- Arrest van 25 oktober 2011

25/10/2011 - 2010AR233

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

1. In beginsel is er geen sprake van belangenschade bij naamleningsovereenkomsten wanneer de tegenpartij die overeenkomst kent of wanneer in het kader van een subrogatieovereenkomst tussen verzekeraar en verzekerde door eerstgenoemde aan laatstgenoemde de machtiging wordt gegeven om onder zijn eigen naam maar voor rekening van eerstgenoemde een verhaalsvordering uit te oefenen.

2. Het verborgen karakter van de naamlening tast dus niet noodzakelijk de geldigheid aan van het optreden van de formele procespartij/procesgemachtigde lasthebber louter onder eigen naam.

3. Dit alles ontslaat de formele procespartij echter niet van het bewijs van haar vorderingsbevoegdheid, van zodra haar tegenpartij die hoedanigheid betwist.


Arrest - Integrale tekst

Nummer:

Zitting van:25 oktober 2011

Eindarrest

Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, TWEEDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen:

In zake: 2010/AR/233

1. H, wonende te ...,

2. P, wonende te ...,

appellanten,

beiden vertegenwoordigd door Mr. COMANS Luc, advocaat te 3500 HASSELT, Kloosterbeekstraat 10

tegen het vonnis gewezen op 30 september 2009 door de Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt

tegen

1. S, wonende te ...,

2. M, wonende te ...,

geïntimeerden,

beiden vertegenwoordigd door Mr. GOVARTS Erwin, advocaat te 3720 KORTESSEM, Hasseltsesteenweg 75

***

1. De feiten

Partijen zijn buren als eigenaars van de woningen te....

Tussen partijen ontstonden er meerdere burengeschillen.

Op initiatief van H-P werd in kort geding op 07/05/1998 een deskundigenonderzoek bevolen. Ir. R. A. werd als gerechtsdeskundige aangesteld.

Tijdens dit deskundigenonderzoek werd tussen partijen op 19/02/1999 een overeenkomst gesloten waarbij S-M zich verbonden een aantal werken uit te voeren binnen een bepaalde termijn en met een controle door de gerechtsdeskundige. Ze kwamen tevens overeen de gerechts- en expertisekosten door de rechter te laten verdelen.

Op 23/06/1999 schreef de gerechtsdeskundige een brief aan partijen waarin hij meldde te hebben vastgesteld dat de door S-M uit te voeren werken conform de overeenkomst van 19/02/1999 waren voltooid.

2. De voorafgaande rechtspleging

2.1. Op 04/07/2006 brachten H en P een dagvaarding uit om te verschijnen voor de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt waarbij ze de veroordeling vorderden van S en van M tot de uitvoering, op straffe van een dwangsom, van een aantal werken, die vermeld stonden in de overeenkomst van 19/02/1999, en die, volgens hen, nog niet uitgevoerd waren, alsook tot de betaling van een mindergenot van euro 2 500,00, provisioneel, tot de gerechtelijke interesten en de gerechtskosten, daarin ook begrepen de kosten van het kort geding en van het deskundigenonderzoek.

In de loop van het geding hebben zij hun eisen gewijzigd dan wel uitgebreid. Zij vorderden het laatst de gedaagden S-M. te veroordelen tot:

- de volledige en deugdelijke uitvoering van de in de overeenkomst A. aangegane verbintenissen, binnen de twee maanden na de uitspraak van het tussen te komen vonnis en dit op straffe van een dwangsom van euro 1 000,00 per dag vertraging, waarbij desnoods de reeds uitgevoerde doch niet deugdelijk uitgevoerde verbintenissen opnieuw zouden moeten worden overgedaan,

- het herstel in natura van de terreinaanvullingen, tot het ophouden van het hinderlijk plaatsen van afval, van het hinderlijk plaatsen van voertuigen en containers, en van het veroorzaken van onredelijke geluidsoverlast, binnen de twee maanden na de uitspraak van het tussen te komen vonnis en dit op straffe van een dwangsom van euro 1 000,00 per dag vertraging,

- de betaling van de som van euro 1 776,88, zijnde de kosten van deskundige A,

- de betaling van de som van euro 2 500,00, provisioneel, vermeerderd met de gerechtelijke interesten vanaf 04/07/2006, wegens mindergenot.

2.2. S en M hebben het gevorderde betwist.

Zij hebben een tegeneis ingesteld. Ze vorderden de veroordeling van H en P tot de betaling van een schadevergoeding van euro 4 500,00 wegens de verkleining van de kelder van hun woning ingevolge een stedenbouwkundig niet vergunde muur van de woning Hollosi.

2.3. Het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 30/09/2009 heeft de oorspronkelijke hoofdeis van H en P ongegrond en de eisuitbreiding onontvankelijk verklaard.

De tegeneis van S-M werd ongegrond verklaard.

Aanleggers op hoofdeis werden veroordeeld tot de gedingkosten.

De eerste rechter oordeelde dat H en P niet bewezen in welke mate de overeengekomen werken niet naar behoren zouden zijn uitgevoerd. De eerste rechter verwees naar de brief van de gerechtsdeskundige van 18/06/1999.

De eerste rechter oordeelde eveneens dat H en P niet aantoonden dat zij de kosten van het deskundigenonderzoek A zelf hadden gedragen. De eerste rechter nam daarbij de bewering van de verweerders in overweging dat H-P werden bijgestaan door een rechtsbijstandverzekeraar.

Van de beweerde bijkomende mistoestanden, die H en P hadden aangevoerd, en het daarmee samenhangend mindergenot, stelde de eerste rechter vast dat deze zich voordeden na de inleiding van het geding en geen verband vertoonden met enig feit dat in de inleidende dagvaarding werd vermeld.

Wat de tegeneis betreft oordeelde de eerste rechter dat het kleiner uitvoeren van de kelder een eigen beslissing was van S-M waarvan de noodzakelijkheid en de onvermijdelijkheid niet is aangetoond.

2.4. H en P, hierna in 't kort H-P genoemd, stelden een hoger beroep in bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 22/01/2010.

De zaak werd behandeld ter terechtzitting van 04/10/2011.

3. De eisen in hoger beroep

3.1. H-P vorderen hun oorspronkelijke eisen bij hervorming van het bestreden vonnis gegrond te verklaren, minstens de nodige onderzoeksmaatregelen te bevelen.

Ze vragen de gedaagden in hoger beroep te verwijzen in de kosten van beide aanleggen.

3.2. S en M, hierna in 't kort S-M genoemd, concluderen tot de afwijzing van het hoger beroep van H-P als onontvankelijk, minstens als ongegrond.

Zij zeggen incidenteel beroep in te stellen en vorderen daarbij de veroordeling van H-P tot de betaling van een schadevergoeding van euro 1 500,00 wegens tergend en roekeloos hoger beroep.

Ze vragen H-P te veroordelen tot de proceskosten in hoger beroep.

4. Beoordeling

Het weren van de conclusie van H-P van 20/09/2011 uit de debatten

4.1. H-P hebben op 20/09/2011 ter griffie van dit hof een "kostennota" neergelegd.

Ter terechtzitting van 04/10/2011 hebben S-M gevorderd dat deze "conclusie" wegens laattijdigheid uit de debatten zouden worden geweerd.

4.2. Het hof heeft in onderhavige zaak door een beschikking van 30/03/2010 met toepassing van art. 747, §2, 3de lid van het Gerechtelijk Wetboek de conclusietermijnen geregeld en een rechtsdag bepaald.

De laatste conclusietermijn voor H-P verstreek op 29/04/2011.

De "'kostennota" van 20/09/2011 bevat niet alleen de omstandige opgave van proceskosten zoals bedoeld in art. 1021 van het Gerechtelijk Wetboek maar formuleert uitdrukkelijk en concreet de eisen in hoger beroep van H-P. Deze eisen waren in het verzoekschrift tot hoger beroep slechts in algemene bewoordingen vermeld. Het betreft in zoverre wel degelijk een conclusie, waaraan haar benaming als "kostennota" niet afdoet.

Rekening houdend met de procedurekalender van 30/03/2010 is deze conclusie laattijdig en moet ze met toepassing van art. 747, §2, 6de lid van het Gerechtelijk Wetboek ambtshalve uit het debat worden geweerd

De (on-)toelaatbaarheid van het hoger beroep

4.3. S-M verzoeken het hoger beroep van H-Pontoelaatbaar te verklaren.

Zij wijzen echter geen gronden aan waarop zij deze exceptie willen laten steunen.

Het hof stelt vast dat het hoger beroep regelmatig is naar vorm en termijn.

H-P hebben ook het vereiste belang om hoger beroep in te stellen vermits hun eisen in eerste aanleg geheel ongegrond werden verklaard en zij werden veroordeeld tot de proceskosten.

Het hoger beroep van H-P is dan ook toelaatbaar.

De (on-)toelaatbaarheid en de (on-)gegrondheid van de eis van H-P tot vergoeding van de kosten van het deskundigenonderzoek.

4.4. In eerste aanleg vorderden H-P de veroordeling van S-M tot de betaling aan hen van een som van euro 1 776,88, zijnde de kosten van het deskundigenonderzoek van R. A.

S-M hebben voor de eerste rechter aangevoerd dat de rechtsbijstandverzekeraar van H-P de kosten van het deskundigenonderzoek betaalde. Zij leidden uit dat, niet betwiste gegeven af dat H-P het belang en de hoedanigheid misten om deze eis in te dienen en besloten tot de ontoelaatbaarheid ("onontvankelijkheid").

In het bestreden vonnis werd de argumentatie van S-M niet gevolgd, ondanks de aanname van de feiten die er aan ten grondslag werden gelegd. De eerste rechter stelde vast dat H-P in de inleidende dagvaarding van 04/07/2006 zich gerechtigd verklaarden op de terugbetaling van de expertisekosten en dat zij op die wijze voorhielden een subjectief recht te hebben waaruit zij de hoedanigheid en het belang konden putten om hun eis in te dienen.

De eerste rechter heeft dan bij de beoordeling over de grond onderzocht of H-P het bewijs leverden van het bestaan van de schade waarvan zij de vergoeding vorderden. Er werd dan geoordeeld dat zij niet voldeden aan hun bewijslast. Er werd aangenomen, zoals S-M voorhielden, dat niet H-P maar hun rechtsbijstandverzekeraar in werkelijkheid de teruggevorderde kosten van het deskundigenonderzoek had gedragen.

De beoordeling van de eerste rechter om deze eis van H-P toelaatbaar te verklaren, is door S-M aangevochten. Zij vorderen dat deze eis van H-P ontoelaatbaar ("onontvankelijk") zou worden verklaard wegens gebrek aan hoedanigheid en belang. Aldus hebben S-M de hervorming van het vonnis van de eerste rechter gevorderd en impliciet doch ondubbelzinnig een incidenteel beroep ingesteld. De bewoordingen in het redengevend deel van hun conclusie in hoger beroep van 25/02/2011 (p. 10) laten er niet de minste twijfel over bestaan dat zij ook deze grief tot voorwerp van hun incidenteel beroep hebben gemaakt.

H-P, van hun kant, vechten de beslissing aan om hun eis ongegrond te verklaren en verzoeken de toewijzing van hun eis.

4.5. H-P betwisten niet dat de thans ingevorderde kosten van het deskundigenonderzoek niet door henzelf maar door hun rechtsbijstandverzekeraar werden betaald.

H-P waren de oorspronkelijke schuldenaars van deze kosten. Na betaling van deze kosten en in het geval van veroordeling van S-M tot de proceskosten van het kort geding, daarin begrepen de kosten van het deskundigenonderzoek, komt aan H-P een verhaalsrecht toe op S-M. Nu deze betaling echter werd verricht door de rechtsbijstandverzekeraar van H-P, wordt deze met toepassing van art. 41, 1ste lid Wet op de landverzekeringsovereenkomst gesubrogeerd in het beweerd verhaalsrecht van H-P. Het beweerd verhaalsrecht bevindt zich dan ook niet meer in het vermogen van de verzekerden H-P maar is overgegaan in het vermogen van de verzekeraar, die in beginsel nog de enige vorderingsgerechtigde is.

H-P hebben desalniettemin op eigen naam de verhaalsvordering ingediend, waartoe ze, op het eerste gezicht, belang noch de hoedanigheid hebben.

H-P voeren evenwel aan dat de rechtspraktijk inhoudt: "... dat het geding steeds op naam van en in naam van de verzekerde gevoerd wordt terwijl de kosten ervan al dan niet door de verzekeraar gedekt worden". Zij houden voor dat hun tegenpartijen S-M vreemd blijven aan de rechtsverhouding tussen henzelf en hun verzekeraar en dat zij er: "... noch voordelen kunnen uit trekken, noch nadelen van kunnen ondervinden".

Het hof begrijpt uit deze bewoordingen van het verzoekschrift tot hoger beroep dat H-P, wat deze eis betreft, bij wijze van naamlening op eigen naam maar voor rekening van hun rechtsbijstandverzekeraar optreden, terwijl zij m.b.t. hun overige eisen op eigen naam en voor eigen rekening vorderen.

Wat deze eis betreft zouden zij dan de formele procespartij zijn, terwijl hun verzekeraar de materiële procespartij zou zijn. Die proceshoedanigheid hebben zij in hun dagvaarding van 04/07/2006 niet vermeld. De identiteit van de verzekeraar is bovendien niet gereveleerd.

4.6. Zoals voormeld betwisten S-M dat H-P het vereiste belang en de hoedanigheid hebben om hun eis in te dienen. Dit verweer in acht genomen behoort het H-P te bewijzen dat zij de vorderingsbevoegdheid hebben om op eigen naam te procederen m.b.t. het verhaalsrecht in kwestie.

Als bron van hun vorderingsbevoegdheid verwijzen zij naar de interne rechtsverhouding tussen henzelf en hun rechtsbijstandverzekeraar. Dit zou er op neerkomen dat de rechtsbijstandverzekeraar hen gemachtigd heeft om op hun naam maar voor zijn rekening het verhaalsrecht uit te oefenen. Deze rechtsband oogt dan als een lastgeving.

Het hof merkt op dat H-P in de inleidende dagvaarding van 04/07/2006, noch in hun verzoekschrift tot hoger beroep bij de vermelding van hun identiteit als gedingpartij kennis hebben gegeven van hun thans beweerde hoedanigheid of procesbevoegdheid.

De formele gedingpartij moet op straffe van nietigheid haar volledige identiteit vermelden met toepassing van art. 43, 2° van het Gerechtelijk Wetboek. Wanneer de proceshoedanigheid van de formele en van de materiële gedingpartij niet in dezelfde persoon verenigd zijn, rijst de vraag of ook de materiële gedingpartij moet worden vermeld. De samenlezing van art. 43, 2°, art 702 en art. 1034ter van het Gerechtelijk Wetboek doet aannemen dat de formele procespartij in dat geval ook haar hoedanigheid van vorderingsgemachtigde moet vermelden op straffe van nietigheid. Dit houdt evenwel nog niet noodzakelijk in dat de volledige identiteit van de lastgever moet worden kenbaar gemaakt. Bovendien leidt een verzuim betreffende deze proceshandeling slechts tot een relatieve nietigheid (art. 861 van het Gerechtelijk Wetboek), m.a.w. slechts in geval de verzwijging de belangen van de tegenpartij schaadt.

In beginsel is er geen sprake van belangenschade bij naamleningsovereenkomsten wanneer de tegenpartij die overeenkomst kent of wanneer in het kader van een subrogatieovereenkomst tussen verzekeraar en verzekerde door eerstgenoemde aan laatstgenoemde de machtiging wordt gegeven om onder zijn eigen naam maar voor rekening van eerstgenoemde een verhaalsvordering uit te oefenen.

Het verborgen karakter van de naamlening tast dus niet noodzakelijk de geldigheid aan van het optreden van de formele procespartij/procesgemachtigde lasthebber louter onder eigen naam.

Dit alles ontslaat de formele procespartij echter niet van het bewijs van haar vorderingsbevoegdheid, van zodra haar tegenpartij die hoedanigheid betwist. Dat bewijs slaat te dezen op de naamlening die H-P willen laten gelden. Het behoort hen het bewijs te leveren dat zij door hun rechtsbijstandverzekeraar gemachtigd zijn om onder hun eigen naam maar voor zijn rekening de verhaalsvordering uit te oefenen.

H-P voldoen niet aan deze bewijslast, noch door de overlegging van een subrogatieovereenkomst of van een subrogatiekwitantie, noch door een naamleningsovereenkomst, noch op enige andere wijze.

4.7. Het hof besluit dat H-P niet hebben aangetoond dat ze de door hen voorgehouden hoedanigheid hebben om de eis tot vergoeding van de kosten van het deskundigenonderzoek rechtsgeldig in te dienen.

Hun eis moest dan ook ontoelaatbaar worden verklaard.

Het incidenteel beroep van S-M is gegrond.

Het hoger beroep van H-P is in dit onderdeel ongegrond.

Uitvoering van de overeenkomst van 19/02/1999.

4.8. Tijdens het deskundigenonderzoek werd tussen partijen op 19/02/1999 een overeenkomst gesloten waarbij S-M zich verbonden een aantal, door gerechtsdeskundige A wel omschreven werken uit te voeren binnen een termijn van één maand (de voeg tussen beide hoofdgebouwen uitgezonderd) en bij te dragen in de kosten van de herstelling van de gevel van het gebouw H-P ten belope van euro 371,84 (15.000- : 40,3399). De gerechtsdeskundige werd aangewezen om de werken na uitvoering te komen vaststellen.

Gerechtsdeskundige A heeft op 23/06/1999 aan partijen geschreven: "...dat de werken, uitgevoerd door partij Smeets, conform de afspraken van de dading d.d. 19.02.1999 voltooid zijn."

In de dagvaarding van 04/07/2006 hebben H-P voorgehouden dat een aantal van de in de overeenkomst van 19/02/1999 bedongen werken niet of niet goed werden uitgevoerd:

- de voeg tussen het schouwmassief van de woning H-P en de spouwmuur van de woning S-M zou niet met PUR-schuim opgespoten zijn,

- het gevelmetselwerk van de scheimuur van de woning S-M dat boven het dak van de woning H-P uitsteekt, zou niet gevoegd zijn,

- de afsluiting tegen de scheiding zou niet geplaatst zijn,

- de aansluiting met klinkers en een afvoer achter de garage en het bakhuis zouden niet uitgevoerd zijn. Het bakhuis zou nog moeten geschilderd worden.

In hun conclusie in eerste aanleg van 10/04/2009, of 10 jaar na de overeenkomst van 19/02/1999 hebben H-P hun aanvankelijke eisen gewijzigd. Zij wreven S-M aan de op 19/02/1999 overeengekomen werken niet goed te hebben uitgevoerd:

- de verhoging van de schouw zou niet deugdelijk en onesthetisch uitgevoerd zijn,

- de mortelresten zouden door S-M niet opgekuist zijn,

- het bijwerken van de kop van de scheidsmuur zou niet deugdelijk geschied zijn zodat de spleet tussen de gebouwen van partijen niet gedicht zou zijn,

- de voegwerken aan de woning S-M zouden niet volledig uitgevoerd zijn wat de aansluiting met de woning H-P betreft.

H-P vorderden dat S-M, op straffe van de verbeurte van een dwangsom, zouden worden veroordeeld tot de volledige en deugdelijke uitvoering van de werken, overeengekomen op 19/02/1999, de zogenaamde overeenkomst A.

S-M hebben deze eis betwist. Zij hielden voor de overeenkomst A van 19/02/1999 correct uitgevoerd te hebben.

In eerste aanleg werd deze eis van H-P ongegrond verklaard bij gebreke van bewijs van de beweerde gebrekkige uitvoering van de overeenkomst A van 19/02/1999 door S-M.

4.9. H-P voeren tegen de beoordeling in eerste aanleg aan dat zij wel aan hun bewijslast voldoen. Tot bewijs verwijzen zij naar de verslagen van architect E.

S-M houden staande dat zij de overeenkomst van 19/02/1999 wel correct en volledig hebben uitgevoerd. Zij verwijzen naar de bevestiging hiervan door gerechtsdeskundige A op 23/06/1999.

Het hof stelt vast dat H-P destijds geen bezwaar hebben geformuleerd tegen de vaststellingen van de gerechtsdeskundige dat de overeengekomen werken werden uitgevoerd conform de afspraken van partijen.

De verslagen van architect Evers zijn louter eenzijdig. H-P tonen bovendien niet aan dat deze, waarvan het eerste slechts dagtekent van 01/10/2002 of 3 jaar na de uitvoering van de werken in kwestie, destijds werden medegedeeld aan S-M. Het is evenmin aangetoond dat H-P in de periode tussen de goedkeuring van de werken door gerechtsdeskundige A bij brief van 23/06/1999 en de dagvaarding van 04/07/2006 S-M in gebreke stelden voor de tekortkomingen die ze hen thans aanwrijven.

Het hof oordeelt, zoals de eerste rechter, dat H-P niet afdoende bewijzen dat S-M de overeenkomst van 19/02/1999 niet deugdelijk of niet volledig uitvoerden.

H-P verzoeken nog wel dat het hof een plaatsbezoek zou bevelen. Zij maken evenwel niet aannemelijk dat het hof ter plaatse nog nuttige vaststellingen zou kunnen doen meer dan 12 jaar na de uitvoering van de werken.

De uitbreiding van de oorspronkelijke eis van H-P.

4.10. H-P hebben hun oorspronkelijke eis in de loop van het geding ook uitgebreid en zij vorderden de veroordeling van S-M, op straffe van de verbeurte van een dwangsom, tot het herstel in natura van terreinaanvullingen en tot het stopzetten van het hinderlijk plaatsen van afval, van voertuigen en van containers.

S-M hebben de toelaatbaarheid van deze uitbreiding van eis betwist.

In eerste aanleg werd deze eisuitbreiding ontoelaatbaar ("onontvankelijk") verklaard met toepassing van art. 807 van het Gerechtelijk Wetboek.

H-P vorderen de hervorming van het bestreden vonnis in dit onderdeel doch formuleren geen enkele grief.

S-M besluiten in dit verband tot de bevestiging van het bestreden vonnis.

Het hof stelt vast dat H-P niet aanwijzen, laat staan aantonen dat de beoordeling in eerste aanleg in feite en/of in rechte onjuist was.

Het hoger beroep van H-P is in dit onderdeel ongegrond.

4.11. H-P hebben hun oorspronkelijke eis in de loop van het geding in eerste aanleg ook uitgebreid met een eis tot veroordeling van S-M tot de betaling van een schadevergoeding wegens mindergenot ten belope van euro 2 500,00.

In eerste aanleg werd ook deze eisuitbreiding ontoelaatbaar ("onontvankelijk") verklaard met toepassing van art. 807 van het Gerechtelijk Wetboek.

H-P vorderen dat minstens die eisuitbreiding toelaatbaar en gegrond zou worden verklaard.

S-M besluiten ook wat dit onderdeel van de eisuitbreiding betreft tot de bevestiging van het bestreden vonnis.

Uit de conclusie van H-P van 10/04/2009, waarin zij hun eis hebben uitgebreid, blijkt dat de gevorderde vergoeding voor mindergenot sloeg op de beweerde schade die zou zijn voortgekomen uit de zogenaamde "pesterijen", te weten het hinderlijk plaatsen van afval, voertuigen en containers.

De eerste rechter heeft dan ook wat dat beweerde mindergenot betreft, terecht beslist tot de ontoelaatbaarheid van de eisuitbreiding, zoals in dezelfde zin werd geoordeeld over de gevorderde maatregelen tot het doen ophouden van de beweerde handelingen die het mindergenot zouden hebben veroorzaakt.

Het hoger beroep van H-P is in dit onderdeel ongegrond.

De tegeneis van S-M wegens tergend en roekeloos hoger beroep van H-P

4.12. S-M vorderen de veroordeling van H-P tot de betaling van een schadevergoeding van euro 1 500,00 wegens tergend en roekeloos hoger beroep.

Ten onrechte noemen S-M deze eis een incidenteel beroep. De eerste rechter heeft zich vanzelfsprekend niet kunnen uitspreken over het tergend en roekeloos karakter van het hoger beroep van H-P. In eerste aanleg werd wel geoordeeld over de tegeneis van S-M tot veroordeling van H-P tot de betaling van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding. De afwijzende beslissing van de eerste rechter is echter door S-M niet aangevochten. Hun actuele eis geldt als een tegeneis in hoger beroep.

4.13. S-M wrijven H-P aan dat zij hoger beroep hebben ingesteld terwijl ieder normaal voorzichtig en bedachtzaam persoon, geplaatst in dezelfde omstandigheden dat niet zou hebben gedaan. Zij noemen het optreden van H-P abnormaal lichtvaardig.

Niettegenstaande het hoger beroep van H-P ongegrond wordt bevonden, stelt het hof vast dat door S-M niet wordt bewezen dat dit hoger beroep werd ingesteld met de bedoeling te schaden. Het is evenmin aangetoond dat H-P wisten of redelijkerwijze moesten weten, zoals een normaal voorzichtig en bedachtzaam persoon dat zou weten, dat hun hoger beroep geen kans op slagen had. Het feit dat hun bewijsvoering faalt naar recht houdt nog niet in dat zij hun recht om hoger beroep in te stellen hebben uitgeoefend op een onrechtmatige wijze die als een rechtsmisbruik zou kunnen worden beschouwd.

De tegeneis van S-M is ongegrond.

5. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak,

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof weert de conclusie van H en P, genoemd "kostennota" en neergelegd op 20/09/2011, uit het debat.

Het hof verklaart het hoger beroep van H en P toelaatbaar doch ongegrond.

Het hof verklaart het incidenteel beroep van S en M toelaatbaar en gegrond m.b.t. de oorspronkelijke door H en P ingediende eis tot terugvordering van de kosten van het deskundigenonderzoek A.

Het hof hervormt het bestreden vonnis in zoverre.

Het hof verklaart de eis van H en P tot terugvordering van de kosten van het deskundigenonderzoek A ontoelaatbaar.

Het hof bevestigt het bestreden vonnis voor het overige.

Het hof verklaart de tegeneis van S en M toelaatbaar doch ongegrond.

Het hof veroordeelt H en P tot de gedingkosten in hoger beroep. Deze kosten bedragen aan de zijde van S en M de rechtsplegingsvergoeding van euro 1 320,00.

Dit arrest werd uitgesproken in openbare terechtzitting van

25 oktober 2011.

waar aanwezig waren:

F. PEETERS Voorzitter

K. VAN HAELST Raadsheer

A. VERHAERT Raadsheer

M. GIJSEMANS Griffier

M. GIJSEMANS A. VERHAERT

K. VAN HAELST F. PEETERS

Vrije woorden

  • Verzekeringen

  • naamlening

  • verborgen karakter

  • vorderingsbevoegdheid

  • bewijs