- Arrest van 8 mei 2014

08/05/2014 - 76/2014

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 144 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 160 en 161 ervan, met het beginsel van de scheiding der machten en met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, indien het zo wordt geïnterpreteerd dat de Kamer van eerste aanleg een nieuwe beslissing ten gronde kan nemen, nadat zij heeft vastgesteld dat de beslissing van de Leidend ambtenaar nietig is wegens niet-naleving van de op straffe van verval voorgeschreven termijnen.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters A. Alen en J. Spreutels, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût, T. Giet en R. Leysen, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij beslissing van 26 maart 2013 in zake Herman Vercruysse tegen de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het RIZIV, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 7 mei 2013, heeft de Kamer van beroep ingesteld bij de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het RIZIV de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 144 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, niet de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, afzonderlijk genomen en in samenhang beschouwd met de artikelen 160 en 161 van de Grondwet, het beginsel van de scheiding der machten en artikel 6 EVRM, geïnterpreteerd in die zin dat de Kamer van eerste aanleg, ingesteld als administratief rechtscollege krachtens artikel 144, § 1, van de gecoördineerde wet en gevat op grond van artikel 144, § 2, 2°, van de gecoördineerde wet, na vastgesteld te hebben dat de beslissing van de Leidend ambtenaar nietig is wegens de schending van artikel 142, § 3, van de gecoördineerde wet (vervaltermijnen), ook zelf ambtshalve kennis mag nemen van de inbreuken op de bepalingen van artikel 73bis van de gecoördineerde wet, een bevoegdheid die de Kamer van eerste aanleg bovendien niet heeft op grond van artikel 144, § 2, 1°, van de gecoördineerde wet wanneer de inbreuk tot de bevoegdheid van de Leidend ambtenaar behoort zoals bepaald in artikel 143, § 1, van die gecoördineerde wet ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling

B.1.1. Artikel 144 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, zoals hersteld bij artikel 2 van de wet van 21 december 2006 houdende oprichting van Kamers van eerste aanleg en Kamers van beroep bij de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het RIZIV, in de versie zoals van toepassing in de zaak voor de verwijzende rechter, bepaalde :

« § 1. Bij de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle worden Kamers van eerste aanleg en Kamers van beroep ingesteld, administratieve rechtscolleges bedoeld in artikel 161 van de Grondwet.

§ 2. De Kamers van eerste aanleg nemen kennis van :

1° de inbreuken op de bepalingen van artikel 73bis, behoudens de inbreuken die tot de bevoegdheid van de Leidend ambtenaar behoren zoals bepaald in artikel 143;

2° de beroepen tegen de beslissingen van de Leidend ambtenaar of van de door hem aangewezen ambtenaar genomen overeenkomstig artikel 143, § 3;

3° de beroepen door de Leidend ambtenaar tegen de beslissingen van het Comité om de zaken bedoeld in artikel 146bis af te sluiten zonder gevolg of met een waarschuwing.

§ 3. De Kamers van beroep nemen met volle rechtsmacht kennis van :

1° de beroepen tegen de beslissingen van de Kamers van eerste aanleg;

2° de beroepen tegen de beslissingen van het Comité zoals bedoeld in artikel 155, § 2 ».

B.1.2. Artikel 143 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994, in de versie zoals hersteld bij artikel 100 van de wet van 13 december 2006 houdende diverse bepalingen betreffende gezondheid en gewijzigd bij artikel 257 van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (I) en bij artikel 39 van de wet van 19 december 2008 houdende diverse bepalingen inzake gezondheidszorg, en zoals van toepassing op de zaak voor de verwijzende rechter, bepaalde :

« § 1. De Leidend ambtenaar van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle, of de door hem aangewezen ambtenaar, neemt kennis van de betwistingen betreffende :

1° de inbreuken bedoeld in artikel 73bis, 1°, 2° en 3° van de wet :

a) indien binnen vijf jaar die voorafgaat aan de vaststelling van de inbreuk, de zorgverlener niet het voorwerp is geweest van een maatregel opgelegd door de Beperkte Kamers of hun Commissies van beroep, door de Controlecommissie of haar Commissie van beroep, door het Comité of de Kamers van beroep bedoeld in artikel 155, de Leidend ambtenaar en de Kamers van eerste aanleg en van beroep bedoeld in artikel 144;

b) bij afwezigheid van aanwijzingen van bedrieglijke handelingen;

c) wanneer de waarde van de betwiste verstrekkingen lager is dan 25.000 euro.

Dit zijn cumulatieve voorwaarden;

2° de inbreuken bedoeld in artikel 73bis, 7° en 8°.

De verdeling van de zaken tussen de Leidend ambtenaar van die Dienst en de Kamers van eerste aanleg bedoeld in artikel 144, zal voor de eerste maal geëvalueerd worden drie jaar na de inwerkingtreding van deze bepaling.

§ 2. De Leidend ambtenaar of de door hem aangewezen ambtenaar brengt bij een ter post aangetekende brief de overtreder op de hoogte van de vastgestelde inbreuken die hem ten laste worden gelegd. Wanneer nodig, wordt dezelfde mededeling gedaan aan de fysieke of rechtspersonen, bedoeld in artikel 164, tweede lid.

De voornoemde mededelingen gebeuren bij een ter post aangetekende brief en worden geacht te zijn ontvangen de tweede werkdag na de datum van de verzending.

Hij nodigt de overtreder, of waar nodig, de natuurlijke of rechtspersoon bedoeld onder artikel 164, tweede lid, uit hem binnen de twee maanden bij een per post aangetekende brief zijn verweermiddelen te bezorgen.

§ 3. In geval van een inbreuk op de bepalingen van artikel 73bis, 1°, 2°, 3°, 7° en 8°, legt de Leidend ambtenaar of de door hem aangewezen ambtenaar binnen de drie maanden die volgen op de ontvangst van de verweermiddelen, of bij gebreke daaraan, binnen de drie maanden na afloop van de termijn bepaald in artikel 143, § 2, tweede lid, de maatregelen op, opgesomd in artikel 142.

[...] ».

B.1.3. Artikel 73bis van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994, waarnaar het voormelde artikel 143 van diezelfde wet verwijst, bepaalt de inbreuken in verband met de realiteit en de conformiteit van de geneeskundige verstrekkingen.

Artikel 142, § 1, van diezelfde wet bepaalt de maatregelen die « onverminderd eventuele strafrechtelijke en/of tuchtrechtelijke sancties » worden opgelegd aan de zorgverleners en gelijkgestelden die zich niet schikken naar de bepalingen van het voormelde artikel 73bis. Artikel 142, §§ 2 en 3, van diezelfde wet, zoals hersteld bij artikel 99 van de voormelde wet van 13 december 2006, en in de versie zoals van toepassing op de zaak voor de verwijzende rechter, bepaalde dienaangaande :

« § 2. De materiële bestanddelen van de inbreuk bedoeld in artikel 73bis worden door de beëdigde ambtenaren bedoeld in artikel 146 vastgesteld in een proces-verbaal.

Op straffe van verval moeten deze processen-verbaal zijn opgesteld binnen twee jaar vanaf de datum waarop de verzekeringsinstellingen de documenten betreffende de strafbare feiten hebben ontvangen.

§ 3. Op straffe van verval moeten :

1° de betwistingen vermeld in artikel 73bis, 8°, beslecht worden door de Leidend ambtenaar of de door hem aangewezen ambtenaar, binnen twee jaar volgend op de definitieve beslissing zoals bedoeld in artikel 142, § 1, 4° en 5 tot 6°;

2° de betwistingen bedoeld in artikel 73bis, 2° en 7°, die tot zijn bevoegdheid behoren, beslecht worden door de Leidend ambtenaar of de door hem aangewezen ambtenaar, binnen twee jaar volgend op de datum van het proces-verbaal;

3° de betwistingen bedoeld in artikel 73bis, die overeenkomstig artikel 144, § 2, 2°, tot de bevoegdheid van de Kamers van eerste aanleg behoren, bij deze Kamers worden ingeleid binnen drie jaar volgend op de datum van het proces-verbaal.

De voornoemde termijnen zijn geschorst tijdens de burgerlijke, strafrechtelijke of tuchtrechtelijke procedures waarin de zorgverlener partij is, en waarvan de uitspraak doorslaggevend kan zijn bij het onderzoek van de zaak door de Leidend ambtenaar of de Kamer van eerste aanleg.

De beslechting van de betwistingen met de zorgverleners zoals bepaald in artikel 73bis, behoort tot de uitsluitende bevoegdheid van de organen bedoeld in de artikelen 143 en 144 ».

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

B.2.1. De Ministerraad en het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (hierna : RIZIV) betwisten de ontvankelijkheid van de prejudiciële vraag omdat noch de prejudiciële vraag, noch de verwijzingsbeslissing zouden vermelden welke categorieën van personen met elkaar dienen te worden vergeleken.

B.2.2. Wanneer het Hof wordt gevraagd of een wetskrachtige bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met een grondwettelijke of verdragsrechtelijke bepaling waarin een grondrecht wordt gewaarborgd, moet de categorie van personen van wie dat grondrecht zou zijn geschonden, worden vergeleken met de categorie van personen voor wie dat grondrecht is gewaarborgd.

Te dezen wordt het Hof gevraagd of de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 160 en 161 ervan, met het beginsel van de scheiding der machten en met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De categorie van personen van wie die grondrechten zouden zijn geschonden, dient bijgevolg te worden vergeleken met de categorie van personen voor wie die grondrechten zijn gewaarborgd.

B.2.3. De exceptie wordt verworpen.

B.3.1. Nog volgens de Ministerraad en het RIZIV zou de prejudiciële vraag niet dienstig zijn voor de oplossing van het bodemgeschil vermits noch artikel 73bis, noch artikel 142, § 3, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 van toepassing zouden zijn op dat geschil.

B.3.2. Het staat in de regel aan het rechtscollege dat een prejudiciële vraag aan het Hof stelt, om te oordelen of het antwoord op die vraag nuttig is voor het oplossen van het geschil dat het moet beslechten.

Alleen indien dat klaarblijkelijk niet het geval is, kan het Hof beslissen dat de vraag geen antwoord behoeft.

B.3.3. Uit de prejudiciële vraag en de verwijzingsbeslissing blijkt dat het verwijzende rechtscollege het Hof in essentie ondervraagt over de bevoegdheid van de Kamer van eerste aanleg van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het RIZIV om, na vastgesteld te hebben dat de beslissing van de Leidend ambtenaar van die Dienst nietig is wegens de niet-naleving van een op straffe van verval voorgeschreven termijn, de zaak aan zich te trekken en de aan de zorgverlener verweten inbreuken ten gronde te onderzoeken.

Vermits die beslissing van de Kamer van eerste aanleg voor het verwijzende rechtscollege wordt betwist, is het antwoord op de aan het Hof gestelde vraag nuttig voor de oplossing van het bodemgeschil.

B.3.4. De exceptie wordt verworpen.

Ten aanzien van de vraag tot herformulering van de prejudiciële vraag

B.4.1. De verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege vraagt de artikelen 144 tot 146 van de Grondwet in het onderzoek van de prejudiciële vraag te betrekken, vermits die bepalingen onlosmakelijk verbonden zouden zijn met de in de prejudiciële vraag vermelde artikelen 160 en 161 van de Grondwet.

B.4.2. Het verwijzende rechtscollege ondervraagt het Hof over de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met, onder meer, de artikelen 160 en 161 van de Grondwet.

B.4.3. De partijen vermogen niet de draagwijdte van de door het verwijzende rechtscollege gestelde prejudiciële vraag te wijzigen of te laten wijzigen.

De bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof biedt een partij evenmin de mogelijkheid de grondwetsbepalingen te preciseren waarover de verwijzende rechter een vraag had moeten stellen. Het staat immers niet aan een partij voor het verwijzende rechtscollege om het onderwerp en de omvang van de prejudiciële vraag te bepalen. Het komt aan de verwijzende rechter toe te oordelen welke prejudiciële vragen hij aan het Hof dient te stellen en daarbij de omvang van de saisine te bepalen.

B.4.4. Het voorgaande verhindert het Hof evenwel niet om in zijn onderzoek van de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 160 en 161 van de Grondwet, rekening te houden met de artikelen 144 tot 146 van de Grondwet, in zoverre die grondwetsbepalingen betrekking hebben op de bevoegdheid van de administratieve rechtscolleges.

B.5.1. De verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege vraagt eveneens om in de prejudiciële vraag de verwijzing naar artikel 142, § 3, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 te vervangen door een verwijzing naar artikel 142, §§ 2 en 3, van diezelfde wet.

B.5.2. Het staat niet aan de partijen om de prejudiciële vraag te herformuleren. Zoals vermeld in B.4.3 komt het immers aan de verwijzende rechter toe te oordelen welke prejudiciële vragen hij aan het Hof dient te stellen en daarbij de omvang van de saisine te bepalen.

Ten gronde

B.6.1. Het verwijzende rechtscollege vraagt of de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 160 en 161 ervan, met het beginsel van de scheiding der machten en met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens in de interpretatie dat de Kamer van eerste aanleg van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het RIZIV die, in het kader van een beroep tegen de beslissing van de Leidend ambtenaar op grond van artikel 144, § 2, 2°, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994, de nietigheid van die beslissing vaststelt wegens miskenning van de in artikel 142, § 3 op straffe van verval voorgeschreven termijn, de zaak aan zich kan trekken en de aan de zorgverlener verweten inbreuken ten gronde kan beoordelen.

B.6.2. Uit de verwijzingsbeslissing en uit de stukken van het dossier in het bodemgeschil blijkt dat de Kamer van eerste aanleg van oordeel was dat de beslissing van de Leidend ambtenaar nietig was omdat ze niet was gedagtekend, en die nietigheid niet kon worden verholpen door het aanhalen van extrinsieke elementen, zodat niet meer kon worden vastgesteld dat zijn beslissing was genomen binnen een op straffe van verval voorgeschreven termijn. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die hypothese.

B.7.1. De oprichting van Kamers van eerste aanleg en Kamers van beroep bij de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het RIZIV bij de voormelde wet van 21 december 2006 past in het kader van een evaluatie van de procedure voor het Comité van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het RIZIV, zoals ingevoerd bij de programmawet (II) van 24 december 2002. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat aan die procedure een aantal tekortkomingen werden verweten :

« De vertegenwoordigers van de verschillende beroepscategorieën die zetelen in het Comité stellen vast dat de huidige onderzoeksprocedure van dossiers de vrijwaring van de rechten van de verdediging van de zorgverleners slechts objectief waarborgt. Zij hebben inderdaad het recht, zoals reeds hoger vermeld, om hun schriftelijke verweermiddelen over te maken als antwoord op de door de Dienst omschreven tenlastegelegde grieven. Vervolgens hebben zij de mogelijkheid, wanneer zij dat wensen, om gehoord te worden door twee leden van het Comité, ' auditeurs ' genaamd, om hun verweer verder mondeling toe te lichten.

Deze hoorzitting verloopt in afwezigheid van de ambtenaren-inspecteurs van de Dienst en tijdens de latere debatten voor het Comité neemt de Dienst niet deel aan de totstandkoming van de beslissing.

Deze objectieve waarborgen volstaan echter niet voor de vertegenwoordigers van de zorgverleners. De zorgverlener moet ook nog, subjectief bekeken, het gevoel hebben dat zijn zaak behandeld wordt in alle onafhankelijkheid en onpartijdigheid.

Welnu, zelfs al zijn objectief gezien de leden van het Comité totaal onafhankelijk van de onderzoekers van de Dienst, dan nog kan de indruk ontstaan dat zij daarvan deel uitmaken.

De vertegenwoordigers van de verschillende beroepscategorieën wensen om deze redenen een zeer duidelijk onderscheid te maken tussen de onderzoeks- en beoordelingsfase, en dat de personen die betrokken zijn in de ene en in de andere fase, volledig onafhankelijk zijn van elkaar.

[...]

Het tweede punt van kritiek tegen de huidige procedure is dat de zorgverlener niet het recht heeft om gehoord te worden door het Comité, dat slechts onrechtstreeks wordt ingelicht over de zaak via zijn auditeurs » (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2594/001, pp. 43-44).

B.7.2. Om aan die bezwaren tegemoet te komen, worden de Kamer van eerste aanleg en de Kamer van beroep als administratieve rechtscolleges opgericht en wordt in een procedure voorzien die beoogt de rechten van verdediging te waarborgen. De parlementaire voorbereiding zet hieromtrent uiteen :

« Het ontwerp stelt twee administratieve rechtscolleges in : de Kamer van eerste aanleg, samengesteld uit een magistraat-voorzitter en vier leden; twee leden vertegenwoordigen de verzekeringsinstellingen, en twee andere leden de beroepscategorie van de zorgverlener. Zij zijn allen stemgerechtigd (cfr. artikel 14 van het ontwerp).

In graad van beroep is de Kamer van beroep eveneens samengesteld uit een magistraat-voorzitter en vier leden; twee leden vertegenwoordigen de verzekeringsinstellingen, de twee andere de beroepscategorie van de betrokken zorgverlener. Enkel de magistraat is stemgerechtigd (cfr. artikel 14 van het ontwerp).

[...]

Het mandaat van de voorzitters en de voornoemde leden is onverenigbaar met alle andere mandaten uitgeoefend binnen de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle. De onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van deze rechtscolleges zijn bijgevolg volledig gewaarborgd (cfr. artikel 95).

Wat de rechten van de verdediging betreft, laat het voorgestelde systeem de zorgverlener voortaan toe om te verschijnen in openbare terechtzitting, bijgestaan of vertegenwoordigd door een raadsman van zijn keuze (cfr. artikel 95).

Vanzelfsprekend zijn de beslissingen van deze rechtscolleges gemotiveerd (art. 102). Zij worden uitgesproken in openbare terechtzitting. Bovendien kunnen deze rechtsorganen deskundigen raadplegen aangaande interpretatieproblemen rond de reglementering. De rechten van de verdediging worden nu dus zowel objectief als subjectief gevrijwaard » (ibid., pp. 44-45).

B.8.1. Op grond van artikel 142 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 kunnen zorgverleners, in geval van ten onrechte aangerekende verstrekkingen, naast strafrechtelijke en/of tuchtrechtelijke sancties, verplicht worden tot de terugbetaling van de waarde van die verstrekkingen en/of het betalen van een administratieve geldboete.

B.8.2. De artikelen 143, § 1, en 144, § 2, 1°, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 bevatten inzake de kennisneming van de inbreuken die aan de zorgverleners ten laste kunnen worden gelegd, een bevoegdheidsverdeling tussen de Leidend ambtenaar van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle en de Kamer van eerste aanleg, naar gelang van de aard van de inbreuk die aan een zorgverlener wordt verweten.

B.8.3. Op grond van artikel 144, § 2, 1° en 2°, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 heeft de Kamer van eerste aanleg een dubbele bevoegdheid : zij neemt kennis, enerzijds, van de inbreuken die niet, overeenkomstig artikel 143, § 1, van diezelfde wet, tot de bevoegdheid van de Leidend ambtenaar behoren en, anderzijds, van de beroepen tegen de beslissingen van de Leidend ambtenaar. In de voorliggende zaak is enkel die laatste bevoegdheid aan de orde.

B.8.4. Tegen de beslissingen van de Kamer van eerste aanleg, zowel tegen die welke zijn genomen op grond van artikel 144, § 2, 1°, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 als tegen die welke zijn genomen op grond van artikel 144, § 2, 2°, van diezelfde wet, staat een beroep open bij de Kamer van beroep.

B.9. In geval van ten onrechte aangerekende verstrekkingen kunnen zorgverleners worden verplicht tot terugbetaling van de waarde van die verstrekkingen en/of tot het betalen van een administratieve geldboete. De administratieve geldboeten die de Leidend ambtenaar kan opleggen, zijn strafrechtelijk van aard in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en vallen bijgevolg onder het toepassingsgebied van die bepaling. Daaruit volgt dat aan de zorgverleners aan wie de Leidend ambtenaar een dergelijke geldboete oplegt, het recht op toegang tot een rechter met volle rechtsmacht moet zijn gewaarborgd.

B.10.1. Uit de totstandkoming van de wetgeving waarbij de in B.7 vermelde administratieve rechtscolleges werden opgericht, blijkt dat de wetgever gewild heeft dat zij bij de beoordeling van de aan hen voorgelegde geschillen over volle rechtsmacht beschikken. Dat werd bevestigd bij artikel 2 van de wet van 29 maart 2012 houdende diverse bepalingen (II), dat de in het geding zijnde bepaling als volgt heeft gewijzigd :

« In artikel 144 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994, hersteld bij de wet van 21 december 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1° in § 2, eerste lid, worden de woorden ' nemen kennis van ' vervangen door de woorden ' nemen met volle rechtsmacht kennis van ';

2° een paragraaf 4 wordt ingevoegd luidende :

' § 4. Titel IV van boek II van deel IV van het Gerechtelijk Wetboek is niet van toepassing op de Kamers van eerste aanleg en de Kamers van beroep. ' ».

B.10.2. In de memorie van toelichting van het wetsontwerp die tot die bepaling heeft geleid, werd het volgende gepreciseerd :

« 1° Het betreft een verduidelijking in de tekst dat de kamers van eerste aanleg, net als de kamers van beroep, over een volheid van rechtsmacht beschikken, zowel voor de beroepen tegen de beslissingen van de Leidend ambtenaar, als voor de zaken die rechtstreeks bij hen aanhangig gemaakt worden » (Parl. St., Kamer, 2011-2012, DOC 53-2098/001, p. 61).

Uit de parlementaire voorbereiding blijkt bijgevolg dat die wetswijziging, wat de Kamer van eerste aanleg betreft, enkel de bestaande situatie beoogde te verduidelijken.

B.10.3. De draagwijdte van de toetsing met volle rechtsmacht wordt door de wetgever niet nader gespecifieerd, maar uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de Kamer van eerste aanleg en de Kamer van beroep de hun bij artikel 144 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 toegekende bevoegdheid zo interpreteren dat zij niet enkel beschikken over een vernietigingsbevoegdheid, maar dat zij in voorkomend geval ook een nieuwe beslissing kunnen nemen.

B.11.1. De verwijzende rechter ondervraagt het Hof evenwel niet over die hervormingsbevoegdheid als zodanig maar vraagt of dat artikel 144 niet ongrondwettig is, indien het zo wordt geïnterpreteerd dat de Kamer van eerste aanleg op grond van haar bevoegdheid met volle rechtsmacht een nieuwe beslissing kan nemen, nadat zij heeft vastgesteld dat de beslissing van de Leidend ambtenaar was aangetast door nietigheid, omdat een essentiële vormvereiste niet werd nageleefd, zijnde de dagtekening van de beslissing, en die nietigheid niet meer door extrinsieke elementen kon worden verholpen. Aldus kon niet meer worden bewezen dat de Leidend ambtenaar de in artikel 142, § 3, op straffe van verval voorgeschreven termijn had nageleefd.

B.11.2. In dat verband stelt de verwijzende rechter :

« Terecht werd immers in de bestreden beslissing gezegd dat de datum van een beslissing genomen door de Leidend ambtenaar van wezenlijk belang is, vermits de datum noodzakelijk is om rechtsgevolgen van bepaalde feiten te onderzoeken (verjaringen, vaststellingen e.d.) ».

B.12. De rechterlijke toetsing met volle rechtsmacht houdt in dat de Kamer van eerste aanleg kan nagaan of de beslissing van de Leidend ambtenaar in rechte en in feite verantwoord is en of de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die hij in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, zijn geëerbiedigd.

B.13. De bevoegdheid van de rechter is evenwel ook begrensd door de bevoegdheid van het bestuur (Cass., 16 februari 2007, Arr. Cass., 2007, nrs. 99, 100 en 102). De rechter zou geen nieuwe beslissing in de plaats van die van het bestuur kunnen nemen wanneer deze laatste beslissing is aangetast door nietigheid, wegens het niet naleven van op straffe van verval voorgeschreven termijnen. Door het overschrijden van die termijnen verliest het bestuur immers definitief de mogelijkheid om een bepaalde inbreuk te bestraffen en is de laattijdige beslissing nietig. Indien in een dergelijk geval de rechter, na de nietigheid wegens laattijdigheid te hebben vastgesteld, alsnog beslist de zaak aan zich te trekken en een nieuwe beslissing ten gronde neemt, heeft dit tot gevolg dat via het aanwenden van een rechtsmiddel, de toepassing van de sanctie die het gevolg is van het overschrijden door het bestuur van een op straffe van verval voorgeschreven termijn, ongedaan wordt gemaakt, wat afbreuk doet aan de essentie van vervaltermijnen die in het belang van de rechtsonderhorige zijn opgelegd. Een dergelijke beslissing gaat de grenzen van de toetsing met volle rechtsmacht te buiten, zodat de rechter zich in dit geval tot een vernietiging dient te beperken.

B.14. Uit het bovenstaande volgt dat artikel 144 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 160 en 161 ervan, met het beginsel van de scheiding der machten en met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, indien het zo wordt geïnterpreteerd dat de Kamer van eerste aanleg een nieuwe beslissing ten gronde kan nemen, nadat zij heeft vastgesteld dat de beslissing van de Leidend ambtenaar nietig is wegens niet-naleving van de op straffe van verval voorgeschreven termijnen.

B.15. De toetsing aan het eveneens in de prejudiciële vraag vermelde artikel 16 van de Grondwet is te dezen niet aan de orde. In zoverre de in het geding zijnde bepaling de bevoegdheid regelt van de Kamer van eerste aanleg, is zij vreemd aan de bescherming van het eigendomsrecht die door de voormelde grondwetsbepaling wordt verzekerd.

B.16. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 144 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 160 en 161 ervan, met het beginsel van de scheiding der machten en met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, indien het zo wordt geïnterpreteerd dat de Kamer van eerste aanleg een nieuwe beslissing ten gronde kan nemen, nadat zij heeft vastgesteld dat de beslissing van de Leidend ambtenaar nietig is wegens niet-naleving van de op straffe van verval voorgeschreven termijnen.

Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 8 mei 2014.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

A. Alen

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag over artikel 144 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, gesteld door de Kamer van beroep ingesteld bij de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het RIZIV Sociaal recht

  • Sociale zekerheid

  • Ziekte- en invaliditeitsverzekering

  • RIZIV

  • Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle

  • Kamer van eerste aanleg

  • Vaststelling van nietigheid van de beslissing van de leidend ambtenaar wegens miskenning van een op straffe van verval voorgeschreven termijn

  • Mogelijkheid de zaak aan zich trekken en de aan de zorgverlener verweten inbreuken ten gronde te beoordelen. # Rechten en vrijheden

  • 1. Rechtsbeginselen

  • Scheiding der machten

  • 2. Recht op een eerlijk proces.