- Arrest van 25 januari 2011

25/01/2011 - 2006AR3335

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Slechts het bezit te goeder trouw dat deugdelijk is in de zin van artikel 2229 van het Burgerlijk Wetboek leidt tot eigendom overeenkomstig artikel 2279 van het Burgerlijk Wetboek. De term ‘openbaar' in artikel 2229 BW betekent ‘openlijk', dat wil zeggen niet heimelijk. Heimelijkheid veronderstelt in hoofde van de bezitter een intentioneel handelen met als doel het verborgen houden van de bezitshandelingen ten aanzien van diegenen die er belang bij hebben van die daden kennis te hebben. Het feit dat het bezit zijn oorsprong heeft in een gift of handgift ontneemt de bezitter niet het recht zich te beroepen op artikel 2279 BW. De bezitter kan perfect in hoofdorde artikel 2279 BW aanwenden, en slechts ondergeschikt de handgift.


Arrest - Integrale tekst

HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL

1e kamer,

A.R. Nr.: 2006/AR/3335

zetelend in burgerlijke zaken,

Rep. nr.: 2011/ na beraad, wijst volgend arrest:

INZAKE VAN:

J. A.,

appellante,

vertegenwoordigd door Mr. DE COSTER Luc, advocaat te 1190 BRUSSEL, G. Van Haelenlaan 1 ;

TEGEN:

1. X. Y.,

2. X. Z.,

geïntimeerden,

beiden vertegenwoordigd door Mr. VAN CAILLIE Benoit, advocaat te 1200 BRUSSEL, de Broquevillelaan 116 B2 ;

Artikel 2279 BW - Bezit dat leidt tot eigendom. - Vereiste van deugdelijkheidheid van dit bezit, en van goede trouw van de bezitter. Betekenis van het begrip ‘openbaar' aangewend in artikel 2229 BW.

Slechts het bezit te goeder trouw dat deugdelijk is in de zin van artikel 2229 van het Burgerlijk Wetboek leidt tot eigendom overeenkomstig artikel 2279 van het Burgerlijk Wetboek. De term ‘openbaar' in artikel 2229 BW betekent ‘openlijk', dat wil zeggen niet heimelijk. Heimelijkheid veronderstelt in hoofde van de bezitter een intentioneel handelen met als doel het verborgen houden van de bezitshandelingen ten aanzien van diegenen die er belang bij hebben van die daden kennis te hebben.

Het feit dat het bezit zijn oorsprong heeft in een gift of handgift ontneemt de bezitter niet het recht zich te beroepen op artikel 2279 BW.

De bezitter kan perfect in hoofdorde artikel 2279 BW aanwenden, en slechts ondergeschikt de handgift.

1. De procedure

In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 9 oktober 2006.

De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder artikel 24, zijn nageleefd.

Het arrest wordt gewezen na tegenspraak.

Partijen verklaren dat het vonnis werd betekend op 4 januari 2007. Mevrouw J. heeft hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift, neergelegd op de griffie van het hof op 8 december 2006. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.

2. De feiten

De heer en mevrouw X. zijn de kinderen en wettige erfgenamen van de heer G. X., overleden op 8 januari 1993. Hij woonde samen met mevrouw J., met wie hij onverdeeld eigenaar was van een appartement dat zij bewoonden in A...,.

Bij eigenhandig testament van 28 maart 1989 had de heer G. X. de heer en mevrouw X. aangesteld als algemeen legatarissen met de last aan mevrouw J. een bijzonder legaat af te leveren, bestaande uit het vruchtgebruik op (de helft van) het vermelde appartement.

Bij overeenkomst van 17 september 1993 verkochten de heer en mevrouw X. ook de naakte eigendom van hun helft in het appartement aan mevrouw J., voor 650.000 BEF. De authentieke akte werd verleden op 11 januari 1994.

De heer en mevrouw X. stellen dat zij nadien hebben ontdekt dat mevrouw J. zich roerende goederen van hun vader heeft toegeëigend, met name effecten (multibons Kredietbank en Belgische staatslening) die de heer G. X. had gekocht voor 600.000 BEF, en een teruggave van verkeersbelasting van 15.000 BEF. Zij hebben mevrouw J. gedagvaard op 3 januari 2003.

Op 30 juni 1995 legden de heer en mevrouw X. klacht neer tegen onbekenden wegens valse verklaringen. Bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 25 november 2002 werd de strafvordering lastens mevrouw J., vervolgd voor valsheid in geschriften en verduistering, vervallen verklaard wegens verjaring, omdat de onderzoeksdaden na de taalkeuze van mevrouw J. nietig waren wegens schending van de taalwet in gerechtszaken.

3. Het onderwerp van de vordering

3.1. Voor de eerste rechter vorderden de heer en mevrouw X. de veroordeling van mevrouw J. tot het betalen, als schadevergoeding voor verduistering van goederen, van:

-4.957,87 EUR plus de vergoedende intresten daarop vanaf 1 juni 1993,

-9.915,74 EUR plus de vergoedende intresten daarop vanaf 1 oktober 1993,

-371,84 EUR plus de vergoedende intresten daarop vanaf 6 september 1993,

En als morele schadevergoeding:

-1.240,00 EUR, plus de "wettelijke intresten" vanaf 17 september 1993.

Mevrouw J. concludeerde tot de niet-ontvankelijkheid, minstens de ongegrondheid van de vordering. Zij vroeg akte te verlenen van haar tegenvordering, die zij vervolgens formuleerde als een voorbehoud voor het terugvorderen van wat zij had betaald of afgegeven ingevolge de "dading/vereffening-verdeling" van de nalatenschap van de heer G. X..

3.2. De eerste rechter verklaarde de vordering van de heer en mevrouw X. gedeeltelijk gegrond en veroordeelde mevrouw J. tot betaling van het gevorderde, met uitzondering van de vergoeding voor morele schade.

3.3. In hoger beroep herneemt mevrouw J. haar oorspronkelijk verweer; zij herneemt ook haar voorbehoud met betrekking tot een tegenvordering.

De heer en mevrouw X. concluderen tot de ongegrondheid van het hoger beroep.

4. De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen

4.1. De ontvankelijkheid van de vordering

Mevrouw J. werpt op dat de vordering van de heer en mevrouw X. niet ontvankelijk is gelet op de dading met betrekking tot de nalatenschap van de heer G. X. bij overeenkomst van 17 september 1993.

De overeenkomst van 17 september 1993 is de onderhandse overeenkomst tot verkoop van de helft van de naakte eigendom van het appartement. Behalve de gebruikelijke bepalingen van een overeenkomst van verkoop bevat het stuk onderaan, handgeschreven, het volgende (vrij vertaald uit het Frans):

" .. deze som wordt betaald voor slot van alle rekening tussen de verkopers en koopster met betrekking tot de nalatenschap van de heer G. X.. Mevrouw J. verklarende geen kennis te hebben van het bestaan van titels of obligaties toebehorend aan de overledene op de dag van het overlijden".

Terecht oordeelde de eerste rechter dat deze overeenkomst niet kan worden begrepen als betrekking hebbende op de effecten waarvan de heer en mevrouw X. pas nadien hebben vernomen dat hun vader ze had aangekocht. Pas op 22 januari 1994 zijn een aantal roerende goederen verdeeld in aanwezigheid van gerechtsdeurwaarder PLUGERS (aangezocht door mevrouw J.) . De overeenkomst van 17 september 1993 kan dus niet een afsluiting vormen van een verdeling van roerende goederen. Bovendien bevat de geciteerde toevoeging een uitdrukkelijk voorbehoud, met name dat mevrouw J. verklaarde geen weet te hebben van effecten van de erflater. De verklaring van mevrouw J. dat zij geen kennis heeft van effecten kan uiteraard niet aan de heer en mevrouw X. het recht ontzeggen te revindiceren indien nadien blijkt dat de verklaring niet correct is (wat de heer en mevrouw X. voorhouden): een dading die uitdrukkelijk niet betrekking heeft op titels sluit geen latere vordering met betrekking tot titels uit. De opname van dit laatste suggereert overigens dat de heer en mevrouw X. toch zekere vermoedens hadden. Zij hebben inderdaad op 14 oktober 1993 verzet tegen buitenbezitstelling gedaan.

De vordering is dus ontvankelijk.

4.2. De ontvankelijkheid van de vordering

Mevrouw J. werpt op dat geen gebruik kan gemaakt worden van de stukken van het strafdossier lastens haar, omdat de rechtbank van eerste aanleg te Brussel bij vonnis van 25 november 2002 heeft geoordeeld dat alle stukken na de taalkeuze van mevrouw J. nietig zijn wegens inbreuk op de wet taalgebruik in gerechtszaken. Het hof gebruikt deze stukken niet.

Mevrouw J. ontkent niet dat de bedoelde effecten werden aangekocht door de heer G. X. in december 1990, en dat zij ze na het overlijden heeft gerealiseerd. Zij beroept zich op haar bezit overeenkomstig artikel 2230 van het Burgerlijk Wetboek.

Slechts het bezit te goeder trouw dat deugdelijk is in de zin van artikel 2229 van het Burgerlijk Wetboek ("om iets door verjaring te verkrijgen, is vereist een voortdurend en onafgebroken, ongestoord, openbaar, niet dubbelzinnig bezit, als eigenaar") leidt tot eigendom overeenkomstig artikel 2279 van het Burgerlijk Wetboek . De term ‘openbaar' betekent hier ‘openlijk', dat wil zeggen niet heimelijk . Heimelijkheid veronderstelt in hoofde van de bezitter een intentioneel handelen met als doel het verborgen houden van de bezitshandelingen ten aanzien van diegenen die er belang bij hebben van die daden kennis te hebben . Het bezit wordt vermoed deugdelijk te zijn . Wie aanvoert dat een bezit aangetast is door gebreken, zoals dubbelzinnigheid of heimelijkheid, draagt daar dus de bewijslast van . Het bewijs van de ondeugdelijkheid van het bezit kan, als materieel feit, gebeuren met alle middelen. De feitenrechter oordeelt soeverein.

Dat het bezit zijn oorsprong heeft in een gift of handgift ontneemt de bezitter niet het recht zich te beroepen op artikel 2279 van het Burgerlijk Wetboek . Het bezit dat te goeder trouw is en regelmatig in de zin van artikel 2279 van het Burgerlijk Wetboek verschaft immers een volwaardige en afdoende titel aan de bezitter-begiftigde . De bezitter kan zich beroepen op artikel 2279 zonder dat hij onmiddellijk de schenking als titel en oorsprong van zijn bezit hoeft in te roepen. De bezitter geniet immers op basis van artikel 2279 het vermoeden een rechtsgeldige titel te bezitten . De bezitter kan dus perfect, zoals mevrouw J. in deze, in hoofdorde artikel 2279 van het Burgerlijk Wetboek aanwenden, en slechts ondergeschikt de handgift. Het verweer van mevrouw J. is echter wat onduidelijk.

Zij stelt dat de heer G. X. de effecten heeft aangekocht "voor rekening van een derde"; zij lijkt te suggereren dat zij die derde is. Van die aankoop voor rekening van iemand anders dan de heer G. X. levert zij echter geen bewijs.

Mevrouw J. stelt verder dat "men rekening dient te houden met (...) schenking tussen levensgezellen". Dit suggereert dat zij aanvoert dat zij eigenaar is geworden door een schenking, maar dat doet zij niet met zoveel woorden. Er is verder ook geen sprake van een concrete schenking of van een handgift, laat staan van een bewijs ervan.

Mevrouw J. stelt verder dat "men rekening dient te houden met (...) de volmacht van concluante op de kwestieuze bankrekeningen met macht tot beschikken". Zij verduidelijkt niet wat daar dan uit volgt; zij beweert niet, laat staan bewijst, dat zij als lasthebber is opgetreden bij de aankoop en/of dat zij als lasthebber van de heer G. X. de effecten aan zichzelf heeft gegeven (voor zover dat al verzoenbaar zou zijn met de lastgeving).

Blijft dus over het beroep van mevrouw J. op haar bezit.

De heer en mevrouw X. leveren het bewijs dat het bezit van mevrouw J. heimelijk was. Dit volgt zonder meer uit haar verklaring in de overeenkomst van 17 september 1993 dat zij geen kennis had van effecten toebehorend aan de heer G. X. bij zijn overlijden. Mevrouw J. betwist niet dat zij nadien effecten die hij had aangekocht, heeft verzilverd. Indien zij op 17 september 1993 ervan overtuigd was dat zij eigenaar was van effecten die hij had aangekocht, dan had zij dat zonder twijfel op dat ogenblik verklaard. Dit verzwijgen vormde een intentioneel handelen met als doel het verborgen houden van de bezitshandelingen ten aanzien van diegenen die er belang bij hadden van die daden kennis te hebben.

Ten overvloede staat ook vast dat het bezit dubbelzinnig was. Mevrouw J. leefde samen met de heer G. X., en kan de effecten van hem gekregen hebben, maar kan ze zich ook zelf hebben toegeëigend. In dat verband merkt de eerste rechter terecht op dat de heer G. X. in zijn testament wel een regeling heeft getroffen voor het vruchtgebruik op zijn deel van het appartement en de meubelen (hij verklaart dat ze reeds van haar zijn), maar niet voor enig ander roerend goed. Overigens is ook het door mevrouw J. gesuggereerde optreden als lasthebber (voor de koper, de heer G. X.) en voor zichzelf (als ontvanger van de effecten) alleszins niet verzoenbaar met een ondubbelzinnig bezit.

Mevrouw J. betwist niet dat zij een terugbetaling heeft geïnd van 15.000 BEF aan verkeerstaks.

Zij laat gelden dat de heer en mevrouw X. hebben verzaakt aan hun vordering daarover omdat zij dit niet hebben gevorderd als burgerlijke partij in de strafprocedure. De heer en mevrouw X. hebben evenwel uiteraard de vrije keuze om die vordering in te stellen voor de strafrechter of voor de burgerlijke rechter.

Mevrouw J. voert verder aan dat zij zelf de verkeerstaks had betaald. Zij levert daarvan evenwel geen bewijs.

Mevrouw J. voert ten slotte nog aan dat "rekening dient te worden gehouden met de verjaring, enz.", zonder enige verder uitleg of verduidelijking. Indien zij de verjaring bedoelt van de vordering voor de hoofdsom, dan bewijst zij niet dat de heer en mevrouw X. hun vordering hebben ingesteld buiten de termijn van vijf jaar bedoeld in artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek.

Mogelijk doelt zij op de verjaring van de intresten. In de beroepsakte werpt zij inderdaad op dat de intresten verjaard zijn na vijf jaar. Op de vergoedende intresten is artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek evenwel niet van toepassing .

Zoals vermeld vraagt mevrouw J. zoals voor de eerste rechter haar akte te verlenen over haar voorbehoud met betrekking tot een tegenvordering, en die tegenvordering naar de rol te sturen. De vordering die niet is ingesteld kan niet naar de rol worden verwezen. Afgezien van de vraag wat daarvan de betekenis kan zijn, noteert het hof dat mevrouw J. voorbehoud maakt voor het instellen van een tegenvordering.

5. De kosten

(...)

6. Het beschikkend gedeelte

Op grond van de bovenstaande overwegingen neemt het hof volgende beslissing.

Het hof verklaart het hoger beroep van mevrouw J. ontvankelijk maar ongegrond.

(...)

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke terechtzitting van de eerste kamer van het hof van beroep te Brussel op 25 januari 2011.

Waar aanwezig waren:

Mevr. A. De Preester, Kamervoorzitter,

Dhr. E. J. de Bisthoven, Raadsheer,

Dhr. M. Debaere, Raadsheer,

Mevr. B. Heymans, Griffier.

Vrije woorden

  • Bezit. Vereiste van deugdelijkheid. Openbaarheid is van het bezit. Heiemelijkheid van het bezit. Bezit gegrond op een gift.