- Arrest van 22 maart 2011

22/03/2011 - 2008AR1757

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het behoort aan een school die naschoolse opvang organiseert er voor te zorgen dat zij over voldoende personeel beschikt om een adequate controle te kunnen uitoefenen over de groep van kinderen. Eén toezichthouder voor tachtig kinderen is in casu te weinig.


Arrest - Integrale tekst

HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL

1e kamer,

A.R. Nr.: 2008/AR/1757

zetelend in burgerlijke zaken,

Rep. nr.: 2011/ na beraad, wijst volgend arrest:

INZAKE VAN:

1. Mevrouw T. Anne, wonende te..,

2. De heer D. NICK, die het geding hervat, wonende te ....

appellanten,

beiden vertegenwoordigd door Mr. VERGUCHT Peter, advocaat te 1700 DILBEEK, Ninoofsesteenweg 255 ;

TEGEN:

1.

a) De heer C. P. en

b) Mevrouw D. A., beiden

2. Mejuffer C. E., die het geding hervat, wonende te

geïntimeerden,

allen vertegenwoordigd door Mr. COMPERNOLLE Tom loco Mr. VERGELS Kathlien, advocaat te 1070 BRUSSEL, Ninoofsesteenweg 643 ;

3. Het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, gevestigd te 1000 BRUSSEL, Emile jacqmainlaan 20,

4. ETHIAS VERZEKERING, met maatschappelijke zetel te 3500 HASSELT, Prins-Bisschopssingel 73,

derde en vierde geïntimeerde,

beiden vertegenwoordigd door Mr. CHABERT Louis, advocaat te 1082 BRUSSEL, Dr. A. Schweitzerplein 18 ;

4. AG INSURANCE N.V., (voorheen FORTIS AG), met maatschappelijke zetel te 1000 BRUSSEL, Emile Jacqmainlaan 53,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. COMPERNOLLE Tom loco Mr. VERGELS Kathlien, advocaat te 1070 BRUSSEL, Ninoofsesteenweg 643 ;

Het behoort aan een school die naschoolse opvang organiseert er voor te zorgen dat zij over voldoende personeel beschikt om een adequate controle te kunnen uitoefenen over de groep van kinderen. Eén toezichthouder voor tachtig kinderen is in casu te weinig.

Gelet op de procedurestukken:

n het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 3 maart 2008, beslissing die betekend werd op 27 mei 2008;

n het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 27 juni 2008;

n de conclusie van appellanten neergelegd ter griffie op 11 mei 2009;

n de conclusie van geïntimeerden sub 1 en 2 neergelegd ter griffie op 16 juni 2009;

n de syntheseconclusie van geïntimeerden sub 3 en 4 neergelegd ter griffie op 6 augustus 2009.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 1 februari 2011 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en zijn bijgevolg ontvankelijk.

I. Voorwerp van de vorderingen.

1.1. De oorspronkelijke eis van appellante sub 1 - alsdan nog handelende in eigen naam en q.q. - strekte ertoe geïntimeerden sub 1 - alsdan nog handelende in eigen naam en q.q - , 3 en 4 te horen veroordelen in solidum tot betaling van een provisie van (1) 10.000 euro - in conclusie herleid tot 2.000 euro - plus de wettelijke intresten aan haar q.q. en (2) 10.000 euro - in conclusie herleid tot 2.000 euro - plus de wettelijke intresten aan haar in eigen naam.

Nick D. herneemt thans deze vordering in zoverre gesteld door zijn moeder qualitate qua.

Zij vroeg tevens de aanstelling van een deskundige (geneesheer) met een welbepaalde opdracht. Nick D. sluit zich hier ook bij aan.

Geïntimeerden sub 1 vroegen deze vordering onontvankelijk te verklaren wegens verjaring, minstens ongegrond. In ondergeschikte orde vroegen zij de eis te herleiden tot een provisie van 250 euro plus de vergoedende intresten. E. C. - thans geïntimeerde sub 2 - sluit zich hierbij aan.

Geïntimeerden sub 3 en 4 vroegen de vordering eveneens niet ontvankelijk te verklaren minstens ongegrond.

Geïntimeerde sub 5 vroeg de vordering ongegrond te verklaren.

1.2. De eerste rechter heeft (1) de vordering t.a.v. geïntimeerden sub 3 en 4 onontvankelijk verklaard, (2) gezegd voor recht dat de vordering van appellante in eigen naam t.a.v. geïntimeerden sub 1 verjaard was, (3) de vordering van appellante in eigen naam t.a.v. geïntimeerde sub 5 ontvankelijk doch ongegrond verklaard en (4) appellante sub 1 veroordeeld in de gerechtskosten.

1.3. In hoger beroep hernemen appellanten hun oorspronkelijke vordering.

Alle geïntimeerden hernemen eveneens hun verweer zoals gehouden in eerste aanleg.

II. Precedenten.

2.1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis.

2.2. Samengevat komt het hierop neer dat de respectievelijke kinderen van appellante sub 1 en geïntimeerden sub 1 - Nick en E. - op 24 november 2000 aan het spelen waren op de speelplaats van de gemeenschapsschool "De Stadsmus" te Oudergem.

Een aantal kinderen speelden ‘prehistorische mens' en E. had een stok vast in haar handen.

Op een gegeven ogenblik draaide E. met de stok in haar hand rond een paal toen Nick aangelopen kwam en de stok in zijn gezicht kreeg.

Hierbij liep hij verwondingen op aan de twee bovenste snijtanden.

2.3. Het ongeval deed zich voor tijdens de naschoolse opvang waaraan ongeveer 80 kinderen deelnamen met één toezichthouder.

2.4. Fortis is de familiale verzekeraar van geïntimeerden sub 1 en 2 en Ethias is de verzekeraar van de gemeenschapsschool.

III. Bespreking.

3.1. Wat de ontvankelijkheid betreft van de vordering t.a.v. het Gemeenschapsonderwijs:

3.1.1. De vordering werd gericht tegen het Gemeenschapsonderwijs vertegenwoordigd door haar Algemeen Directeur.

Geïntimeerden sub 3 en 4 werpen op dat bij toepassing van artikel 30, §3 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs het gemeenschapsonderwijs in rechte vertegenwoordigd wordt door de Scholengroep en niet door de Algemene Directeur en leidt hieruit af dat de vordering onontvankelijk is.

3.1.2. Het Gemeenschapsonderwijs beschikt over een eigen rechtspersoonlijkheid.

Het feit dat door een eisende partij verkeerdelijk wordt aangegeven welke de organen zijn van deze rechtspersoon tast de rechtsgeldigheid van de vordering niet aan.

Het behoort dan enkel aan deze rechtspersoon aan te geven door welk orgaan hij in rechte wel kan optreden .

3.1.3. Op dit punt wordt het bestreden vonnis hervormd.

3.2. Wat de ontvankelijkheid betreft van de vordering t.a.v. alle geïntimeerden:

3.2.1. Geïntimeerden sub 1, 2 en 3 werpen op dat de vordering minstens verjaard is en zij beroepen zich op artikel 2262bis B.W.

Geïntimeerde sub 4 roept tevens de verjaring in en beroept zich op artikel 34,§2 Wet op de Landverzekeringsovereenkomst.

Beide artikelen bepalen dat alle rechtsvorderingen op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid of alle vorderingen die voortvloeien uit het eigen recht dat de benadeelde heeft krachtens artikel 86 Wet op de Landverzekeringsovereenkomst verjaren na verloop van 5 jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of vanaf het schadeverwekkende feit.

Het schadegeval vond plaats op 24 november 2000 en er werd tot dagvaarding overgegaan bij exploot betekend op 25 augustus 2006.

3.2.2. Appellanten beroepen zich t.a.v. geïntimeerden sub 1,2 en 3 op artikel 2252 B.W. volgens hetwelk de verjaring in principe niet loopt tegen minderjarigen.

T.a.v. geïntimeerde sub 4 beroepen ze zich enerzijds op artikel 35, §1 van de Wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst dat bepaalt dat de verjaring wel loopt tegen minderjarigen, tenzij het een rechtstreekse vordering betreft van de benadeelde zoals bedoeld in artikel 34, §2 van voornoemde wet en anderzijds op artikel 35 van diezelfde wet dat bepaalt dat de verjaring gestuit wordt tot op het ogenblik dat de verzekeraar schriftelijk kennis heeft gegeven van zijn beslissing.

3.2.3. Voor wat de vordering betreft van appellant sub 2 die destijds minderjarig was, dient toepassing gemaakt te worden van de artikelen 2251 en 2252 B.W.

Artikel 2252 B.W. heeft immers als doel o.a. minderjarigen te beschermen tegen mogelijke nalatigheden van hun wettelijke vertegenwoordigers. Het zou inderdaad onbillijk zijn de verjaring te laten lopen tegen degene die in de onmogelijkheid verkeert rechtshandelingen te stellen.

Terecht heeft de eerste rechter dan ook de vordering van appellant sub 2 niet verjaard verklaard in zoverre gericht tegen geïntimeerden sub 1, 2 en 3.

3.2.4. Appellante sub 1 geniet echter (in eigen naam) niet van de voordelen van voornoemde bepalingen.

De vordering van appellante sub 1 is wel verjaard tegen geïntimeerden sub 1, 2 en 3 (= de ouders van E., E. zelf en de school) gezien er meer dan 5 jaar verstreken is tussen de feiten en de dagvaarding en enkel een tijdige dagvaarding de verjaring kan stuiten.

Even terecht heeft de eerste rechter de vordering van appellante sub 1 vervallen verklaard wegens verjaring in zoverre gericht tegen geïntimeerden sub 1 en 3.

Hieraan moet enkel toegevoegd worden dat dit ook geldt t.a.v. geïntimeerde sub 2 (= minderjarige die inmiddels het geding verder zet in eigen naam).

3.2.5. Wat de vordering betreft van appellanten tegen Ethias dient toepassing gemaakt te worden van artikel 35, §2 van de Wet op de Landverzekeringsovereenkomst.

Uit het dossier blijkt dat Ethias bij schrijven van 24 augustus 2005 haar definitief standpunt kenbaar heeft gemaakt zodat de verjaring tot dan rechtsgeldig gestuit werd.

Deze vordering is bijgevolg niet verjaard en op dat punt wordt het bestreden vonnis bevestigd.

3.2.6. Samengevat komt het hierop neer dat de vordering van appellante sub 1 verjaard is in zoverre gericht tegen de ouders C., dochter C. en het Gemeenschapsonderwijs doch niet verjaard is in zoverre gericht tegen Ethias en Fortis.

De vordering van appellant sub 2 is ontvankelijk en bijgevolg niet verjaard in zoverre gericht tegen alle in zake zijnde geïntimeerden.

3.3. Wat de grond van de zaak betreft:

3.3.1. Het dossier bevat enkel de verklaringen van de beide ouders die geen getuigen waren van het ongeval en die dus de versie van hun eigen kinderen weergeven over het gebeuren.

Volgens de moeder van het slachtoffer was E. aan het zwaaien met een stok en sloeg zij in het gezicht van Nick.

Volgens de ouders van E. was zij aan het draaien rond een paal terwijl ze de stok in de andere vasthield, waren twee vriendjes van haar met elkaar aan het praten zonder dat ze aan elkaar aandacht schonken en gebeurde toen die botsing tot verrassing van elkeen.

3.3.2. Het dossier bevat voor het overige geen objectieve gegevens van het ongeval.

Er is evenmin geweten of de schade veroorzaakt werd door de stok of door de impact van de botsing tussen beide kinderen.

Het is ook niet totaal uitgesloten dat de ouders een wat kleurrijkere versie hebben gegeven van de feiten met het oog op het bekomen van een schadevergoeding.

3.3.3. Op grond van deze gegevens staat niet afdoend vast dat E. een objectieve onrechtmatige daad zou hebben begaan waarvoor haar ouders destijds zouden moeten ingestaan hebben.

De vordering van appellant sub 2 in zoverre gericht tegen geïntimeerden sub 1 en 2 en gesteund op de artikelen 1382 e.v. B.W. en artikel 1384, lid 2 B.W. is derhalve ongegrond.

Deze vordering is tevens ongegrond in zoverre gericht tegen geïntimeerde sub 5 die optreedt in haar hoedanigheid van familiale verzekeraar van de ouders C..

Het bestreden vonnis wordt op dat punt bevestigd.

3.3.4. Wat wel vaststaat is dat het schadegeval zich voordeed tijdens de naschoolse opvang waar een 80 - tal kinderen aanwezig waren met welgeteld één toezichthouder .

Met een dergelijk beperkt toezicht is het onmogelijk zo'n grote groep van kinderen onder controle te houden en van tussen te komen daar waar nodig is.

Het behoort aan een school die naschoolse opvang organiseert er voor te zorgen dat zij over voldoende personeel beschikt om een adequate controle te kunnen uitoefenen over een dergelijke groep van kinderen.

Stellen dat een school niet aansprakelijk kan gesteld worden voor het plotse en onverwacht gedrag van een leerling gaat in deze niet op. Er was helemaal geen afdoend toezicht - volgens het dossier stond die ene toezichthouder bovendien niet eens op de speelplaats - wat op zich volstaat om de aansprakelijkheid van de school met zich mee te brengen.

Het Gemeenschapsonderwijs is derhalve aansprakelijk voor het schadegeval op grond van artikel 1382 e.v. B.W. en Ethias is gehouden tot vergoeding over te gaan van de schade die geleden werd door Nick D. zelf.

Het bestreden vonnis wordt op dat punt hervormd.

3.3.5. Vooraleer verder uitspraak te doen ten gronde behoort het een deskundige aan te stellen met als opdracht deze omschreven in het beschikkend gedeelte van huidig arrest.

Gezien er in de conclusie geen duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen de schade die appellante sub 1 vroeg in eigen naam dan wel qualitate qua wordt er in huidige stand van het geding geen provisie toegekend.

3.4. Wat de rechtsplegingsvergoeding betreft:

3.4.1. In deze werd definitief beslist over de vorderingen van appellanten in zoverre gericht tegen geïntimeerden sub 1, sub 2 en sub 5.

Zij begroten terecht de rechtsplegingsvergoeding op 1.100 euro (= basisbedrag) gelet op de omvang van het gevorderde. Na indexatie, van kracht sedert 1 maart 2011, bedraagt dit basisbedrag thans 1.210 euro .

Dit bedrag komt toe aan voornoemde geïntimeerden samen die vertegenwoordigd worden door één en dezelfde raadsman.

OM DEZE REDENEN

HET HOF,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en deels gegrond.

Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Geeft akte aan Nick D. en E. C. dat zij het geding verder zetten in eigen naam.

Bevestigt het bestreden vonnis mits de enkele wijzigingen dat:

- de vorderingen van Nick D. ontvankelijk worden verklaard in zoverre gericht tegen alle geïntimeerden doch ongegrond in zoverre gericht tegen geïntimeerden sub 1, 2 en 5;

- de vordering van Nick D. ontvankelijk en principieel gegrond wordt verklaard in zoverre gericht tegen geïntimeerden sub 3 (=het Gemeenschapsonderwijs) en sub 4 (= Ethias);

- de vordering van Anne T. principieel gegrond wordt verklaard in zoverre gericht tegen geïntimeerde sub 4 (= Ethias).

Vooraleer verder uitspraak te doen ten gronde stelt aan als deskundige

Dokter ENGELS Luc, kabinethoudende te 1800 VILVOORDE, Hendrik I Lei 191 (tel. 02/252.14.65), met als opdracht na partijen te hebben gehoord en na kennis te hebben genomen van alle dienstige stukken:

- Nick D. te onderzoeken;

- De letsels te beschrijven die hij opliep n.a.v. het ongeval van 24 november 2000;

- De periodes en de percentages te bepalen van de eventueel opgelopen tijdelijke arbeidsongeschiktheid;

- Na te gaan of het slachtoffer een blijvende arbeidsongeschiktheid dan wel blijvende invaliditeit heeft opgelopen tengevolge van de opgelopen letsels en de graad hiervan te bepalen;

- Vast te stellen wanneer de letsels geconsolideerd werden;

- De eventuele esthetische schade te bepalen;

- Na te gaan of de opgelopen letsels enige invloed hebben gehad op het verloop van de studies van het slachtoffer.

Voegt hieraan toe dat de deskundige zich desgevallend mag laten bijstaan door specialisten in het vak indien nodig.

Tijdens de installatievergadering zal de deskundige aan partijen een raming geven van de algemene kostprijs van het deskundigenonderzoek, of minstens van de wijze waarop zijn kosten en het ereloon en deze van de eventuele technische raadgevers berekend zullen worden, het redelijk deel bepalen van de provisie dat moet worden vrijgegeven en zal hij een agenda opstellen waarbinnen het voorlopig verslag zal medegedeeld worden alsmede de opmerkingen van partijen en waarop het definitief verslag mag verwacht worden. Een kopij van de terzake ingenomen standpunten zal onverwijld medegedeeld worden aan het hof.

Beveelt appellanten ten titel van provisie een bedrag van 500 euro te consigneren op rekeningnummer BE43 6792 0087 7401 van de griffie bij het hof van beroep te Brussel.

Veroordeelt appellanten in de kosten van hoger beroep in hoofde van geïntimeerden sub 1, 2 en 5, begroot

- in hoofde van appellanten op 186 euro rolrechten + 1.210 euro rechtsplegingsvergoeding en

- in hoofde van alle geïntimeerden op 1.2.10 euro rechtsplegingsvergoeding.

Houdt de beslissing over de andere gerechtskosten aan.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke terechtzitting van de eerste kamer van het hof van beroep te Brussel op 22 maart 2011.

Waar aanwezig waren:

Mevr. A. De Preester, Kamervoorzitter,

Dhr. E. Janssens de Bisthoven, Raadsheer,

Dhr. M. Debaere, Raadsheer,

Mevr. B. Heymans, Griffier.

B. Heymans M. Debaere

E. Janssens de Bisthoven A. De Preester

Vrije woorden

  • I. Naschoolse opvang. Gemeenschapsonderwijs. Vereiste van voldoende toezicht op de kinderen. Een kind zwaait met een stok en beschadigt een ander kind. II. Artikel 703 Ger. W. Wijze van dagvaarden van het gemeenschapsonderwijs. III. Ratio legis van artikel 2252 BW inzake de schorsing van de verjaring die niet loopt tegen minderjarigen.