- Arrest van 10 mei 2011

10/05/2011 - 2008AR1775

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

het verlenen van onjuiste informatie of raad door de RVA is uiteraard strijdig met het gedrag van een normaal zorgvuldige overheidsdienst, en dus foutief in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek.


Arrest - Integrale tekst

Nr.: HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL

1e kamer,

A.R. Nr.: 2008/AR/1775

zetelend in burgerlijke zaken,

Rep. nr.: 2011/ na beraad, wijst volgend arrest:

INZAKE VAN:

UNIL BELGIUM N.V., met maatschappelijke zetel te 1600 SINT-PIETERS-LEEUW, Bergensesteenweg 713, ingeschreven met KBO-nummer 0400.000.977,

appellante,

vertegenwoordigd door Mr. BLYWEERT loco Mr. HOUTHUYS Jan, advocaat te 1500 HALLE, Suikerkaai 7 ;

TEGEN:

De RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, met maatschappelijke zetel te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan 7,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. VAN ESSCHE loco Mr. SWENNEN Remi, advocaat te 1731 ZELLIK, Noorderlaan 30 ;

Samenvatting.

Outplacement. Het verlenen van onjuiste informatie of raad door de RVA terzake is uiteraard strijdig met het gedrag van een normaal zorgvuldige overheidsdienst, en dus foutief in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek.

1. DE PROCEDURE

In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 13 juni 2008.

De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder artikel 24, zijn nageleefd.

Het arrest wordt gewezen na tegenspraak.

Partijen verklaren dat het vonnis niet werd betekend. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.

2. DE FEITEN

De eerste rechter heeft de relevante feiten correct en volledig weergegeven als volgt:

"

1.

De nv Unil Belgium stelde op 6 juli 2004 een einde aan de arbeidsovereenkomst met haar werkneemster A. D..

Bij aangetekende brief van 20 augustus 2004 stelde de LBC-NVK de nv Unil Belgium in gebreke bepaalde sommen te betalen aan haar lid, mevrouw D., en deelde zij mee dat mevrouw D. gebruik wenste te maken van haar recht op outplacement, bij toepassing van CAO nr. 82 dat een recht op outplacement voorziet voor personen van 45 jaar en ouder die worden ontslagen. Mevrouw D. was ingeschreven bij de VDAB, zoals vereist door de CAO, en zij verbond zich ertoe te goeder trouw mee te werken aan de outplacement. De LBC-NVK verklaarde outplacement aan te vragen voor haar lid bij toepassing van de CAO nr. 82.

Bij aangetekende brief van 25 oktober 2004 stelde de LBC-NVK de nv Unil Belgium in gebreke wegens het niet aanbieden van een outplacementbegeleiding.

Bij brief van 8 november 2004 deelde de raadsman van de nv Unil Belgium de LBC-LVK mee dat zij het outplacementaanbod niet wenste voor te leggen.

Bij brief van 18 november 2004 gericht aan de RVA verklaarde mevrouw D. dat haar werkgever niet binnen de maand positief reageerde op haar ingebrekestelling tot outplacement conform CAO nr. 82 en vroeg zij outplacement aan lastens de RVA.

Bij brief van 1 december 2004 verzocht de RVA de nv Unil Belgium de ontstentenis van outplacementbegeleiding van mevrouw D. te rechtvaardigen.

De nv Unil Belgium deelde op 9 december 2004 mee geen schriftelijke aanvraag tot outplacement van de werknemer volgens de CAO nr. 82 te hebben ontvangen uiterlijk 2 maanden nadat de arbeidsovereenkomst een einde had genomen.

Bij beslissing van 16 december 2004 besloot de RVA dat mevrouw D. geen recht had op outplacement ten taste van de RVA aangezien de aanvraag van 20 augustus 2004 niet door haar persoonlijk werd ingediend en ondertekend binnen de termijn van twee maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst. Bij brief van 16 december 2004 deelde de RVA mee aan de nv Unil Belgium akkoord te gaan met de gegeven rechtvaardiging en het dossier af te sluiten zonder verder gevolg.

Op 24 december 2004 diende mevrouw D. via haar vakbond een aanvulling in van haar aanvraagdossier: dit aanvullend dossier bevatte een machtiging door haar gegeven aan de LBC-NVK op 19 augustus 2004 om haar te vertegenwoordigen in het kader van de procedure outplacement.

Bij brief van 12 januari 2005 besloot de RVA tot herziening van haar beslissing van 16 december 2004, en besloot zij dat mevrouw D. wel degelijk in aanmerking kwam voor outplacementbegeleiding ten laste van de RVA. Bij aangetekende brief van 12 januari 2005 deelde RVA de nv Unil Belgium mee dat, gelet op de nieuwe feiten, nl. de machtiging die werd gegeven door mevrouw D. aan haar vakbond om haar te vertegenwoordigen, de door de nv Unil Belgium gegeven rechtvaardiging niet aanvaard wordt. In deze brief wordt gesteld dat de nv Unil ertoe gehouden is een bijdrage van 1.800,00 euro te betalen als voorzien in de artikelen 2 en 3 van het Koninklijk Besluit van 23 januari 2003. Hieraan werd toegevoegd dat deze beslissing kan worden betwist "bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie of aangetekend verzonden naar de griffie van de arbeidsrechtbank op het volgende adres: griffie van de arbeidsrechtbank te Brussel, Poelaertplein 3, 1000 Brussel. U beschikt hiervoor over een termijn van drie maanden vanaf de kennisgeving van deze beslissing. "

2.

Bij verzoekschrift van 24 januari 2005, aangetekend verzonden via haar raadsman aan de arbeidsrechtbank te Brussel op 26 januari 2005, tekende de nv Unil Belgium beroep aan tegen de beslissing van de RVA meegedeeld op 12 januari 2005.

Bij vonnis van 17 februari 2006 verklaarde de arbeidsrechtbank van Brussel het beroep van de nv Unil onontvankelijk, aangezien de vordering niet bij verzoekschrift, maar enkel bij dagvaarding kon worden ingeleid, bij toepassing van artikel 580, 1° van het Gerechtelijk Wetboek. De rechtbank voegde eraan toe dat uit de beslissing van de RVA tevens bleek dat de nv Unil Belgium geen reeds verkregen en dadelijk belang heeft om haar vordering in te stellen, nu zij nog geen schrijven had ontvangen van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, belast met de inning van de sociale zekerheidsbijdrage.

3. HET ONDERWERP VAN DE VORDERING

3.1.

Voor de eerste rechter vorderde UNIL BELGIUM de veroordeling van de RVA tot de betaling aan haar van 1.800,00 EUR, plus "de verwijl- en gerechtelijke intresten".

De RVA concludeerde tot de ongegrondheid van de vordering.

3.2.

De eerste rechter verklaarde de vordering van UNIL BELGIUM ontvankelijk maar ongegrond, en veroordeelde haar tot betaling van de kosten.

3.3.

In hoger beroep herneemt UNIL BELGIUM haar oorspronkelijke vordering; de RVA concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep.

4. DE GRONDEN VAN DE BESLISSING EN HET ANTWOORD OP DE MIDDELEN VAN DE PARTIJEN

De RVA erkent dat de vermelding in haar brief van 12 januari 2005 van de beroepsmogelijkheid bij verzoekschrift onterecht was en dat voor UNIL BELGIUM geen inleiding bij verzoekschrift mogelijk was. Zij meent evenwel dat dit geen fout uitmaakt omdat zij ten aanzien van UNIL BELGIUM niet gehouden was de beroepsmogelijkheden te vermelden, omdat UNIL BELGIUM geen sociaal verzekerde is in de zin van het Handvest van de sociaal verzekerde.

Dat de RVA niet verplicht was tot vermelding van de beroepsmogelijkheid van de werkgever doet echter niets af aan het onjuiste karakter van de vermelding, en het verlenen van onjuiste informatie of raad door de RVA is uiteraard strijdig met het gedrag van een normaal zorgvuldige overheidsdienst, en dus foutief in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek. Het was voor de RVA voorzienbaar dat de informatie die zij toevoegde met betrekking tot de beroepsmogelijkheden voor UNIL BELGIUM als betrouwbaar zou overkomen want afkomstig van een overheidsdienst, en dat UNIL BELGIUM zich daarnaar zou gedragen.

Terecht heeft de eerste rechter geoordeeld dat UNIL BELGIUM daardoor een kans heeft verloren op beoordeling van haar vordering door de arbeidsrechtbank. Het mag aangenomen worden dat zonder de fout van de RVA UNIL BELGIUM zou hebben gekozen voor de standaardwijze van rechtsingang, de dagvaarding, zodat de arbeidsrechtbank haar vordering niet onontvankelijk zou hebben verklaard op grond van het gebruik van het verzoekschrift.

Even terecht heeft de eerste rechter geoordeeld dat mag worden aangenomen dat de arbeidsrechtbank of het arbeidshof, bij kennisname van de grond van de vordering van UNIL BELGIUM, de aanvraag tot outplacement gedaan door de vakbond, daartoe gemandateerd door de werknemer, zou hebben beschouwd als een aanvraag door de werknemer. UNIL BELGIUM toont niet aan dat lastgeving in deze tak van het recht uitgesloten zou zijn, of dat de vakbond, bij uitstek vertegenwoordiger van zijn leden, zelfs in rechte, in deze niet zou kunnen optreden.

Dat de RVA op 16 december 2004 de stelling van UNIL BELGIUM heeft aanvaard en op 12 januari 2005 na kennisname van het dossier van de werknemer haar beslissing heeft gewijzigd en de aanvraag toch als geldig heeft beschouwd, doet aan het bovenstaande niets af. Die wijziging van beslissing was op zich niet onwettig; terecht overwoog de eerste rechter dat niets de toepassing van het gemeen administratief recht in deze uitsluit, zodat de RVA haar beslissing kon wijzigen zonder subjectieve rechten van UNIL BELGIUM te schenden. UNIL BELGIUM toont niet dat haar andersluidende middel enige kans zou hebben gemaakt bij de arbeidsrechtbank of het arbeidshof bij kennisname van de grond van haar vordering.

Uit het bovenstaande volgt dat UNIL BELGIUM zonder de fout van de RVA een vordering tot betwisting van de bijdrage van 1.800,00 EUR had kunnen instellen die weliswaar ontvankelijk zou bevonden worden, maar dat die vordering geen kans maakte om gegrond bevonden te worden. Er is dus geen verband tussen de fout van de RVA, en de schade waarvoor UNIL BELGIUM vergoeding vraagt, de bijdrage van 1.800,00 EUR die zij betwistte.

5. DE KOSTEN

Er is geen reden om voor de rechtsplegingsvergoeding af te wijken van de toepassing van het basisbedrag. Met toepassing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt dat basisbedrag gelet op de waarde van de vordering (geïndexeerd) 440,00 EUR.

6. HET BESCHIKKEND GEDEELTE

Op grond van de bovenstaande overwegingen neemt het hof volgende beslissing.

Het hof verklaart het hoger beroep van UNIL BELGIUM ontvankelijk maar ongegrond.

Het veroordeelt UNIL BELGIUM tot de betaling van de kosten van het hoger beroep,

- in hoofde van appellante op 186 euro rolrechten + 440,00 EUR rechtsplegingsvergoeding en

- in hoofde van geïntimeerde op 440,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke terechtzitting van de eerste kamer van het hof van beroep te Brussel op 10 mei 2011.

Waar aanwezig waren:

Dhr. M. Debaere, Raadsheer,

Mevr. B. Heymans, Griffier.

B. Heymans M. Debaere

Vrije woorden

  • Outplacement. Vlaanderen

  • RVA

  • Onzorgvuldige inlichtingen of raad aan de werkgever

  • Schadeloosstelling