B.10.3. Uit hetgeen voorafgaat, vloeit voort dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat de interpretatie van artikel 4, § 1, tweede lid, van de wet van 15 juni 1935 zonder rekening te houden met sommige bepalingen van de op 18 juli 1966 gecoördineerde wetten « op het gebruik van de talen in de bestuurszaken » die het gebruik van een taal voorschrijven in de sociale betrekkingen, alsook met sommige bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek inzake de regeling van de territoriale bevoegdheid van de rechtbank en de wijze waarop een rechtsvordering voor die rechtbank wordt ingediend, niet bestaanbaar was met de artikelen 10, 11 of 30 van de Grondwet.

B.11. In tegenstelling tot de sociale betrekkingen tussen de werkgevers en hun personeel maken de kennisgeving van de vordering tot arbitrage, de aanvaarding door de arbiter van diens opdracht, de kennisgeving van de wraking, alsook de kennisgeving door de arbiter van zijn weigering om zich te onthouden, niet het voorwerp uit van bijzondere wettelijke bepalingen wat het gebruik der talen betreft.

B.12. Gelet op het voorgaande is het redelijk verantwoord dat een partij bij een arbitrage die voor de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de aanvaarding van de wraking van de arbiter vordert, ertoe wordt verplicht die vordering in te stellen door haar dagvaarding in het Nederlands op te stellen wanneer de arbiter woonachtig is in het Nederlandse taalgebied. Er anders over oordelen zou tot gevolg hebben dat de taal van de gedinginleidende akte niet door de woonplaats van de verweerder, maar door de keuze van de partijen bij de arbitrageprocedure zou worden bepaald.

B.13. Het feit dat de gewraakte arbiter in de praktijk voldoende kennis zou hebben van een andere taal dan die van het taalgebied waarin hij woonachtig is, zonder wettelijke verplichting om die taal te gebruiken, doet hieraan geen afbreuk. De wetgever vermocht immers redelijkerwijs aan te nemen dat de taal van de verweerder in de regel overeenstemt met de taal van het taalgebied waarin hij woonachtig is. Aldus wordt vermeden dat, wanneer de eisende partij de gedinginleidende akte in een andere taal zou stellen dan de taal van het taalgebied waarin de verweerder woonachtig is, het aan de verweerder zou toekomen aan te tonen dat hij die andere taal onvoldoende machtig is om zich tegen het gebruik daarvan te verzetten.

B.14. Ook het feit dat de arbiter keuze van woonplaats doet in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad in de zin van artikel 39 van het Gerechtelijk Wetboek, is niet relevant aangezien de woonplaats waarvan sprake is in artikel 4, § 1, tweede lid, van de wet van 15 juni 1935 de woonplaats is in de zin van artikel 36 van het Gerechtelijk Wetboek, namelijk « de plaats waar de persoon op de bevolkingsregisters is ingeschreven als hebbende aldaar zijn hoofdverblijf » (Cass., 29 januari 2009, Arr. Cass., 2009, nr. 76). Het in B.13 vermelde vermoeden dat de taal van de verweerder overeenstemt met de taal van het taalgebied waarin hij woonachtig is, wordt niet ongedaan gemaakt door het feit dat de betrokkene bij een lasthebber woonplaats heeft gekozen. Bovendien vermogen de partijen niet door middel van een woonstkeuze afbreuk doen aan een regeling van het gebruik van talen in gerechtszaken die van openbare orde is.

B.15. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 4, § 1, tweede lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, niet.

Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 8 mei 2014.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

J. Spreutels

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag betreffende artikel 4, § 1, tweede lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Gerechtelijk recht

  • Gebruik der talen in gerechtszaken

  • Taal van de rechtspleging

  • Vordering tot wraking van een arbiter ingesteld voor de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel

  • Arbiter woonachtig in het Nederlandse taalgebied

  • Verplichting om de vordering in te stellen door een dagvaarding in het Nederlands. # Rechten en vrijheden

  • Jurisdictionele waarborgen

  • Recht op toegang tot de rechter.