- Arrest van 18 januari 2011

18/01/2011 - 2007na8

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De kosten voor de brandweer verbonden aan het opkuisen van de openbare weg waar de geteisterde autobus geparkeerd stond maken in casu geen rechtstreekse schade aan private goederen door natuurrampen uit, zoals bedoeld in de Natuurrampenwet van 12 juli 1976 , hetgeen impliceert het bestaan van een oorzakelijk verband zonder verdere tussenschakel tussen het schadeveroorzakend feit en de schade zelf.


Arrest - Integrale tekst

HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL

1e kamer,

A.R. Nr.: 2007/NA/8

zetelend in burgerlijke zaken,

Rep. nr.: 2011/ na beraad, wijst volgend arrest:

INZAKE VAN:

DE VOEGHT A. & CO B.V.B.A., met maatschappelijke zetel te 1910 KAMPENHOUT, Mechelsesteenweg 36, ingeschreven met KBO-nummer 0403.560.184.,

appellante,

vertegenwoordigd door Mr. HENDRICKX loco Mr. DE RAEVE Johny, advocaat te 3520 ZONHOVEN, Spierhoofseweg 3 ;

TEGEN:

De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Federale Minister voor Binnenlandse Zaken, met burelen gevestigd te 1000 BRUSSEL, Leuvensestraat 1 - 3de verdieping,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. VANDENDRIESSCHE loco Mr. VAN BURM Henry, advocaat te 9000 GENT, C. Buyssestraat 12 ;

Natuurramp

De kosten voor de brandweer verbonden aan het opkuisen van de openbare weg waar de geteisterde autobus geparkeerd stond maken in casu geen rechtstreekse schade aan private goederen door natuurrampen uit, zoals bedoeld in art. 1, par. 1, van de Natuurrampenwet, hetgeen impliceert het bestaan van een oorzakelijk verband zonder verdere tussenschakel tussen het schadeveroorzakend feit en de schade zelf

Gelet op de stukken van de rechtspleging, inz.:

Ø het besluit van 29 mei 2007 van het Provinciaal Gouvernement van Vlaams-Brabant, dienst Rampenplanning en hulpverlening;

Ø het verzoekschrift tot hoger beroep, op 6 juli 2007 ter griffie van het hof neergelegd;

Ø de conclusie en verbeterde conclusie van appellante;

Ø de conclusie en syntheseconclusie van geïntimeerde.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 13 december 2010 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

I. Procedure

1. Appellante stelt hoger beroep in tegen het bestreden besluit waarbij beslist werd dat zij slechts tot beloop van 912,38 euro in aanmerking kwam voor een herstelvergoeding in het kader van de wetgeving over natuurrampen.

Appellante vordert in hoofdorde te zeggen voor recht dat aan haar een bedrag van 4.452,36 euro als herstelvergoeding toekomt.

In ondergeschikte orde vraagt appellante een getuigenverhoor te bevelen waarbij expert DE WITTE wordt opgeroepen om te antwoorden op drie nader in de conclusie geciteerde vragen.

Ten slotte vordert appellante haar gerechtskosten.

Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig ingesteld en is ontvankelijk, wat overigens niet betwist wordt.

2. Geïntimeerde besluit in zijn aanvullende en syntheseconclusie tot de gedeeltelijke ongegrondheid van het hoger beroep. De Belgische Staat vraagt voor recht te zeggen dat de bestreden beslissing van de Gouverneur van de Provincie Vlaams-Brabant gedeeltelijk wordt vernietigd, waarbij aan eiseres een maximaal bedrag van 4.353,36 euro als herstelvergoeding, waarvan af te trekken de reeds ontvangen vergoeding t.b.v. 912,38 euro, naar aanleiding van de bij koninklijk besluit van 13 maart 2006 als algemene ramp erkende ‘hevige regenval die heeft plaatsgevonden op 10 en 11 september 2005" wordt toegekend, met afwijzing van al het meergevorderde als ongegrond. De Staat vraagt dan ook voor het overige de aangevochten beslissing van de Provinciegouverneur te bevestigen.

Geïntimeerde vraagt nog te zeggen voor recht dat huidige procedure geen aanleiding geeft tot enige gerechtskost.

II. Relevante feitelijke gegevens

3. Het geschil betreft de schadelijke gevolgen van de bij K.B. van 13 maart 2006 als algemene natuurramp erkende hevige regenval die op 10 en 11 september 2005 in meerdere gemeenten van de provincie Vlaams-Brabant plaatsvond.

Appellante is eigenaar van een autobus van het merk VAN HOOLK, die op 10 september 2005 op de openbare weg te Haacht, beschadigingen heeft ondergaan. Een mandeksel van de riolering in de Stationstraat te Haacht is door de waterdruk van de overvloedige regen omhoog gespoten en tegen de onderzijde van de bus gevlogen terwijl de bus aan zijn halte stilstond.

III. Bespreking

4. Het enige discussiepunt dat thans overblijft betreft de kosten voor interventie van de brandweer te Leuven voor het schoonspuiten van de weg, tot beloop van 99,00 euro.

Appellante beroept zich op een factuur 7012413 d.d. 3 oktober 2005 van de Stad Leuven, met als voorwerp "Reiniging openbare weg - Stationstraat / Don Bosco Instituut Haacht, uitvoering op 10 september 2005, personeelskosten (27 euro) + toeslag weekendpersoneel (27 euro) + dispergeerproduct W 50 (45 euro), totaal 99 euro.

Uit de strafbundel blijkt dat de lokale politie onmiddellijk na het schadegeval vaststelde "dat er schade aan de boit van de bus (is) en al de olie lekt hieruit en loopt de straat op". De brandweer werd bijgevolg ter plaatse gevorderd om deze olie op te ruimen.

Deze kosten werden bij de bestreden beslissing geweigerd op grond van het motief: "Wat betreft de interventiekosten van de brandweer van Leuven voor het schoonspuiten van de weg: zoals reeds vermeld, dit wordt aangezien als onrechtstreeks, en kon dus ook niet in aanmerking komen voor vergoeding".

5. Geïntimeerde partij betwist deze kosten te moeten vergoeden omdat ze geen rechtstreekse schade uitmaken. Zij stelt in besluiten

"De brandweer werd ter plaatse geroepen om de openbare weg te reinigen, ter verwijdering van de uit het voertuig gelopen olie.

Het betreft derhalve geen schade aan het goed van de geteisterde zelf, en komt dus niet voor vergoeding in aanmerking: het is geen rechtstreekse schade in de zin van artikel 1, par. 1, van de wet van 12 juli 1976.

Evenmin kan dit als een kost van bewarende maatregel genomen worden, nu het geen maatregel met een voorlopig karakter is die de eigen schade aan het goed beperkt in de zin van artikel 10, paragraaf 1, 4° a van de wet van 12 juli 1976."

6. Appellante werpt op dat het verongelukte voertuig olie lekte en dat de brandweer deze olie is komen opkuisen. Zonder het ongeval had de bus geen olie gelekt en had de brandweer niet moeten optreden teneinde te voorkomen dat de olie in de riolen zou terechtkomen. Er zou dus een rechtstreeks verband bestaan tussen de natuurramp en de schade.

7. De wet betreffende het herstel van zekere schade veroorzaakt aan private goederen door natuurrampen van 12 juli 1976 bepaalt de voorwaarden tot toekenning van financiële tegemoetkoming van "de rechtstreekse, materiële en zekere schade, aan private lichamelijke goederen, roerende en onroerende, veroorzaakt door (bepaalde natuurrampen)".

De vergoedbare goederen worden onder artikel 4 van de wet nader omschreven.

Artikel 10, § 1, 4°, a) bepaalt dat de berekende herstelvergoeding vermeerderd wordt "met de normale kosten van de bewarende maatregelen en werken met voorlopig karakter, uitgevoerd op kosten van de geteisterde en als nuttig erkend voor het beperken van de schade."

8. De kosten verbonden aan het opkuisen van de openbare weg waar de geteisterde autobus van appellante geparkeerd stond maken geen rechtstreekse schade aan private goederen door natuurrampen uit, zoals bedoeld in art. 1, par. 1, van de Natuurrampenwet, hetgeen impliceert het bestaan van een oorzakelijk verband zonder verdere tussenschakel tussen het schadeveroorzakend feit en de schade zelf .

Deze kosten maken evenmin kosten uit van bewarende maatregelen en werken met voorlopig karakter, uitgevoerd op kosten van de schadelijder, die nuttig waren voor het beperken van de schade aan diens private goederen door natuurrampen.

Deze litigieuze kosten werden dan ook terecht verworpen.

Voor zoveel als nodig stipt het hof aan dat het in ondergeschikte orde gevraagde getuigenverhoor geen nut vertoont voor de oplossing van het geschil zoals thans beperkt.

9. Geïntimeerde stelt terecht dat geen rechtsplegingsvergoeding verschuldigd is. Artikel 55 van de wet van 12 juli 1976 houdt immers een afwijking in op het beginsel dat de in het ongelijk gestelde partij in de gedingkosten wordt vervangen (Vgl. Cass. 1 februari 2010, C.09.0248.N/1, inzake B.S. tegen Clos des Trois Etangs).

De andere gerechtskosten van het hoger beroep worden ten laste gelegd van geïntimeerde.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtsprekende na tegenspraak,

Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en in de volgende mate gegrond.

Hervormt het bestreden besluit en zegt voor recht dat de aan appellante verschuldigde herstelvergoeding naar aanleiding van het schadegeval van 10 september 2005 te Haacht, 4.353,36 euro bedraagt, waarvan af te trekken de reeds ontvangen vergoeding t.b.v. 912,38 euro.

Legt de gerechtskosten van het hoger beroep ten laste van geïntimeerde en begroot deze kosten

- in hoofde van appellante op 186 euro rolrechten en

- in hoofde van geïntimeerde op 0 euro.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke terechtzitting van de eerste kamer van het hof van beroep te Brussel op 18 januari 2011.

Waar aanwezig waren:

Dhr. E. Janssens de Bisthoven, Raadsheer,

Mevr. B. Heymans, Griffier.

B. Heymans E. Janssens de Bisthoven

Vrije woorden

  • Natuurramp. Artikel 10, §1, 4° van de wet van 12 juli 1986. Verband tussen de natuurramp en de schade. Vereiste van rechtstreekse schade. Interventie van de brandweer voor de reinging van de openbare weg om olie van de geteiste autobus op te ruimer.