- Arrest van 4 januari 2011

04/01/2011 - 2008AR665

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De toepassing van artikel 2279 van het Burgerlijk Wetboek vereist een voortdurend en onafgebroken, ongestoord, openbaar en niet dubbelzinnig bezit. De term ‘openbaar' betekent hier ‘openlijk', dat wil zeggen niet heimelijk. Heimelijkheid veronderstelt in hoofde van de bezitter een intentioneel handelen met als doel het verborgen houden van de bezithandelingen ten aanzien van diegenen die er belang bij hebben van die daden kennis te hebben.


Arrest - Integrale tekst

HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL

1e kamer,

A.R. Nr.: 2008/AR/665

zetelend in burgerlijke zaken,

Rep. nr.: 2011/ na beraad, wijst volgend arrest:

INZAKE VAN:

T. H., ...,appellante,

vertegenwoordigd door Mr. VAN DEN BOSSCHE Dirk, advocaat te 1731 ZELLIK, Laarbeeklaan 36 ;

TEGEN:

1. V. V.,

2. V. P.,

geïntimeerden,

beiden vertegenwoordigd door Mr. ZANARDI Johan, advocaat te 1785 MERCHTEM, Kalkovenlaan 75 ;

Artikel 2279 BW. Bezit. Gebreken. Artikel 2229 BW. Draagwijdte van de termen ‘openbaar' en ‘niet-heimelijk'

De toepassing van artikel 2279 van het Burgerlijk Wetboek vereist een voortdurend en onafgebroken, ongestoord, openbaar en niet dubbelzinnig bezit. De term ‘openbaar' betekent hier ‘openlijk', dat wil zeggen niet heimelijk. Heimelijkheid veronderstelt in hoofde van de bezitter een intentioneel handelen met als doel het verborgen houden van de bezithandelingen ten aanzien van diegenen die er belang bij hebben van die daden kennis te hebben.

(...)

2. De feiten

De relevante feiten kunnen weergegeven worden als volgt.

Op 27 januari 1994 stelde de heer F. V. bij authentiek testament voor notaris X met standplaats te Z., zijn nicht mevrouw H. T., huidige appellante, aan tot algemeen legataris.

Op 15 januari 2002 kocht de heer V. bij de Fortisbank een kapitalisatiebon nr. 1090-90173-16875, met vervaldag 1 februari 2007, voor 29.000,00 EUR plus de kosten.

Bij brief gedateerd op 2 oktober 2003, ondertekend door de heer V., werd gevraagd de kasbon te blokkeren. De brief vermeldt geen bestemmeling. Het Nationaal kantoor voor roerende waarden verwijst in zijn brief van 9 oktober 2003, naar "uw verzet van 6 oktober 2003".

Op 4 oktober 2003 overleed de heer V., ongehuwd en zonder afstammelingen.

Op 17 juli 2006 dagvaardde mevrouw T. mevrouw P. tot revindicatie van de kapitalisatiebon.

3. Het onderwerp van de vordering

3.1. Voor de eerste rechter vorderde mevrouw T. de veroordeling van mevrouw P. tot de afgifte van de kasbon met de eraan gehechte coupons, onder verbeurte van een dwangsom van 250,00 EUR per dag vertraging, ondergeschikt de betaling van de tegenwaarde, plus de wettelijke intresten op het nominaal bedrag van de bon als vergoeding voor intrestverlies.

Mevrouw P. concludeerde tot de ongegrondheid van de vordering. Bij tegeneis vorderde zij te zeggen voor recht dat zij eigenaar was.

3.2. De eerste rechter verklaarde de vordering van mevrouw T. ongegrond en de tegenvordering van mevrouw P. gegrond. Hij beval de heropening van de debatten om partijen toe te laten standpunt in te nemen met betrekking tot de begroting van de kosten door mevrouw P..

3.3. In hoger beroep herneemt mevrouw T. haar oorspronkelijke vordering.

Mevrouw P. concludeerde tot de ongegrondheid van het hoger beroep. Na haar overlijden hebben mevrouw V. en de heer V., haar kinderen, het geding hervat.

4. De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen

Mevrouw P. was op de datum van het overlijden van de heer V. in het bezit van de kapitalisatiebon. Mevrouw T. beroept zich (impliciet) op haar rechten als eigenaar als algemeen legataris. Mevrouw V. en de heer V. beroepen zich op artikel 2279, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek ("Voor roerende goederen geldt het bezit als titel"). Ondergeschikt beroepen zij zich zich op een handgift van de heer V. aan mevrouw P..

Slechts het bezit te goeder trouw dat deugdelijk is in de zin van artikel 2229 van het Burgerlijk Wetboek ("om iets door verjaring te verkrijgen, is vereist een voortdurend en onafgebroken, ongestoord, openbaar, niet dubbelzinnig bezit, als eigenaar") leidt tot eigendom overeenkomstig artikel 2279 van het Burgerlijk Wetboek . Het bezit wordt vermoed deugdelijk te zijn . Wie aanvoert dat een bezit aangetast is door gebreken, zoals dubbelzinnigheid of heimelijkheid, draagt daar dus de bewijslast van. Het bewijs van de ondeugdelijkheid van het bezit kan, als materieel feit, gebeuren met alle middelen. De feitenrechter oordeelt soeverein.

Dat het bezit zijn oorsprong heeft in een gift of handgift ontneemt de bezitter niet het recht zich te beroepen op artikel 2279 van het Burgerlijk Wetboek . Het bezit dat te goeder trouw is en regelmatig in de zin van artikel 2279 van het Burgerlijk Wetboek verschaft immers een volwaardige en afdoende titel aan de bezitter-begiftigde . De bezitter kan zich beroepen op artikel 2279 zonder dat hij onmiddellijk de schenking als titel en oorsprong van zijn bezit hoeft in te roepen. De bezitter geniet immers op basis van artikel 2279 het vermoeden een rechtsgeldige titel te bezitten . De bezitter kan dus perfect, zoals mevrouw V. en de heer V. in deze, in hoofdorde artikel 2279 van het Burgerlijk Wetboek aanwenden, en slechts ondergeschikt de handgift.

Uit het algemeen legaat uit het testament van 27 januari 1994, en uit het feit dat de erflater dit nooit heeft herroepen, leidt mevrouw T. af dat het nooit zijn bedoeling kan geweest zijn om de kasbon te schenken aan mevrouw P..

Het testament en de niet herroeping ervan vormen nochtans geen gewichtig vermoeden in de zin van artikel 1353 van het Burgerlijk Wetboek dat de heer V. ook de kasbon aan mevrouw T. wou geven en dat zijn animus donandi ten aanzien van mevrouw P. uitsluit. Door zijn testament van 1994 heeft de erflater zichzelf geenszins het recht ontnomen om tijdens het leven nog daden van beschikking te stellen met betrekking tot zijn goederen, met inbegrip van schenkingen aan diegenen die hij wou begunstigen. Een testament betreft overigens alleen de goederen die de testamentmaker bij zijn overlijden nog nalaat. Het heeft geen invloed op schenkingen onder de levenden die onherroepelijk zijn, behoudens in de gevallen uitdrukkelijk in de wet bepaald (artikelen 953 tot en met 959 van het Burgerlijk Wetboek).

Ook het verzet tegen buitenbezitstelling bij brief gedateerd op 2 oktober 2003 ondertekend door de heer V. vormt geen bewijs of indicatie van een niet deugdelijk bezit van mevrouw P.. De brief dateert van twee dagen voor het overlijden van de heer V.. Hij was toen reeds zeer ernstig ziek, en gebruikte pijnmedicatie. Het lijkt aannemelijk dat hij geen besef had van de inhoud van het door mevrouw T. opgestelde stuk dat hij die dag ondertekende.

Ook het feit dat de heer V. voor de handgift van zijn auto wel een geschreven stuk opstelde en voor de kasbon niet, bewijst geen ondeugdelijkheid van het bezit. Het is niet abnormaal dat mensen aannemen dat de overdracht van een auto papieren vergt (voor de inschrijving en de verzekering) en de overdracht van een kasbon, typevoorbeeld van een effect aan toonder, niet.

Mevrouw T. stelt dat het bezit van mevrouw P. heimelijk was. De toepassing van artikel 2279 van het Burgerlijk Wetboek vereist zoals vermeld een voortdurend en onafgebroken, ongestoord, openbaar en niet dubbelzinnig bezit (artikel 2229 van het Burgerlijk Wetboek). De term ‘openbaar' betekent hier ‘openlijk', dat wil zeggen niet heimelijk . Heimelijkheid veronderstelt in hoofde van de bezitter een intentioneel handelen met als doel het verborgen houden van de bezithandelingen ten aanzien van diegenen die er belang bij hebben van die daden kennis te hebben . De erfgenamen van de vorige of oorspronkelijke bezitter dragen de bewijslast met betrekking tot het heimelijk karakter van het bezit; ook dit bewijs kan met alle rechtsmiddelen worden geleverd .

Mevrouw T. levert niet het bewijs van heimelijkheid; zij bewijst geen handelingen van mevrouw P. die er toe strekten bezitshandelingen verborgen te houden. De door de heer V. ondertekende verklaring van verzet maakt overigens duidelijk dat hij, of minstens mevrouw T., wist dat mevrouw P. de kasbon in bezit had: "een derde heeft bezit genomen van de kasbon en weigert er resoluut afstand van te doen, terwijl er geen enkele reden is dat die persoon in kwestie er recht op heeft" . Ook het feit dat mevrouw P. de kasbon in 2006 aanbood, vormt geen bewijs van heimelijkheid. Uit de vermelde verklaring van verzet blijkt dat zij wellicht wist dat mevrouw T. aanspraak maakte op de kasbon, zodat het aanbieden ervan net heimelijkheid uitsluit.

Mevrouw T. bewijst ook niet dat het bezit van mevrouw P. niet te goeder trouw was. Haar bezit was geheel verzoenbaar met de verhoudingen van de heer V. met haar en met zijn familie.

De eerste rechter heeft dus terecht geoordeeld dat de voorwaarden voor de toepassing van artikel 2279, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek in hoofde van mevrouw P. vervuld waren en dat de revindicatievordering van mevrouw T. ongegrond is.

Gelet op het bovenstaande zijn de middelen met betrekking tot de handgift zonder belang.

5. De kosten

(...)

6. Het beschikkend gedeelte

Op grond van de bovenstaande overwegingen neemt het hof volgende beslissing.

Het hof verklaart het hoger beroep van mevrouw T. ontvankelijk maar ongegrond.(...)

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke terechtzitting van de eerste kamer van het hof van beroep te Brussel op 4 januari 2011.

Waar aanwezig waren:

Mevr. A. De Preester, Kamervoorzitter,

Dhr. E. Janssens de Bisthoven, Raadsheer,

Dhr. M. Debaere, Raadsheer,

Mevr. B. Heymans, Griffier.

Vrije woorden

  • Artikelen 2229 en 2279 BW. Bezit. Gebreken. Draawijdte van de termen openbaar en heimelijk. Inroepen van het bezit en van een gift van hand tot hand. Bezit en het vermoeden van een rechtsgeldige titel.