- Arrest van 12 april 2011

12/04/2011 - 2008AR2716

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Wanneer in een ascendentenverdeling bij schenking een voorkooprecht wordt bedongen ten voordele van elk van de medebegiftigden onderling, kan eruit in een concreet geval afgeleid worden dat het voorkooprecht overeind blijft na overlijden van een van de medebegiftigden. In die optiek is er dus een passieve overdraagbaarheid van het bedongen voorkooprecht, bij het overlijden één hunner, op zijn erfgenamen zolang een andere medebegiftigde-schuldeiser in leven is.

De verjaring van de vordering wegens de miskenning van een conventioneel voorkooprecht met betrekking tot een landbouwgrond is onderworpen aan de gemeenrechtelijke verjaringstermijn, en niet aan de bijzondere verjaringstermijn wegens miskenning van het wettelijk voorkooprecht van de pachter.


Arrest - Integrale tekst

HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL

1e kamer,

A.R. Nr.: 2008/AR/2716

zetelend in burgerlijke zaken,

Rep. nr.: 2011/ na beraad, wijst volgend arrest:

INZAKE VAN:

1. A. Maria, wonende

2. B. Jan, wonende

3. B. Ann, wonende

4. B. Veerle, wonende

appellanten,

allen vertegenwoordigd door Mr. VERHAEREN Brigitta, advocaat te 1820 S., Braambos 4 ;

TEGEN:

B. Edmond en zijn echtgenote N. Godelieve, beiden wonende

geïntimeerden,

beiden vertegenwoordigd door Mr. TOBBACK Wim, advocaat te 3000 LEUVEN, Vaartstraat 22/03 ;

***************************

ASCENDENTENVERDELING BIJ SCHENKING. BEDING VAN EEN CONVENTIONEEL VOORKOOPRECHT VOOR ELK VAN DE MEDEBEGIFTIGDEN. PASSIEVE OVERDRAAGBAARHEID VAN HET VOOKOOPRECHT BIJ OVERLIJDEN VAN EEN MEDEBEGIFTIGDE. VERJARING. BEGROTING VAN DE SCHADE BIJ MISKENNING VAN HET CONVENTIONEEL VOORKOOPRECHT

Wanneer in een ascendentenverdeling bij schenking een voorkooprecht wordt bedongen ten voordele van elk van de medebegiftigden onderling, kan eruit in een concreet geval afgeleid worden dat het voorkooprecht overeind blijft na overlijden van een van de medebegiftigden. In die optiek is er dus een passieve overdraagbaarheid van het bedongen voorkooprecht, bij het overlijden één hunner, op zijn erfgenamen zolang een andere medebegiftigde-schuldeiser in leven is.

De verjaring van de vordering wegens de miskenning van een conventioneel voorkooprecht met betrekking tot een landbouwgrond is onderworpen aan de gemeenrechtelijke verjaringstermijn, en niet aan de bijzondere verjaringstermijn wegens miskenning van het wettelijk voorkooprecht van de pachter.

Gelet op de stukken van de rechtspleging, inz.:

- het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven (7de kamer), op tegenspraak uitgesproken op 24 juni 2008, waarvan geen betekening wordt voorgelegd;

- het verzoekschrift tot hoger beroep, op 24 oktober 2008 ter griffie van het hof neergelegd;

- de conclusie van appellanten;

- de conclusie en syntheseconclusie van geïntimeerden.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzittingen van 1 maart 2011 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

I. Procedure

1. Appellante stelt hoger beroep in tegen het bestreden vonnis dat de oorspronkelijke vordering van geïntimeerden tegen appellanten deels gegrond verklaart en appellanten veroordeelt om aan geïntimeerden een schadevergoeding van 7.761,00 euro te betalen, plus vergoedende interest aan de wettelijke rentevoet vanaf 24 maart 2004.

Het bestreden vonnis verklaart bovendien dezelfde vordering van geïntimeerden ongegrond in zover tegen Ronald P. en Rosa K. gericht en de tegenvordering van deze laatste partijen tegen geïntimeerden ongegrond.

De kosten in hoofde van Ronald P. en Rosa K. worden ten laste van geïntimeerden gelegd en de overige kosten ten laste van appellanten.

2. Voor het hof vorderen appellanten met de hervorming van de bestreden beschikking, de oorspronkelijke vordering van Godelieve N. onontvankelijk en de vordering van Edmond B. verjaard, minstens ongegrond te verklaren en geïntimeerden te veroordelen tot alle gerechtskosten.

Het hoger beroep werd regelmatig en tijdig ingesteld en is ontvankelijk.

3. Geïntimeerden besluiten tot de ongegrondheid van het hoger beroep en vorderen hun gerechtskosten voor het hof, inclusief de rechtsplegingsvergoeding begroot op 1.200 euro.

II. Relevante feitelijke gegevens

4. Augustinus B., testamentloos overleden op 13 augustus 1989, en Maria P., ook testamentloos overleden op 9 juni 1978, landbouwers, waren gehuwd onder het stelsel van de algehele gemeenschap blijkens huwelijkcontract van 4 juli 1928. Zij bezaten een hoeve en verscheidene percelen landbouwgrond en weide.

Zij hadden drie kinderen: Jan B., Edmond B. en Florentina B..

5. Bij akte van 23 juli 1964, verleden voor notaris Paul Hollanders de Ouderaen te Leuven, schonken zij hun onroerende goederen aan hun kinderen.

Bij een eerste bewerking deed Augustinus B. schenking van de volle eigendom van de hoeve aan zijn oudste zoon Jan B.. Deze hoeve was een eigen goed van Augustinus B.. De schenking werd gedaan onder last een oplegsom onmiddellijk te betalen aan zijn broer en zijn zuster, van elk 150.000 BEF, waarvan kwijting in de akte, en onder last van het gebruik voor de beide schenkers en de langstlevende hunner, van enkele kamers enz.

Bij een tweede bewerking deden de twee ouders aan hun drie kinderen "ten titel van ouderlijke verdeling":

· aan Jan B., van de naakte eigendom van een perceel grond te Buken en een perceel weide te V.;

· aan Edmond B., van de naakte eigendom van onroerende goederen gelegen te V.;

· aan Florentina B., van de naakte eigendom van onroerende goederen gelegen te V..

Het geschil betreft het perceel land en weide, gekadastreerd te H., voorheen V., wijk C, nummers 55a en 57a, voor een oppervlakte van 1 hectare, 94 aren, 13 (of 81) centiaren, perceel dat voor de helft in naakte eigendom geschonken werd aan Jan B. en voor de andere helft in naakte eigendom aan Edmond B..

Deze gift werd gedaan op last voor de begiftigden (1) om aan de schenkers of de laatstlevenden onder hen het levenslange vruchtgebruik te laten en (2) op last om de hun geschonken goederen gedurende het leven van één der schenkers niet te verkopen, en in geval van latere voortverkoop de voorkeur tot aankoop, bij gelijke prijs, te geven aan de medebegiftigden.

6. Jan B. overleed op 21 april 1996 en liet als erfgenamen na zijn vrouw, mevrouw Maria A., en zijn kinderen Jan, Ann en Veerle B.. De weduwe werd voor ¼ volle eigenaar en voor ¾ vruchtgebruikster van het litigieuze perceel en elk kind werd voor ¼ naakte eigenaar.

7. Appellanten verkochten het perceel bij onderhandse akte van 24 oktober 2003 en notariële akte van 24 maart 2004, verleden voor notaris Z. te S., aan de oorspronkelijke medeverweerders P. - K., voor de prijs van 38.808,00 euro. Het goed werd niet vooraf te koop aangeboden aan de geïntimeerden, wat het voorwerp van het geschil uitmaakt.

8. Geïntimeerden hebben bij exploot van 2 augustus 2006 gedagvaard in vernietiging van de verkoop aan P. - K. en in veroordeling van de huidige appellanten tot verkoop aan geïntimeerden van ditzelfde stuk grond; ondergeschikt vorderden zij 7.761 euro schadevergoeding, hetzij 20 % van de verkoopprijs.

Rekening houdend met de rechten van de kopers P. - K., die vermoed worden te goeder trouw te hebben gehandeld, en gelet op het uitblijven van bewijs dat zij enige kennis zouden hebben gehad van het voorkeursrecht van geïntimeerden heeft de eerste rechter de vordering tot herstel in natura (nietigverklaring van de koop en verplichte verkoop aan geïntimeerden) afgewezen.

De eerste rechter kende een schadevergoeding toe gelijk aan 20 % van de verkoopprijs, in billijkheid begroot, naar analogie met de regels in de Pachtwet bepaald, nu het hier ook om een landbouwgrond gaat.

III. Bespreking

1°. De vordering ingesteld door mevrouw Godelieve N.

9. De oorspronkelijke vordering tot herstel in natura, minstens tot schadevergoeding werd aldus ingesteld zowel op naam van zowel Edmond B., begiftigde van de schenkingakte van 23 juli 1964, als van zijn echtgenote, mevrouw Godelieve N..

Appellanten hebben voor de eerste rechter besloten tot de niet-ontvankelijkheid (bij gebrek aan belang of hoedanigheid) van de vordering in zover als door mevrouw Godelieve N. ingesteld, minstens tot de ongegrondheid ervan.

De eerste rechter verklaarde de vordering van Godelieve N. wel ontvankelijk en, in de mate als hierboven uiteengezet, gegrond.

10. Voor het hof blijven appellanten de ontvankelijkheid van de vordering in zover als door mevrouw Godelieve N. ingesteld, betwisten. Zij stellen dat Godelieve N. in de schenkingakte van 23 juli 1964 geen medebegiftigde was en dat zij bij gevolg geen vorderingsrecht heeft bij eventuele schending van het voorkooprecht. Zij bewijst geen eigen belang om de vordering in te stellen.

11. Godelieve N. geeft in conclusie toe dat zij "geen rechtstreekse begunstigde" van de schenking is maar werpt op dat geïntimeerden onder het stelsel van gemeenschap van goederen zijn gehuwd (zie huwelijkcontract van 21 april 1961) en dat zij dan ook een eigen belang heeft bij het al dan niet verwerven van een onroerend goed en / of het bekomen van schadevergoeding gelet op de pecuniaire gevolgen voor de huwgemeenschap.

12. De eerste rechter oordeelde terecht dat de procespartij die voorhoudt titularis te zijn van een subjectief recht, hoedanigheid en belang heeft om de vordering in te stellen, ook al wordt dit recht betwist nu het onderzoek naar het bestaan of de draagwijdte van het subjectief recht dat wordt ingeroepen, niet de ontvankelijkheid maar de gegrondheid van de vordering betreft .

Appellanten betwisten precies dat Godelieve N. titularis zou zijn van enig eigen subjectief recht nu zij vreemd is aan de schenkingakte van 23 juli 1964. Deze discussie raakt de grond van de zaak en niet de ontvankelijkheid van de vordering van tweede geïntimeerde.

Godelieve N. heeft bovendien een zeker belang bij de al of niet uitvoering van het conventionele voorkooprecht ten nadele van haar echtgenoot Edmond B., al was het maar omdat vruchten van eigen goederen in hun wettelijke gemeenschap vallen.

Deze exceptie van niet-ontvankelijkheid is ongegrond.

13. Godelieve N. is alleszins geen titularis van het conventionele voorkooprecht dat een eigen goed van haar echtgenoot is. Zij bewijst geen eigen nadeel ingevolge het niet aanbieden van het conventionele voorkooprecht. Haar vordering tot uitvoering van deze last is dus ongegrond.

Op dit punt is het hoger beroep gegrond.

2°. Exceptie van verjaring

14. Volgens appellanten werd de vordering op 4 augustus 2006 laattijdig ingesteld en moet zij verjaard worden verklaard.

Appellanten beroepen zich op de verjaringstermijn van twee jaar vanaf de overschrijving van de verkoopakte op het hypotheekkantoor te Leuven d.d. 1 april 2004, zoals bepaald bij artikel 51, vierde lid, van de Pachtwet en het decreet d.d. 21 oktober 1997 van het Vlaamse Gewest betreffende het natuurbehoud en het natuurmilieu . Deze termijn zou immers naar analogie van toepassing zijn nu geïntimeerden zelf naar analogie met de Pachtwet een schadevergoeding gelijk aan 20 % van de verkoopprijs van de grond vorderen.

15. De verjaringstermijnen inzake het wettelijk voorkooprecht van de pachter vormen uitzonderingen op de gemeenrechtelijke verjaringstermijnen zoals gewijzigd bij de wet van 10 juni 1998 . De verjaring van de vordering wegens de miskenning van een conventioneel voorkooprecht is onderworpen aan de gemeenrechtelijke verjaringstermijn, en niet aan de bijzondere verjaringstermijnen zoals in de Pachtwet bepaald wegens miskenning van het wettelijk voorkooprecht. De bijzondere verjaringstermijnen vervat in de Pachtwet gelden niet daarbuiten, tenzij een overeenkomst dat uitdrukkelijk of impliciet maar duidelijk zou voorzien, wat te dezen niet het geval is.

Voor huidige vordering geldt bijgevolg uitsluitend artikel 2262bis, §1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek en niet artikel 51, vierde lid, van de Pachtwet.

De omstandigheid dat voor de berekening en begroting van de omvang van de schade bij een inbreuk op een conventioneel voorkooprecht m.b.t. een stuk landbouwgrond, geïntimeerden een argument per analogie uit artikel 51, vierde lid, van de Pachtwet halen, impliceert niet dat de bijzondere verjaringstermijnen zoals bij dit artikel bepaald, te dezen ook toegepast dienen te worden.

Terecht heeft de eerste rechter overwogen dat het niet is omdat geïntimeerden (ondergeschikt) hun schade begroten naar analogie met de vergoedingen voorzien in de Pachtwet dat alle bepalingen van de Pachtwet i.v.m. voorkeurrecht van toepassing zouden zijn op het conventionele voorkooprecht.

16. De bepalingen van het decreet d.d. 21 oktober 1997 van het Vlaamse Gewest betreffende het natuurbehoud en het natuurmilieu zijn ook volledig vreemd aan het voorwerp van huidige vordering en voeren geen verjaringstermijn in voor een vordering m.b.t. een conventioneel voorkooprecht.

De exceptie van verjaring werd terecht door de eerste rechter afgewezen.

3°. Ten gronde

17. De akte van 23 juli 1964 hield de schenking in van het vermelde onroerend goed onder de volgende last:

"In geval van voortverkoop van de hen geschonken goederen, steeds bij gelijke prijs, de voorkeur tot aankoop te laten aan hun medebegiftigden of een van hen."

18. Appellanten houden voor dat uit de bewoording van de schenkingakte van 23 juli 1964 moet worden afgeleid dat de lasten van de schenking uitsluitend ten laste van de medebegiftigden intuitu personae werden bedongen zonder overgang van rechten en plichten naar de erfgenamen van de medebegiftigden. Appellanten zouden dan ook na het overlijden van Jan B. niet meer gehouden zijn tot aanbieding van het conventionele voorkooprecht. De last zou immers na het overlijden van de schuldenaar vervallen zijn.

19. In casu rijst dus de concrete vraag of, na het overlijden van de medebegiftigde Jan B., de twee andere nog in leven zijnde begiftigden Edmond en Florentina B. nog steeds titularis waren van het bedongen voorkooprecht, dan wel of het overlijden van de schuldenaar van dit conventionele voorkooprecht een einde eraan maakte, zelfs al waren de titularissen - schuldeisers van dit voorkooprecht nog in leven.

Het hof is van oordeel dat de voormelde clausule in ieder geval aan de medebegiftigden zelf een recht verschaft dat ze hebben zolang zij leven. Het overlijden van de schuldenaar is niet doorslaggevend, wel het in leven zijn van de medebegiftigde die het conventionele voorkooprecht heeft.

Het feit dat de kinderen van Jan B. nog niet geboren waren op de datum van het verlijden van de akte met ouderlijke boedelverdeling met de bepaalde lasten (23 juli 1964), doet geen afbreuk aan de rechten van Florentina en Edmond B., titularissen van het conventionele voorkooprecht.

Er is dus een passieve overdraagbaarheid van het bedongen voorkooprecht. Kortom, de conventionele verbintenis van elk van de drie medebegiftigden gaat over, bij het verlijden één hunner, op zijn erfgenamen stellig zolang een medebegiftigde - schuldeiser in leven is en dit conventionele voorkooprecht wil uitvoeren. Op grond van artikel 1122 van het Burgerlijk Wetboek zijn de rechtsopvolgers onder algemene titel gebonden door het voorkeurrecht dat door hun rechtsvoorganger verleend werd .

Het doel van de kwestieuze last was blijkbaar dat de geschonken goederen in de familie zouden kunnen blijven en dat hiertoe een conventioneel voorkooprecht ten voordele van elk van de drie kinderen van de schenkers werd bedongen m.b.t. de goederen die de andere kinderen hebben verkregen bij de ascendentenverdeling.

De "gemeenschappelijke bedoeling van de contracterende partijen" (artikel 1156 van het Burgerlijk Wetboek) bestond erin een familiaal patrimonium zo mogelijk samen te behouden. In die optiek blijft dan het conventionele voorkooprecht bestaan zolang een van de medebegiftigden in leven is en hij / zij de uitvoering van de last kan eisen vanwege de medebegiftigden of hun rechtsopvolgers.

In deze omstandigheden hebben appellanten het conventionele voorkooprecht miskend en zijn zij gehouden de schade te vergoeden die door hun fout aan eerste geïntimeerde werd veroorzaakt.

20. Appellanten houden voor dat zij ten tijde van de verkoop in 2003-2004 niet op de hoogte waren van de bedongen last en dat de notaris bij gebrek aan een volledige kopie van de schenkingakte van 23 juli 1964 hen niet wees op het bestaan van het conventionele voorkooprecht.

Geïntimeerden stellen terecht dat het niet geloofwaardig is dat appellanten niet meer over een kopie van de schenkingakte van 23 juli 1964 beschikten en dat zij dus geen kennis hebben kunnen krijgen van de bedongen lasten. De eerste rechter stelde terecht vast dat het overigens de appellanten vrij stond om één of beide notarissen in vrijwaring op te roepen als zij echt overtuigd waren van een inbreuk op de verplichting de titel van eigendom nauwgezet te onderzoeken .

21. Appellanten betwisten ten slotte dat geïntimeerden enig nadeel zouden hebben geleden, minstens dat zij enig nadeel zouden bewijzen.

De activiteit als landbouwer van eerste geïntimeerde zou slechts een nevenactiviteit zijn geweest. Op 74jarige leeftijd zou het ongeloofwaardig zijn dat hij nog activiteiten als landbouwer zelf zou doen of uitbreiden. Hij heeft overigens nooit de wens uitgedrukt, ook niet na het overlijden van Jan B., om zelf het litigieuze perceel te bewerken.

22. Bij de begroting van de schade houdt het hof rekening met volgende elementen:

- het betrokken perceel is een stuk landbouwgrond;

- op datum van de doorverkoop in 2004 was Edmond B. (geboren op 14 januari 1935) 69 jaar oud;

- eerste geïntimeerde was toen inderdaad, zoals hij zichzelf voorstelt "gepensioneerde landbouwer in nevenactiviteit" (zie stukken mestbank, BTW enz.);

- hij was zelf bij de schenkingakte van 23 juli 1964 eigenaar geworden van het perceel palend aan het litigieuze perceel, verkocht aan de consorten P. - K.;

- eerste geïntimeerde bewerkt nog steeds zijn aanpalend perceel, wat ook blijkt uit de discussies met de kopers P. - K. omtrent de slechte afwatering op het kwestieuze perceel ingevolge de bouw van serres die zij op het perceel uitvoerden;

- eerste geïntimeerde zal inderdaad een morele schade hebben geleden doordat hij het perceel, deel uitmakend van het familiale patrimonium, grenzend aan zijn eigendom en destijds mede (en samen met zijn broer Jan) door hem bewerkt, niet heeft kunnen overnemen, ondanks de door de ouders B. - P. gewilde ouderlijke boedelverdeling met voorkooprecht;

- eerste geïntimeerde heeft nog bij akte strekkende tot het uit onverdeeldheid treden, verleden door notaris Hollanders de Ouderaen op 4 maart 1996, twee percelen landbouwgrond (resp. 23 aren 1 centiare en 49 aren, 50 centiaren), voorheen eigendom van zijn moeder, mits opleg overgenomen, hetgeen aantoont dat hij nog interesse had in het overnemen van familiegrond.

De schenkingakte van 23 juli 1964 bepaalt geen (forfaitaire) schadevergoeding in geval van miskenning van het voorkooprecht.

Gelet op de concrete elementen van de zaak heeft de eerste rechter op redelijke en billijke wijze de schade van eerste geïntimeerde begroot op 20 % van de verkoopprijs, of 7.761 euro.

(...)

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

(...)

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en deels gegrond.

Hervormt het bestreden vonnis in zover het de vordering van Godelieve N. gegrond verklaart en, opnieuw rechtsprekend, enkel op dit punt, verklaart deze vordering ongegrond en verwijst Godelieve N. in haar eigen kosten van beide aanleggen.

Verklaart het hoger beroep voor het overige ongegrond.

(...)

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke terechtzitting van de eerste kamer van het hof van beroep te Brussel op 12 april 2011.

Waar aanwezig waren:

Dhr. E. Janssens de Bisthoven, Raadsheer,

Mevr. B. Heymans, Griffier.

Vrije woorden

  • Conventioneel voorkooprecht. Miskenning ervan. Begroting van de schade. Verjaringstermijn. Passieve overdraagbaarheid van het conventionele voorkooprecht. Uitlegging van het beding van het conventioneel voorkooprecht: artikel 1156 BW.