- Arrest van 5 april 2011

05/04/2011 - 2009AR3335

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Artikel 1057, 7°, 1e lid Ger.W. bepaalt dat het hoger beroep op straffe van nietigheid de uiteenzetting van de grieven moet vermelden. Dit houdt in dat appellant moet aangeven welke grieven hij heeft tegen het aangevochten vonnis en op welke feitelijke of juridische gronden deze grieven berusten. Een gedetailleerde uiteenzetting van de grieven is niet vereist doch de aangevoerde grieven moeten specifiek zijn, voldoende duidelijk en nauwkeurig. Het doel hiervan is dat (1) de gedaagde in hoger beroep daaruit met zekerheid moet kunnen afleiden om welke redenen appellant de beslissing van de eerste rechter aanvecht zodat hij zich naar behoren kan verweren en (2) de appelrechter in staat moet zijn de draagwijdte van de ingeroepen grieven te beoordelen, zodat een contradictoir debat over de grond van de zaak zo vlug als mogelijk kan aangevat worden.


Arrest - Integrale tekst

HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL

1e kamer,

A.R. Nr.: 2009/AR/3335

zetelend in burgerlijke zaken,

Rep. nr.: 2011/ na beraad, wijst volgend arrest:

INZAKE VAN:

Mijnheer X

appellant,

verschijnend in persoon ;

TEGEN:

Mevrouw Y.

GERECHTELIJKE VERDELING. AKTE VAN HOGER BEROEP. VERPLICHTE VERMELDINGEN . UITEENZETTING VAN DE GRIEVEN OP SANCTIE VAN NIETIGHEID VAN DE AKTE VAN HOGER BEROEP.

Artikel 1057, 7°, 1e lid Ger.W. bepaalt dat het hoger beroep op straffe van nietigheid de uiteenzetting van de grieven moet vermelden. Dit houdt in dat appellant moet aangeven welke grieven hij heeft tegen het aangevochten vonnis en op welke feitelijke of juridische gronden deze grieven berusten. Een gedetailleerde uiteenzetting van de grieven is niet vereist doch de aangevoerde grieven moeten specifiek zijn, voldoende duidelijk en nauwkeurig. Het doel hiervan is dat (1) de gedaagde in hoger beroep daaruit met zekerheid moet kunnen afleiden om welke redenen appellant de beslissing van de eerste rechter aanvecht zodat hij zich naar behoren kan verweren en (2) de appelrechter in staat moet zijn de draagwijdte van de ingeroepen grieven te beoordelen, zodat een contradictoir debat over de grond van de zaak zo vlug als mogelijk kan aangevat worden.

Gelet op de procedurestukken:

n het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 6 oktober 2009, beslissing die betekend werd op 18 november 2009;

n het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 18 december 2009;

n de syntheseconclusie van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 29 december 2010.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 14 februari 2011 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

I. Voorwerp van de vorderingen.

1.1. De oorspronkelijke eis van geïntimeerde strekte ertoe (1) te horen bevelen dat de operaties van uit onverdeeldheidtreding en de vereffening en verdeling van de onverdeeldheid tussen haar en huidige appellant zouden worden uitgevoerd, (2) een notaris te horen aanstellen belast met voornoemde operaties, (3) te horen zeggen voor recht dat deze notaris o.a. belast zal worden aan de NV BANK Z. op grond van het tussen te komen vonnis alle nodige instructies te geven met het oog op de verdeling van de vermogens ingeschreven in de boeken op de gemeenschappelijke naam van beide partijen, waarvan 93,24472% in haar voordeel en 6,75528% in het voordeel van huidige appellant, met dien verstande dat de titels die uit een gelijkaardige serie van titels afkomstig zijn en die niet zouden kunnen verdeeld worden op grond van voornoemde verdeelsleutel, door de NV BANK Z. op instructie van de notaris zullen verkocht worden, zodat de prijs van de verkoop vervolgens zou kunnen verdeeld worden tussen hen op grond van diezelfde verdeelsleutel en (4) een tweede notaris te horen aanstellen om de afwezige of weerspannige partij te vertegenwoordigen.

Bij conclusie vroeg geïntimeerde om appellant tevens te veroordelen tot betaling van een bedrag van 134.539,38 euro plus de intresten vanaf 5 november 2003, datum van de ingebrekestelling.

1.2. De eerste rechter heeft deze vorderingen ontvankelijk en gegrond verklaard en de heer M. aangesteld als instrumenterende notaris en de heer V. aangesteld als notaris belast met de bevoegdheden voorzien in artikel 1209, lid 3 Ger.W.

1.3. Het hoger beroep van appellant beoogt "de kalender voor deze zaak te doen wachten".

1.4. Geïntimeerde vraagt (1) in hoofdorde het hoger beroep nietig te verklaren en (2) in ondergeschikte orde de bevestiging van het bestreden vonnis.

II. Precedenten.

2.1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis.

2.2. Samengevat komt het hierop neer dat partijen op 3 april 1993 in het huwelijk zijn getreden.

Op 16 augustus 2007 heeft geïntimeerde een procedure tot echtscheiding ingeleid wegens grove beledigingen vanwege appellant.

De echtscheiding zou op heden nog niet zijn uitgesproken.

2.3. Partijen zijn gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen.

Op grond van artikel 1 van het huwelijkscontract behoudt elke echtgenoot de exclusieve eigendom van de goederen die hij op het ogenblik van het aangaan van het huwelijk bezat en van alle goederen die hij mocht verkrijgen, onder welke titel ook, o.a. bij wijze van schenking, erfenis of besparingen op zijn inkomsten, na deelname in de lasten van het huwelijk.

2.4. Op basis van dit artikel komt geïntimeerde tot de gevorderde verdeelsleutel (= 93,24472% in haar voordeel en 6,75528% ten voordele van appellant) wat de gelden betreft die op een rekening staan, geopend op naam van hen beiden.

Appellant was verder nog eigenaar van een onroerend goed - gelegen te Zaventem - samen met zijn drie broers. Hij kocht de aandelen van zijn broers over met gelden (= 110.064,72 euro ) die afkomstig zouden zijn uit schenkingen aan geïntimeerde vanwege haar ouders en grootouders.

Appellant zou tevens eigen gelden (= 24.474,65 euro ) van geïntimeerde aangewend hebben voor het uitvoeren van verbetering - en aanpassingswerken aan voornoemd onroerend goed, dat eigen is.

III. Discussie.

3.1. Geïntimeerde roept in hoofdorde en voor elk ander rechtsmiddel de nietigheid in van het verzoekschrift in hoger beroep.

Zij beweert dat het beroepsverzoekschrift niet beantwoordt aan de vereiste gesteld in artikel 1057, 7°, 1e lid Ger.W., met name dat dit verzoekschrift geen uiteenzetting der grieven bevat tegen het bestreden vonnis.

In voormeld verzoekschrift staat vermeld: "Neem akte dat ik de 30 november 2009 klacht bij de Politie tegen dat stukken (zie in bijlage) heeft neergelegd. Dus kalender voor deze zaak moet wachten. Normaal gezien moest dit door BJ.B. gedaan worden maar ik van haar negatieve antwoord heb gekregen. Dus doe ik dat zelf." (= letterlijke overname van de tekst).

3.2. Artikel 1057, 7°, 1e lid Ger.W. bepaalt dat het hoger beroep op straffe van nietigheid de uiteenzetting van de grieven moet vermelden.

Dit houdt in dat appellant moet aangeven welke grieven hij heeft tegen het aangevochten vonnis en op welke feitelijke of juridische gronden deze grieven berusten.

Een gedetailleerde uiteenzetting van de grieven is niet vereist doch de aangevoerde grieven moeten specifiek zijn, voldoende duidelijk en nauwkeurig.

3.3. Het doel hiervan is dat (1) de gedaagde in hoger beroep daaruit met zekerheid moet kunnen afleiden om welke redenen appellant de beslissing van de eerste rechter aanvecht zodat hij zich naar behoren kan verweren en (2) de appelrechter in staat moet zijn de draagwijdte van de ingeroepen grieven te beoordelen, zodat een contradictoir debat over de grond van de zaak zo vlug als mogelijk kan aangevat worden.

3.4. In deze dient vastgesteld te worden dat het door appellant neergelegde verzoekschrift in hoger beroep geen enkele grief bevat tegen het bestreden vonnis.

3.5. Hieruit volgt dat geïntimeerde zich in de onmogelijkheid bevindt om zich naar behoren te kunnen verweren gezien uit niets kan afgeleid worden omwille van welke gronden appellant zich gegriefd acht door het bestreden vonnis.

De mogelijkheid tot vlugge afhandeling van het hoger beroep, eventueel op de inleidende zitting, werd bovendien aan geïntimeerde ontnomen.

Ook het hof wordt in het ongewisse gelaten op welke grond appellant zich steunt om een hervorming te vragen van het bestreden vonnis waardoor een snelle afhandeling van de zaak in hoger beroep onmogelijk wordt.

Volledigheidshalve wordt hierbij opgemerkt dat appellant in eerste aanleg geen conclusie heeft neergelegd noch stukken en evenmin verschenen is bij de behandeling van de zaak ten gronde wat het één en ander nog onduidelijker maakt.

3.6. Het door appellant neergelegde verzoekschrift is bijgevolg nietig.

3.7. Geïntimeerde begroot de rechtsplegingsvergoeding op 5.000 euro wat het basisbedrag is gelet op de omvang van het gevorderde (= schaal tussen 100.000,01 euro en 250.000 euro ). Ingevolge indexering van kracht sedert 1 maart 2011 wordt dat 5.500 euro .

Dit bedrag komt toe aan geïntimeerde als de in het gelijk gestelde partij.

OM DEZE REDENEN

HET HOF,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken,

Verklaart het verzoekschrift in hoger beroep nietig.

Veroordeelt appellant in de kosten van hoger beroep, begroot

- in hoofde van appellant op 186 euro rolrechten + 5.500 euro rechtsplegingsvergoeding en

- in hoofde van geïntimeerde op 5.500 euro rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke terechtzitting van de eerste kamer van het hof van beroep te Brussel op 5 april 2011.

Waar aanwezig waren:

Mevr. A. De Preester, Kamervoorzitter,

Dhr. E. Janssens de Bisthoven, Raadsheer,

Dhr. P. Vandermotten, Raadsheer,

Mevr. B. Heymans, Griffier.

Vrije woorden

  • Hoger beroep. Akte van hoger beroep. Vermelding van de grieven op straffe van nietigheid. Begrip 'grieven'. Artikel 1057, 7° Ger. W.