- Arrest van 28 april 2011

28/04/2011 - 2008/AR/1693

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

verkiezingsuitgaven, ook deze die werden gemaakt voorafgaandelijk aan de eerste uitoefening van het mandaat (van eerste schepen), zijn niet noodzakelijk om de belastbare inkomsten als advocaat te verkrijgen of te behouden


Arrest - Integrale tekst

HOF van BEROEP te BRUSSEL

Zesde fiscale kamer

Nr. van de zaak : 2008/AR/1693

Openbare terechtzitting van

IN ZAKE VAN :

1.De heer X,

2.Mevrouw Y, samen wonende te 1981 Hofstade

appellanten,

vertegenwoordigd door Meester Dirk De Groot, advocaat te 1081 Brussel, Jules Besmestraat, 124.

TEGEN :

DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, administratie der directe belastingen, in de persoon van de heer gewestelijke directeur der directe belastingen te Leuven, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 3001 Leuven, Philipssite, 3A, bus 1,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door de heer Wim De Smet, Directeur a.i.

***

R. EINDARREST - ongegrond

In deze zaak spreekt het hof volgend arrest uit.

PROCEDURE.

Gelet op de procedurestukken, inzonderheid het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 7 april 2008, waarvan geen betekeningakte wordt voorgelegd, en waartegen hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschrift op de griffie van het hof neergelegd op 20 juni 2008.

FEITEN EN BESTREDEN VONNIS

Appellanten vorderden voor de eerste rechter de ontheffing, in de mate het bedrag van 275.408 BEF uit de aftrekbare kosten is geweerd, van de aanvullende aanslag in personenbelasting voor het aanslagjaar 2001, op hun naam gevestigd onder artikel nr. 731078126 van de gemeente Zemst, na toepassing van de wijzigingsprocedure.

De wijziging had de verwerping als beroepskost van de verkiezingsuitgaven van eerste appellant tot voorwerp.

De ambtenaar gedelegeerd door de gewestelijke directeur der directe belastingen te Leuven had, bij beslissing van 7 december 2005, het bezwaarschrift van appellanten tegen voormelde aanslag ongegrond verklaard.

De eerste rechter was van oordeel dat de aftrek van de verkiezingsuitgaven terecht werd geweigerd.

GRIEVEN

Appellanten streven de hervorming van het bestreden vonnis na en vorderen te zeggen voor recht dat de betwiste aanslag dient te worden vernietigd, minstens ontheven.

Zij vorderen de terugbetaling van de door geïntimeerde tijdens de procedure teveel nagevorderde of ingehouden sommen, te vermeerderen met de moratoriuminteresten vanaf de datum van betaling of inhouding.

Zij vragen geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen.

In hun beroepsakte verwijzen appellanten ook naar hun conclusies in eerste aanleg, waarvan zij stellen dat de grieven en motieven als volledig hernomen en herhaald moeten worden beschouwd.

In hun beroepsakte en conclusies verwijzen appellanten ook naar hun in eerste aanleg geformuleerd voorstel tot prejudiciële vraagstelling aan het Grondwettelijk Hof ("Is het verzoenbaar met de artikelen 10 en 11 van de Gecoördineerde Grondwet dat artikel 49 WIB 92 io. artikel 27 WIB 92 in een bepaalde interpretatie niet zouden toelaten dat kosten verbonden aan een politiek ambt, met name kosten die voorafgaandelijk aan de uitoefening van het mandaat (inzonderheid verkiezingskosten), noodzakelijk zijn om inkomsten uit een politiek ambt te verwerven of te behouden, afgetrokken zouden kunnen worden, dit terwijl de inkomsten uit dit ambt wél belastbaar zijn als beroepsinkomsten (artikelen 23 § 1, 2° en 27 WIB 92)? Dit terwijl in de regel en voor andere categorieën van personen die beroepsinkomsten behalen, de inkomsten belastbaar zijn maar tevens de kosten die noodzakelijk zijn om beroepsinkomsten te verwerven of te behouden, wel aftrekbaar zijn overeenkomstig artikel 49 WIB 92?").

In een nota, op de pleitzitting neergelegd, herformuleren appellanten hun prejudiciële vraag als volgt: "Is het verenigbaar met de grondwettelijke beginselen van gelijkheid en van non-discriminatie dat artikel 49 WIB92 in een bepaalde interpretatie niet zou toelaten dat kosten verbonden aan een politiek ambt, met name kosten die voorafgaandelijk aan de eerste uitoefening van het mandaat (inzonderheid verkiezingskosten) noodzakelijk zijn om de belastbare inkomsten uit het politiek ambt te verkrijgen of te behouden als beroepskost af te trekken, terwijl het zulks wel zou toelaten voor de verkiezingskosten die worden gedaan naar aanleiding van een campagne tot herverkiezing, aldus een verschil in fiscale behandeling makend tussen diegene die voor het eerst deelneemt aan een verkiezing en diegene die reeds verkozen was op het moment dat de kosten werden gedragen" (appellanten onderlijnen).

Geïntimeerde nodigt het hof uit het bestreden vonnis te bevestigen en appellanten te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen.

BEOORDELING

1.

Het hof hoeft niet te antwoorden op de conclusies uit de eerste aanleg, waarnaar appellanten vagelijk verwijzen (zie supra), maar die niet als dusdanig worden overgenomen in hun appelconclusies (artikel 744, tweede lid in fine, Ger. W.; zie ook Cass. 16 december 1994, P & B 1995, 108, noot S. RAES).

2.

De discussie betreft de vraag of de verkiezingsuitgaven t.b.v. 275.408 BF, die eerste appellant maakte voor de gemeenteraadsverkiezingen van 2000 voldoen aan de voorwaarden van artikel 49 WIB (1992) om als beroepskosten te worden beschouwd.

Eerste appellant werd tot gemeenteraadslid van Zemst verkozen en werd benoemd tot eerste schepen van Zemst met ingang van 1 januari 2001.

Geïntimeerde betwist de echtheid en het bedrag van de kosten niet, dan wel het beroepskarakter ervan.

Volgens geïntimeerde zijn de door een kandidaat gedane uitgaven tijdens een verkiezingscampagne onbetwistbaar van persoonlijke aard en derhalve geen kosten die noodzakelijk zijn voor de uitoefening zelf van het beroep.

Aangezien de verkiezingsuitgaven in mindering werden gebracht van de inkomsten die eerste appellant in 2000 behaalde als bedrijfsleider van de B.V.B.A. X, ontbreekt volgens geïntimeerde daarenboven een noodzakelijk verband tussen de gemaakte kosten en de uitgeoefende beroepswerkzaamheid.

Appellanten - die niet aanvoeren dat zij een fout of vergissing in hun aangifte begingen - werpen hiertegen op dat "het feit dat deze kosten aldus leiden tot een verlies in het jaar 2000 uit de politieke activiteit die een beroep is en wordt en blijft ((eerste appellant) was eerste schepen maar is ondertussen burgemeester), heeft uiteraard tot gevolg gehad dat deze kost zijnde het verlies uit het politieke beroep de facto in aftrek kwam van het (op dat ogenblik niet politieke) bedrijfsinkomen van betrokkene in het kalenderjaar 2000, zijnde een bestuurdersbezoldiging uit zijn advocatenvennootschap (advocaat was het enige beroep van (eerste appellant) totdat hij deelnam aan de gemeenteraadsverkiezingen in 2000 wat hem enkele maanden later toeliet het schepenambt op te nemen). N.B. Het loutere feit dat deze kost eventueel in een vakje als beroepskost werd opgenomen in plaats van als beroepsverlies kan bezwaarlijk als decisief voor de aftrek worden beschouwd" (appellanten onderlijnen) (conclusie, blz. 3).

Het doet echter wel terzake dat eerste appellant in zijn aangifte de verkiezingsuitgaven niet als beroepsverlies vermeldde (code 608), dan wel als kosten in aftrek bracht van zijn bezoldigingen van bedrijfsleider van zijn advocatenvennootschap (code 406).

De verkiezingsuitgaven houden immers geen enkel verband met het beroep van advocaat van eerste appellant. Het feit dat dit beroep het enige beroep van eerste appellant was totdat hij het schepenambt op 1 januari 2001 opnam¸ vormde geen beletsel om de verkiezingsuitgave als beroepsverlies aan te merken.

Het is derhalve terecht dat geïntimeerde het noodzakelijk verband tussen de gemaakte kosten en de uitgeoefende beroepswerkzaamheid betwist.

Appellanten vragen de hierboven weergegeven geherformuleerde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen, ingeval het hof zijn beslissing mede zou laten afhangen van het in sommige rechtspraak gemaakte onderscheid tussen diegene die voor het eerst deelneemt aan een verkiezing, en diegene die reeds verkozen was op het moment dat hij kosten maakt voor een (volgende) verkiezingscampagne.

Gelet op het vorenstaande, is het niet nodig de prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen, aangezien verkiezingsuitgaven, ook deze die werden gemaakt voorafgaandelijk aan de eerste uitoefening van het mandaat, alleszins niet noodzakelijk zijn om de belastbare inkomsten als advocaat te verkrijgen of te behouden.

Het hoger beroep is ongegrond.

3.

In een akkoordconclusie zijn partijen het eens over het basisbedrag van 715,00 EUR van de rechtsplegingvergoeding.

Geïntimeerde heeft echter geen recht op de rechtsplegingvergoeding, zelfs al is hij de in het gelijk gestelde partij, aangezien hij geen beroep deed op een advocaat.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF, rechtsprekend na tegenspraak,

Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond,

Veroordeelt appellanten tot de kosten van het hoger beroep, aan hun zijde begroot op de rechtsplegingvergoeding van 715,00 EUR, en aan de zijde van geïntimeerde niet begroot,

Zegt voor recht dat geïntimeerde geen recht heeft op de rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de 6de fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel, op 28 april 2011

Vrije woorden

  • uitgaven verkiezingscampagne

  • beroepskost

  • voorwaarden aftrekbaarheid

  • geen verband tussen de gemaakte kosten en de uitgeoefende (enige) beroepswerkzaamheid (advocaat)