- Arrest van 12 april 2011

12/04/2011 - 2007AR1431

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De beperkte waarde van een stedenbouwkundig attest nummer 1 sluit niet uit dat de erin verstrekte informatie, met inachtneming van de beginselen van behoorlijk bestuur, juist moet zijn. De omstandigheid dat gemeente de inlichtingen niet wettelijk verplicht was te verschaffen kan niet impliceren dat zij van haar aansprakelijkheid wordt ontlast. Te dezen heeft de gemeente onzorgvuldig gehandeld en verkeerde inlichtingen aan burgers verschaft zonder een voldoend en behoorlijk onderzoek te verrichten.


Arrest - Integrale tekst

HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL

1e kamer,

A.R. Nr.: 2007/AR/1431

zetelend in burgerlijke zaken,

Rep. nr.: 2011/ na beraad, wijst volgend arrest:

INZAKE VAN:

De STAD L., vertegenwoordigd door haar College Burgemeester en Schepenen, wiens kantoren gevestigd is te 3920 L., Hertog Janplein 1,

appellante,

vertegenwoordigd door Mr. VAN DEN BRANDE Staf, advocaat te 3920 L., Lepelstraat 125 ;

TEGEN:

1. X. Augustine,

2. a) DUMORTIER Nicole,

b) 1. X. Aline,

2. X. Mauritius,

3. X. Marie,

4.

A. De rechtsopvolgers van wijlen M. S. geboren te Souvret op 12 september 1924 en overleden te Sint-Lambrechts-Woluwe op 16 juni 2008, zoals tussengekomen bij akte van gedingshervatting dd. 11 maart 2009:

a) X. Véronique,

b) X. Marie,

c) X. Jean,

d) X. Bénédicte,

e) X. Bruno,

B. 1) X. Véronique,

2) X. Marie,

3) X. Jean,

4) X. Bénédicte,

5) X. Bruno,

5. X. Bruno,

allen keuze van woonst doende ten kantore van Meester MALLIEN Pasal, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Meir 24,

geïntimeerden,

allen vertegenwoordigd door Mr. MALLIEN Pascal, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Meir 24 en vertegenwoordigd door Mr. MALLIEN Pascal, loco Mr. RAEYMAEKERS Luc, advocaat te 2260 WESTERLO, Baksveld 3 ;

6. Het VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering in de persoon van de Minister-President, met kabinet te 1000 Brussel, Martelarenplein 19, voor wie optreedt de Minister van Financiën, Begroting en Ruimtelijke Ordening, met kabinet te 1210 BRUSSEL, Koning Albert II-laan 19, 11de verdieping,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. LAVIGNE Jean-Paul, advocaat te 3800 SINT-TRUIDEN, Tongersesteenweg 15 ;

SAMENVATTING

De beperkte waarde van een stedenbouwkundig attest nummer 1 sluit niet uit dat de erin verstrekte informatie, met inachtneming van de beginselen van behoorlijk bestuur, juist moet zijn. De omstandigheid dat gemeente de inlichtingen niet wettelijk verplicht was te verschaffen kan niet impliceren dat zij van haar aansprakelijkheid wordt ontlast. Te dezen heeft de gemeente onzorgvuldig gehandeld en verkeerde inlichtingen aan burgers verschaft zonder een voldoend en behoorlijk onderzoek te verrichten.

Gelet op de stukken van de rechtspleging, inz.:

· het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel (7de kamer), op tegenspraak uitgesproken op 4 december 2006, waarvan geen betekening wordt voorgelegd;

· het verzoekschrift tot hoger beroep, op 21 mei 2007 ter griffie van het hof neergelegd;

· de tweede syntheseconclusie van appellante;

· de tweede syntheseconclusie van geïntimeerden de consorten X.;

· de syntheseconclusie van geïntimeerde het Vlaamse Gewest.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzittingen van 15 februari 2011 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

I. Procedure

1. Appellante stelt hoger beroep in tegen het bestreden vonnis dat (1) de oorspronkelijke vordering van de consorten X. deels gegrond verklaart in zover tegen de Stad L. gericht (2) voor recht zegt dat de consorten X. voor 1/3 en de Stad L. voor 2/3 verantwoordelijk zijn voor het feit dat de door de consorten X. bij akte verleden voor het ambt van notaris Luc Anthonis op 25 november 1999 verkochte onroerende goederen, gelegen te L., vierde afdeling, gekadastreerd sectie D, nummers 70/G, 131/E, 131/F/deel, 132/B/deel, 132/C, 133/K/deel en 135/B werden verkocht als landbouwgrond en niet als bouwgrond (3) alvorens verder recht te doen landmeter Guy Michiels te Leuven als deskundige aanstelt met de opdracht advies te verlenen over de verkoopwaarde in 1999 van het perceel indien het als bouwgrond ware verkocht, (4) de oorspronkelijke vordering van de consorten X. ongegrond verklaart in zover tegen het Vlaamse Gewest gericht, met veroordeling van de consorten X. tot betaling van de gerechtskosten in hoofde van het Vlaamse Gewest en (5) de overige gerechtskosten voorbehoudt.

Voor het hof vordert appellante met de hervorming van het bestreden vonnis, om de oorspronkelijke vordering van de consorten X. ongegrond te verklaren, minstens het grootste gedeelte van de verantwoordelijkheid ten laste van geïntimeerden X. te leggen en het grootste gedeelte van de oorspronkelijke vordering af te wijzen.

De Stad L. herneemt voor het hof haar vordering tot vrijwaring tegen het Vlaamse Gewest en vraagt dienvolgens te zeggen voor recht dat deze partij haar dient te vrijwaren voor alle sommen waartoe zij zou worden veroordeeld, met inbegrip van de gerechtskosten.

Appellante vordert ten slotte de gerechtskosten van beide aanleggen, inclusief de rechtsplegingsvergoeding, voor het hof begroot op 10.000 euro.

Het hoger beroep werd regelmatig en tijdig ingesteld en is ontvankelijk.

2. Geïntimeerden X. en consorten besluiten tot de ongegrondheid van het hoger beroep en stellen incidenteel beroep in waarbij zij de veroordeling vorderen van de Stad L. en het Vlaamse Gewest solidair, in solidum, de ene bij gebreke van de andere tot betaling van een volledige schadevergoeding wegens verkeerde informatie over het stedenbouwkundig statuut van de verkochte percelen, begroot op 694.606,54 euro (oorspronkelijke schadevergoeding voor bouwgronden + gekapitaliseerde interest) en 212.108,82 euro (oorspronkelijke schadevergoeding voor landbouwgronden + gekapitaliseerde interest), telkens te verhogen met de vergoedende interest aan de wettelijke interestvoet van 7 % per jaar, minstens kapitalisatie toe te kennen als vorm van schadevergoeding.

Zij vorderen hun gerechtskosten ten laste van de Stad L. en het Vlaamse Gewest, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, voor het hof begroot op 10.000 euro voor alle consorten X. samen.

3. Het Vlaamse Gewest stelt incidenteel beroep in m.b.t. de verjaring en vraagt voor zoveel als nodig te zeggen dat de oorspronkelijke vordering verjaard was in zover tegen hem gericht en bijgevolg deze vordering onontvankelijk te verklaren.

Voor het overige besluit het Vlaamse Gewest tot de ongegrondheid van het hoger beroep en van het incidenteel beroep, met veroordeling van de overige partijen tot betaling van de gerechtskosten, inclusief de rechtsplegingsvergoeding, voor het hof begroot op 10.000 euro.

II. Relevante feitelijke gegevens

4. Het hof verwijst naar de omstandige uiteenzetting van de feiten in het bestreden vonnis (p. 4 - 5).

De vordering vindt haar oorzaak in de hierna chronologisch opgesomde feitelijke gegevens:

· de consorten X. waren eigenaar van de litigieuze percelen, gelegen te L., vierde afdeling, gekadastreerd sectie D, nummers 70/G, 131/E, 131/F/deel, 132/B/deel, 132/C, 133/K/deel en 135/B (eigendom verkregen uit nalatenschap);

· op 2 februari 1998 wordt een "voorafgaand advies" 7105B97 - 0252S01 gegeven door de afdeling ROHM Limburg (Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen): het kwestieuze terrein (deel van het geheel) is "gelegen binnen een agrarisch gebied";

· 9 februari 1998: met verwijzing naar dit advies verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad L. een negatief stedenbouwkundig attest nummer 1; "ongunstig" (Gewestplan Neerpelt - Bree K.B. 22/3/1978 - agrarisch gebied);

· 7 juni 1999: het college van burgemeester en schepenen van de Stad L. verleent aan elfde geïntimeerde, notaris X., de volgende inlichtingen: "het goed is volgens het gewestplan Neerpelt - Bree K.B. 22/3/1978 (...) gelegen gedeeltelijk in een waardevol agrarisch gebied, gedeeltelijk in bosgebied en gedeeltelijk in agrarisch gebied". Onderaan vermeldde de brief: "Het stadsbestuur is niet verantwoordelijk voor eventuele foutieve en / of onvolledige informatie";

· 25 november 1999: verkoop door de consorten X. aan de consorten Swinnen van de goederen, deels "perceel landbouwgrond" (5 hectaren, 90 aren, 30 centiaren), deels "perceel bos" (2 hectaren, 11 aren, 48 centiaren) aan de prijs van 4.500.000 BEF (3.800.000 BEF voor de landbouwgrond + 700.000 BEF voor het bos);

· 22 oktober 2001: het schepencollege van de stad L. verleent aan de consorten Swinnen een gunstig stedenbouwkundig advies nummer 2: "Gunstig, conform het advies van het bestuur van Stedenbouw en Ruimtelijke Ordening van 16/10/2001." Het advies van dit bestuur d.d. 16 oktober 2001 luidde: "De vermelde grond is gelegen binnen een woongebied en agrarisch gebied (...). De loten 1 tot en met 18 komen in aanmerking voor het oprichten van een particuliere woning. Beperkingen van de bouwdiepte (...) De loten 19 tot en met 21 komen niet in aanmerking voor het oprichten van een particuliere woning gelet op het beperkt gedeelte in woongebied".);

· 8 augustus 2002: ingebrekestelling door notaris X. aan de gemachtigde ambtenaar van de AROHM;

· 26 september 2002: antwoord van de ambtenaar die de aansprakelijkheid afwijst;

· 20 mei 2003: officiële aanmaning aan Stad en Gewest

· 25 juli 2003: gedinginleidende dagvaarding tegen Stad en Gewest;

· 9 maart 2006: de verkavelingsvergunning wordt aan de consorten Swinnen verleend.

III. Bespreking

1°. De exceptie van verjaring

5. Het Vlaamse Gewest is van oordeel dat de vordering, in de mate als tegen hem gericht, verjaard is met toepassing van artikel 100 van het koninklijk besluit van 17 juni 1990 houdende coördinatie van de wetten op de Rijkscomptabiliteit. De verjaringstermijn van vijf jaar is immers van toepassing op de schuldvorderingen ten laste van de Staat of de gewesten.

Het Vlaamse Gewest neemt als aanvangspunt voor de berekening van de verjaring "het schadeverwekkend feit", zijnde het advies van de afdeling ROHM Limburg van 2 februari 1998 en besluit dat de vordering laattijdig ingesteld werd bij dagvaarding van 25 juli 2003.

Geïntimeerden X. en consorten betwisten dat het verlenen van het advies van 2 februari 1998 de schade heeft doen ontstaan. Zij stellen dat hun schade zich pas heeft geopenbaard bij het verlenen, in oktober 2001, aan de kopers van een nieuw stedenbouwkundig attest.

6. Op zich heeft het verlenen op 2 februari 1998 door de dienst ROHM Limburg van het litigieus advies geen schade in hoofde van de eigenaars van de betrokken percelen doen ontstaan. Het advies zelf (in tegenstelling tot het goedkeuren van een gewestplan bij voorbeeld) heeft de waarde van hun goed niet beïnvloed en de eigendomsrechten van de consorten X. niet aangetast.

Het is daarentegen pas op de dag dat de consorten X. hun onroerende goederen verkochten tegen een prijs die kennelijk voor gronden in bouwgebied onderschat was dat zij een nadeel geleden hebben.

De schade van de geïntimeerden X. en consorten is dan ook pas bij het verlijden van de verkoopakte op 25 november 1999 ontstaan.

Artikel 100, eerste lid, 1° van de bij K.B. van 17 juli 1991 gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit schendt artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij voorziet in een vijfjarige verjaringstermijn voor vorderingen tot schadevergoeding op grond van de buitencontractuele aansprakelijkheid van de federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten, wanneer de schade (of de identiteit van de aansprakelijke) pas na die termijn kunnen worden vastgesteld . De vordering is slechts op de dag van de verkoop door geïntimeerden X. en consorten ontstaan. Vόόr die verkoop bestond er geen vergoedbare schade.

De vijfjarige verjaringstermijn begon bijgevolg te lopen op de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan de vordering is ontstaan, anders gezegd vanaf 1 januari 1999.

Op 25 juli 2003, datum van de betekening van de dagvaarding aan het Vlaamse Gewest, was de vordering van de geïntimeerden X. en consorten niet verjaard. De exceptie van verjaring is ongegrond.

7. De vordering in vrijwaring van de Stad L. tegen het Vlaamse Gewest is evenmin verjaard. De verjaringstermijn is immers t.a.v. de vordering in vrijwaring beginnen te lopen op de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan het recht om de vordering in vrijwaring in te stellen is ontstaan en niet van het begrotingsjaar in de loop waarvan de hoofdvordering is ontstaan .

2°. Ten gronde

8. De eerste rechter heeft oordeelkundig beslist dat geïntimeerden X. zich niet kunnen beroepen op het advies dat op 2 februari 1998 door de dienst ROHM Limburg werd verleend om het Vlaamse Gewest aansprakelijk te stellen voor de door hen geleden schade.

Na een jaar was het stedenbouwkundig attest nummer 1, waaraan het advies van 2 februari 1998 voorafging, immers vervallen.

Het staat ook vast dat, vooraleer haar advies van 7 juni 1999 te verlenen, de Stad L. geen nieuw voorafgaand advies van de dienst ROHM Limburg heeft aangevraagd doch gewoon voortging op het vroeger advies van 2 februari 1998.

Er kan bijgevolg geen fout in oorzakelijk verband met de schade in hoofde van de diensten van het Vlaamse Gewest worden vastgesteld.

De oorspronkelijke vordering werd terecht ongegrond verklaard in zover als tegen het Vlaamse Gewest gericht.

De vordering in vrijwaring van de Stad L. tegen het Vlaamse Gewest is eveneens ongegrond des te meer dat de Stad de dienst ROHM Limburg niet uitgenodigd heeft een (geactualiseerd) voorafgaand advies te geven vooraleer zelf haar brief van 7 juni 1999 aan geïntimeerden X. te verzenden.

9. Ten gronde geeft de Stad L. toe dat de inlichtingen zoals in haar advies van 7 juni 1999 uitgedrukt, eigenlijk verkeerd waren.

Zij voert echter aan dat zij bij het vrijblijvend verlenen van dat advies geen nalatigheid of onvoorzichtigheid beging. Zij roept bovendien het uitdrukkelijke voorbehoud in dat zij in haar advies formuleerde. Zij stelt dat geïntimeerden zich nader hadden moeten informeren en, meer bepaald, een stedenbouwkundig attest nummer 2 hadden moeten aanvragen. Alleszins zou er geen oorzakelijk verband bestaan tussen de verschafte foutieve inlichting en de beweerde schade in hoofde van de consorten X..

10. Op 7 juni 1999 heeft de Stad L., antwoordend op een brief van geïntimeerde Bruno X. d.d. 29 april 1999, aan geïntimeerden X. inlichtingen verstrekt over de stedenbouwkundige bestemming van hun eigendom te L.. De gegevens waren per kadastraal perceel aangegeven.

De verkoopakte van 25 november 1999 met de consorten Swinnen door notaris Luc Antonis (ter vervanging van zijn ambtgenoot, notaris X., wettelijk belet) verleden neemt op pagina 4/5 letterlijk het schrijven van 7 juni 1999 over "Bij schrijven van zeven juni negentienhonderd negen en negentig, deelde het gemeentebestuur van L. mede dat: (...)".

Onder de geciteerde gegevens staat "Het is geen woonnoodgebied".

11. Uit het later op 22 oktober 2001 aan de kopers afgeleverde stedenbouwkundig attest nummer 2 is echter gebleken dat percelen te L., sectie D, nummers 70/G, 131/E/deel, 131/F, 131/P, 132/B/deel, 11132/C en 133/L/deel in woongebied gesitueerd waren en niet in agrarisch gebied, rep. bosgebied.

Geïntimeerden X. hebben landmeter Goris te L. geraadpleegd. Volgens diens verslag van 21 maart 2003, kon, in de veronderstelling dat de verkaveling zou worden toegekend, de totale waarde van het verkochte eigendom op 779.115,00 euro worden geschat. Op deze basis berekenen geïntimeerden X. hun schade op 694.606,54 euro in hoofdsom.

12. De door het gemeentebestuur aan de eigenaars verstrekte gegevens waren aldus verkeerd.

De fout vindt waarschijnlijk haar oorsprong in de omstandigheid dat het advies d.d. 2 februari 1998 van de dienst ROHM Limburg naar een "bijzonder plan van aanleg Hoeverdijk" verwees, dan wanneer dit BPA eigenlijk nooit in werking is getreden. Zoals hierboven uiteengezet heeft de dienst ROHM in 1999 niet de gelegenheid gekregen deze gegevens nogmaals te onderzoeken.

13. Appellante verwijt ten onrechte aan geïntimeerden X. om zich niet correct of volledig te hebben geïnformeerd. De eigenaars hebben inderdaad al het nodige gedaan om de officiële inlichtingen in te winnen. Zij hebben in een eerste fase een stedenbouwkundig attest nummer 1 aangevraagd en op 9 februari 1998 bekomen. Nadat het attest vervallen was hebben zij zich opnieuw tot het gemeentebestuur gewend om de actuele bestemming van de gronden te kennen. Het stadsbestuur was hét aanspreekpunt voor de burgers om dergelijke officiële inlichtingen in te winnen.

De brief van notaris X. van 29 april 1999 vermeldde de juiste kadastrale gegevens en dit wordt niet betwist.

Er is geen reden om aan te nemen dat de consorten X., in het bezit van het stedenbouwkundig attest van 9 februari 1998 en van de inlichtingen verstrekt door de Stad L. op 7 juni 1999, nog eens een aanvraag tot stedenbouwkundig attest nummer 2 hadden moeten indienen nu zij slechts geïnteresseerd waren in de stedenbouwkundige bestemming van hun goed. Zij konden zeker vanuit gaan dat de inlichtingen die hun bij officiële brief gegeven waren, juist waren en dienden alleszins niet tot controle ervan over te gaan. Het voorbehoud dat de brief van 7 juni 1999 onderaan overneemt is een louter algemene stijlformule die de geïntimeerden niet moest aanzetten om tot bijzondere verificatie over te gaan en het gemeentebestuur niet van zijn aansprakelijkheid ontlast.

Geïntimeerden X. hebben zich als normaal voorzichtige en redelijke burgers gedragen in dezelfde omstandigheden geplaatst en hebben geen fout of onzorgvuldigheid begaan. De aanwezigheid van een notaris onder de mede-eigenaars is te dezen irrelevant. Hun incidenteel beroep is op dit punt gegrond.

14. Bij haar brief van 7 juni 1999 heeft de Stad L. verkeerde inlichtingen verschaft en zij is daarin onzorgvuldig geweest. Zij was het beste geplaatst om te weten dat het BPA Hoeverdijk slechts een ontwerp was. Haar brief van 7 juni 1999 doet overigens vermoeden dat zij op de hoogte was van het verval van dit BPA ("het voorstel van BPA nr. 4 Hoeverdijk voorzag voor de percelen een zone van landbouw"), in welk geval zij kennelijk een foutief advies verleende.

De onjuistheid van de bij de brief van 7 juni 1999 verschafte gegevens is niet te wijten aan enige latere wijziging aan de bestemming van de litigieuze goederen na de aanvraag tot stedenbouwkundig attest.

De beperkte waarde van een stedenbouwkundig attest nummer 1 sluit niet uit dat de erin verstrekte informatie, met inachtneming van de beginselen van behoorlijk bestuur, juist moet zijn . De omstandigheid dat appellante de inlichtingen niet wettelijk verplicht was te verschaffen kan niet impliceren dat zij van haar aansprakelijkheid wordt ontlast. Te dezen heeft de Stad L. onzorgvuldig gehandeld en verkeerde inlichtingen aan burgers verschaft zonder een voldoend en behoorlijk onderzoek te verrichten.

15. Appellante heeft dan ook een fout in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek gepleegd en deze fout staat in oorzakelijk verband met de schade die geïntimeerden X. geleden hebben doordat zij, rechtmatig vertrouwend in de hun verstrekte inlichtingen, hun eigendom aan een onderschatte prijs verkocht hebben.

Het hoger beroep van de Stad L. is ongegrond.

16. De eerste rechter heeft terecht een deskundigenonderzoek bevolen met het oog op de begroting van het waardeverschil van de verkochte percelen. Het vonnis wordt op dit punt bevestigd en de zaak wordt, met toepassing van artikel 1068, tweede alinea, naar de eerste rechter verwezen.

Het incidenteel beroep van geïntimeerden X. tot betaling van 694.606,54 euro en 212.108,82 euro is ongegrond.

3°. Nopens de gerechtskosten

17. De gerechtskosten worden voor twee derden ten laste van appellante en voor een derde ten laste van geïntimeerden gelegd.

De rechtsplegingsvergoeding wordt begroot op het geïndexeerde basistarief (te dezen 11.000 euro) zoals vastgesteld bij het K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in art. 1022 Ger. W. en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de art. 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk en deels gegrond.

Hervormt het bestreden vonnis in zover het voor recht zegt dat de consorten X. voor 1/3 en de Stad L. voor 2/3 verantwoordelijk zijn voor het feit dat de door de consorten X. bij akte verleden voor het ambt van notaris Luc Anthonis op 25 november 1999 verkochte onroerende goederen, gelegen te L., vierde afdeling, gekadastreerd sectie D, nummers 70/G, 131/E, 131/F/deel, 132/B/deel, 132/C, 133/K/deel en 135/B werden verkocht als landbouwgrond en niet als bouwgrond.

Opnieuw rechtsprekend, enkel op dit punt, zegt voor recht dat de Stad L. alleen verantwoordelijk is voor het feit dat de door de consorten X. bij akte verleden voor het ambt van notaris Luc Anthonis op 25 november 1999 verkochte onroerende goederen werden verkocht als landbouwgrond en niet als bouwgrond.

Verklaart het incidenteel beroep voor het overige ongegrond.

Verwijst de zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Brussel met toepassing van artikel 1068, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek.

Veroordeelt de Stad L. in twee derden en de consorten X. in een derde van de gerechtskosten van het hoger beroep, begroot

- in hoofde van appellante op 186 euro rolrechten + 11.000 euro rechtsplegingsvergoeding en

- in hoofde van eerste tot geïntimeerde op 11.000 euro rechtsplegingsvergoeding,

- in hoofde van het VLAAMSE GEWEST op 11.000 euro rechtsplegingsvergoeding,

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke terechtzitting van de eerste kamer van het hof van beroep te Brussel op 12 april 2011.

Waar aanwezig waren:

Mevr. A. De Preester, Kamervoorzitter,

Dhr. E. Janssens de Bisthoven, Raadsheer,

Dhr. M. Debaere, Raadsheer,

Mevr. B. Heymans, Griffier.

B. Heymans M. Debaere

E. Janssens de Bisthoven A. De Preester

Vrije woorden

  • Stedenbouwkundig attest nr. 1: juridiscge waarde.